Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BK6849

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
02-625321-06 en 02-627485-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een autobedrijf opgelicht door te doen alsof hij een auto wilde kopen en een proefrit met deze auto te maken, maar de auto niet meer terug te brengen. Verdachte heeft daarnaast een handelaar opgelicht door hem een aanbetaling te laten doen voor een partij trainingspakken, maar deze partij nooit te leveren. Ook heeft verdachte een kamerhuurster opgelicht door te doen alsof hij een kamer verhuurde en daarvoor geld te innen, terwijl de kamer al aan iemand anders was verhuurd. Tevens heeft verdachte verduistering in dienstbetrekking gepleegd door als werknemer van een wisselkantoor geld weg te nemen bij dat wisselkantoor.

De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van verjaring, doordat er binnen de verjaringstermijn een Europees arrestatiebevel werd uitgevaardigd en het uitvaardigen van een Europees arrestatiebevel moet worden gezien als een daad van vervolging. Wel is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Sinds het uitvaardigen van het Europees arrestatiebevel is er respectievelijk ruim 3 jaar en bijna 4 jaar verstreken. Deze termijnoverschrijding kan niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM leiden, maar vormt aanleiding om een lagere straf op te leggen. Verdachte wordt daarom veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf, in plaats van 12 maanden gevangenisstraf, de straf die eigenlijk passend zou zijn naar het oordeel van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummers: 02/625321-06 en 02/627485-06 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 december 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland

1 Onderzoek van de zaak

Overeenkomstig artikel 369 van het wetboek van strafvordering heeft de politierechter de zaak naar deze kamer verwezen. De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 december 2009. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw mr. Lindhout, advocaat te Den Haag. De officier van justitie, mr. De Hollander, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Parketnummer 625321-06

feit 1: iemand heeft opgelicht dan wel een auto heeft verduisterd;

feit 2: iemand heeft opgelicht dan wel geld heeft verduisterd;

feit 3: iemand heeft opgelicht;

Parketnummer 627485-06

geld heeft verduisterd dat hij uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe heeft zij allereerst aangevoerd dat de zaken op beide dagvaardingen verjaard zijn. Omdat de strafmaxima voor oplichting en verduistering in 2002 nog drie jaar bedroegen, is de verjaringstermijn op grond van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht zes jaar. De verjaring is niet gestuit door een daad van vervolging, omdat verdachte pas tegen de zitting van 30 juli 2009 gedagvaard is. Het in deze zaak uitgevaardigde Europees arrestatiebevel en uitleveringsverzoek zijn volgens de verdediging geen daad van vervolging, omdat er op het moment van uitvaardiging nog geen beslissing was genomen over de vervolging. Zij ziet het uitvaardigen van deze stukken als een opsporingshandeling, zodat verdachte gehoord kon worden, waarna het openbaar ministerie alsnog kon besluiten om verdachte niet te vervolgen of te seponeren.

Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM. Verdachte is immers al in 2005 gehoord als verdachte, een vergelijkbare zaak als die nu speelt is op de zitting van 31 januari 2006 door de rechtbank Haarlem meegenomen en de zaken zijn drie en een half jaar op de plank blijven liggen, zonder dat er iets gebeurde. Deze forse overschrijding dient volgens de verdediging te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, nu er geen nader onderzoek is verricht, door de verdediging geen onderzoekshandelingen zijn gevraagd, het geen omvangrijke dossiers betreft en het geen ingewikkelde zaken zijn, zodat vertraging voor risico van het Openbaar Ministerie dient te komen.

De officier van justitie is van mening dat zij wel ontvankelijk is in haar vervolging omdat het Europees arrestatiebevel, dat voor het eerst op 3 oktober 2005 is uitgevaardigd, moet worden betiteld als een daad van vervolging.

Verjaring

Naar het oordeel van de rechtbank is de stelling van de verdediging dat het strafmaximum in 2002 drie jaar bedroeg en daarmee de verjaringstermijn zes jaar bedraagt, juist. De vraag is echter of er sprake is van een daad van vervolging, waardoor de verjaring is gestuit.

Het eerste Europees arrestatiebevel dateert van 9 december 2005 en had betrekking op de zaak met parketnummer 627485-06. In dit bevel werd verzocht om aanhouding en overlevering van verdachte met het oog op strafvervolging of tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel. De rechtbank te Brugge verklaarde het verzoek om verdachte te vervolgen, te veroordelen of van zijn vrijheid te benemen op 23 december 2005 uitvoerbaar. Hetzelfde geldt voor het aanvullend Europees arrestatiebevel d.d. 19 augustus 2006 ten aanzien van parketnummer 625321-06.

De verzoeken van het Openbaar Ministerie waren blijkens deze stukken specifiek en geheel gericht op vervolging van verdachte en kunnen daarmee gezien worden als een daad van vervolging.

Deze uitleg past ook binnen de uitleg van het Europees Kaderbesluit van 13 juni 2002. Daarin wordt het Europees arrestatiebevel gedefinieerd als een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met als doel de aanhouding of de overlevering door een andere lidstaat van een persoon met het oog op strafvervolging, de uitvoering van een straf of de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel.

De rechtbank overweegt verder dat het Openbaar Ministerie kennelijk niet heeft gekozen voor het doen van een rechtshulpverzoek aan België. Als het Openbaar Ministerie enkel de bedoeling had gehad om verdachte te horen, had een dergelijk rechtshulpverzoek meer voor de hand gelegen.

Nu het feit horende bij parketnummer 627485-06 volgens de dagvaarding op 17 juli 2002 is gepleegd en het Europees arrestatiebevel voor deze zaak op 9 december 2005 is uitgevaardigd, is de verjaring binnen de termijn van zes jaar gestuit.

De drie feiten die horen bij parketnummer 625321-06 zijn volgens de dagvaarding op 20 juni 2002, 4 juli 2002 en 6 oktober 2002 gepleegd. Het arrestatiebevel in deze zaken is op 19 augustus 2006 uitgevaardigd en daarmee is ook de verjaring in deze zaken binnen de termijn van zes jaar gestuit.

Na stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan, die op basis van artikel 72 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht in dit geval twaalf jaar bedraagt. Deze termijn is nog niet verlopen.

Redelijke termijn

De rechtbank is van oordeel dat elke verdachte recht heeft op afdoening van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen.

In casu moet ten aanzien van parketnummer 625321-06 de termijn worden gerekend vanaf 19 augustus 2006, de datum waarop het aanvullend Europees arrestatiebevel werd uitgevaardigd. Ten aanzien van parketnummer 627485-06 moet de termijn worden gerekend vanaf 9 december 2005, de datum van het Europees arrestatiebevel. De rechtbank stelt vast dat sinds 19 augustus 2006 ruim 3 jaar is verstreken en sinds 9 december 2005 bijna vier jaar is verstreken. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank het recht van de verdachte op afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn inderdaad geschonden.

Sinds het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (LJN: BD2578) is regel dat overschrijding van de redelijke termijn gecompenseerd wordt door vermindering van de op te leggen straf en dat de overschrijding, ook in uitzonderlijke gevallen, niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie leidt. De rechtbank is van oordeel dat, nog daargelaten of gesproken kan worden van een uitzonderlijk geval als bedoeld door de Hoge Raad, het verweer van de raadsvrouw dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dient te worden verworpen.

De rechtbank is concluderend van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

Parketnummer 625321-06

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte, de verkoopovereenkomst en de door verdachte overhandigde cheque. Ook feit 2 acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen, gezien de aangifte waaruit blijkt dat er duidelijk afgesproken was hoe partijen zouden handelen, de kopie van het paspoort en de zogenaamde borgstelling door het achterlaten van de auto. Feit 3 kan volgens de officier van justitie ook wettig en overtuigend bewezen worden. Daarbij baseert zij zich op de aangifte waaruit blijkt dat er afspraken waren gemaakt en de kwitanties, waaruit blijkt dat huur en borg is betaald.

Parketnummer 627485-06

De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Parketnummer 625321-06

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van feit 1 primair kan komen omdat het tenlastegelegde geen oplichting oplevert. Zij wijst daarbij op de uitspraak van de Hoge Raad van 14 mei 1991 (NJ 1991/759), waarin werd gesteld dat de enkele omstandigheid dat men zich in strijd met de waarheid voordoet als koper van onroerend goed, die bereid en in staat is de koopsom daarvan te voldoen, niet het aannemen van een valse hoedanigheid in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht oplevert. Nu verdachte zich in casu slechts als potentiële koper of bonafide gebruiker heeft voorgedaan, levert dit volgens de verdediging geen valse hoedanigheid op in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht en moet verdachte vrijgesproken worden van het primair tenlastegelegde.

De verdediging heeft geen opmerkingen ten aanzien van feiten 2 en 3.

Parketnummer 627485-06

De verdediging voert aan dat verdachte niet wist dat er in het grenswisselkantoor gebruik werd gemaakt van een verborgen camera en dat een werkgever geen gebruik mag maken van heimelijk cameratoezicht. Door dit cameratoezicht is er een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verdachte en daarmee een inbreuk op artikel 8 EVRM. Om die reden zijn de videobeelden onrechtmatig verkregen en dienen de camerabeelden en het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot deze camerabeelden uitgesloten te worden van het bewijs. Het gevolg daarvan is dat er onvoldoende bewijs resteert om tot een bewezenverklaring te komen, waardoor verdachte vrijgesproken dient te worden.

Subsidiair kan volgens de verdediging niet bewezen worden dat verdachte een bedrag van

€ 55.000,- heeft weggenomen. In het dossier bevindt zich namelijk niet een overzicht van de voorlaatste kastelling. Daarom kan niet blijken wat er eigenlijk in de kas hoorde te zitten. Tevens is de uitdraai van de laatste telling onvolledig, nu er geen buitenlandse valuta worden genoemd op de uitdraai. Bovendien is de uitdraai niet ondertekend.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 van parketnummer 625321-06

Op 15 juni 2002 ging verdachte naar Autobedrijf Van Dorst B.V. te Breda en toonde hij belangstelling in een personenauto van het merk en type Lexus IS 200 Sport. Verdachte had geen tijd voor een proefrit en er werd overeengekomen dat verdachte per post een offerte toegezonden zou krijgen. Op 17 juni 2002 deelde verdachte het autobedrijf telefonisch mee dat hij akkoord ging met de offerte, onder voorbehoud van een proefrit . Op 20 juni 2002 tekende verdachte een verkoopovereenkomst en verstrekte hij een medewerker van het autobedrijf een niet op naam staande cheque . Ook werd er een kopie van het rijbewijs van verdachte gemaakt . Omdat verdachte een proefrit wilde maken, gaf een medewerker van het autobedrijf hem op 20 juni 2002 een personenauto van het merk Lexus IS Sedan Sport, kleur grijs, voorzien van het kenteken 54-HD-GB mee. Verdachte bracht de auto echter niet meer terug en was niet meer te bereiken op het door hem opgegeven telefoonnummer en adres .

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich niet slechts als potentiële koper of bonafide bruiklener heeft voorgedaan, maar dat er sprake is van een samenweefsel van verdichtsels. Verdachte heeft namelijk niet alleen zijn interesse in de personenauto getoond, maar heeft meerdere malen contact gehad met Autobedrijf van Dorst Breda BV, heeft een verkoopovereenkomst getekend en heeft een cheque overhandigd. Daarmee heeft hij een complex van feiten voorgespiegeld dat hij kon en zou betalen.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Feit 2 van parketnummer 625321-06

Naar aanleiding van een door verdachte in de Telegraaf geplaatste advertentie over sportkleding nam de heer van de A contact met verdachte op en werden er afspraken gemaakt over een zakelijke transactie . Er werd overeengekomen dat de heer van de A 1000 trainingspakken van het merk Adidas van verdachte zou kopen voor een aankoopbedrag van € 23.000,- . Op 4 juli 2002 deed de heer van de A hiertoe een aanbetaling van € 5.000,- en werd afgesproken dat verdachte de volgende dag alle trainingspakken zou leveren. De personenauto die verdachte op dat moment bij zich had, een grijze Lexus van het type IS 200, en de sleutel van deze auto werden als onderpand bij de heer van de A achtergelaten. Deze afspraken werden schriftelijk bevestigd op een kopie van het rijbewijs van verdachte . Op 5 juli 2002 kwam verdachte echter niet opdagen en hoorde de heer van de A van de politie dat de achtergelaten personenauto gestolen was .

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat feit 2 primair wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Feit 3 van parketnummer 625321-06

Op 6 oktober 2002 werd mevrouw [slachtoffer] , die in een advertentie in Dagblad De Stem om een te huren kamer had gevraagd, door verdachte gebeld en werd er afgesproken elkaar diezelfde middag bij een woning gelegen aan de Veemarktstraat 41a in Breda te ontmoeten. Daar vertelde verdachte aan mevrouw [slachtoffer] dat hij werkzaam was als een soort makelaar en dat hij nog 42 andere panden beheerde. Verdachte wilde de kamer aan mevrouw [slachtoffer] verhuren voor € 450,- per maand. Ook moest ze eenzelfde bedrag aan borg betalen. Mevrouw [slachtoffer] nam de gegevens van het paspoort van verdachte over , betaalde € 900,- en kreeg de sleutel van de woning . Op 7 oktober 2002 kreeg mevrouw [slachtoffer] een kwitantie van verdachte, waaruit bleek dat ze de huur en borg had betaald . Toen de dochter van mevrouw [slachtoffer], voor wie de kamer bedoeld was, echter ging kijken in de woning, bleek dat de woning al verhuurd was aan iemand anders. Toen zij verdachte telefonisch om opheldering vroeg, hing hij op en was hij daarna niet meer te bereiken .

De rechtbank acht feit 3 op grond van het bovenstaande wettig en overtuigen bewezen.

Parketnummer 627485-06

Vanaf 15 juli 2002 werkte verdachte als kassier bij geldwisselkantoor Sunro Change [adres]en aan [adres]. Op 17 juli 2002 werkte verdachte samen met de heer [medewerker], die rond 17.40 uur het pand verliet. Toen de heer [medewerker] rond 17.45 uur terug kwam in het pand, merkte hij dat verdachte er niet meer was. Bij het tellen van de kas bleek dat er geld verdwenen was . Op camerabeelden die op 17 juli 2002 bij Sunro Change BV gemaakt zijn, is te zien dat verdachte tussen 17.39.53 uur en 17.40.45 uur meerdere pakketjes met bankbiljetten uit de geldlade heeft gehaald, deze in een plastic tas heeft gestopt en om 17.41.05 het pand heeft verlaten .

De rechtbank is met de verdediging van mening dat niet precies vastgesteld kan worden hoeveel geld verdachte op 17 juli 2002 heeft meegenomen, omdat het overzicht van de voorlaatste kastelling ontbreekt. Wel is op basis van de camerabeelden, waarop te zien is dat verdachte verschillende pakketjes met biljetten meeneemt, te bepalen dat het om een aanzienlijk bedrag gaat.

Het verweer van de verdediging met betrekking tot het heimelijk cameratoezicht is niet aannemelijk geworden. Allereerst is onvoldoende onderbouwd dat verdachte niet wist dat er cameratoezicht was. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat bedrijven die met veel geld omgaan gebruik maken van camera’s.

Maar zelfs in het geval dat er wel sprake zou zijn van heimelijk cameratoezicht, dan leidt een onrechtmatige daad die begaan is door de werkgever, in deze omstandigheden, niet tot bewijsuitsluiting in het strafproces.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft gepleegd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Parketnummer 625321-06

Feit 1

op 20 juni 2002, te Breda, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, Autobedrijf Van Dorst Breda B.V. heeft bewogen tot de afgifte van een voertuig (personenauto, merk Lexus, type IS 200, kleur grijs), hebbende hij, verdachte, met vorenomschreven oogmerk -

zakelijk weergegeven - opzettelijk bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- zich bij dat Autobedrijf Van Dorst Breda B.V. voorgedaan als zijnde een reguliere koper en

- met dat Autobedrijf Van Dorst Breda B.V. overeengekomen met dat voertuig een proefrit te maken en dat voertuig onder voorbehoud te kopen en daarbij

- dat Autobedrijf Van Dorst Breda B.V. een cheque overhandigd waarbij hij, verdachte, dat Autobedrijf Van Dorst Breda B.V. in de veronderstelling heeft doen/laten verkeren dat die cheque gedekt zou zijn en

- een koopovereenkomst ondertekend/getekend,

waardoor die [de verkoper] en/of dat Autobedrijf Van Dorst Breda B.V. werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Feit 2

in de periode van 4 juli 2002 tot en met 5 juli 2002, te Volkel, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 5.000 euro, hebbende hij, verdachte, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven – opzettelijk bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- zich bij die [slachtoffer 2] voorgedaan als zijnde een reguliere zakenpartner en

- met die [slachtoffer 2] overeengekomen, dat hij, verdachte, 1000, trainingspakken, merk Adidas, zou kunnen) leveren tegen betaling van een geldbedrag van 23.000 euro, en daarbij

- met die [slachtoffer 2] overeengekomen, dat er door die [slachtoffer 2] een geldbedrag van 5.000 euro, aanbetaald diende te worden en daarbij

- met die [slachtoffer 2] overeengekomen, dat hij, verdachte, die trainingspakken, op 5 juli 2002 aan die [slachtoffer 2] zou leveren en

- die [slachtoffer 2] een kopie van zijn paspoort ter beschikking gesteld en

- die [slachtoffer 2] (als onderpand) een voertuig (personenauto, merk Lexus, type IS 200, kleur grijs) en de sleutel van dat voertuig ter beschikking gesteld,

waardoor die [slachtoffer 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Feit 3

op 6 oktober 2002, te Breda, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, A. [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 900 euro, hebbende hij, verdachte, met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - opzettelijk bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- zich bij die [slachtoffer] voorgedaan als zijnde een (soort) makelaar van een aan de Veemarktstraat te Breda gelegen te verhuren woningnummer 41a en

- die [slachtoffer] medegedeeld dat hij, verdachte, nog 42, andere panden beheerde en

- die [slachtoffer] medegedeeld dat die woning te huur is voor 450 euro per maand waarbij een borgsom betaald zou dienen te worden ten bedrage van 450 euro en

- die [slachtoffer] een sleutel van die woning overhandigd

waardoor die [slachtoffer] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Parketnummer 627485-06

op 17 juli 2002, te Amsterdam, opzettelijk geldbedragen die geheel toebehoorden aan geldwisselkantoor Sunro Change BV (perceel [adres]), en welke goederen hij, verdachte, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als kassier, bij Sunro Change B.V wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen zij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 8 maanden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en is van mening dat er sprake moet zijn van een forse strafvermindering. Een forse strafvermindering kan wat haar betreft ook tot uitdrukking worden gebracht in een mildere strafsoort.

Daarnaast is de verdediging van mening dat verdachte in het nadeel is nu de zaken niet zijn gevoegd bij de zitting van 20 maart 2003 te Den Bosch of de zitting van 31 januari 2006 te Haarlem. Volgens de verdediging zouden de huidige zaken niet veel gewicht in de schaal hebben gelegd bij het bepalen van de strafmaat aldaar en zou verdachte met de opgelegde gevangenisstraffen van 10 maanden respectievelijk 2 jaar klaar zijn geweest.

Voorts heeft de verdediging verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Gezien het gebrek aan financiële middelen moet verdachte momenteel voor bijna een jaar vastzitten in verband met twee schadevergoedingsmaatregelen. De verdediging verzoekt een taakstraf of een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diverse oplichtingen en verduistering in dienstbetrekking. Hij heeft hierdoor de benadeelden financiële schade toegebracht en het vertrouwen dat zakenpartners in elkaar en werkgevers in hun werknemers moeten kunnen stellen ernstig beschaamd.

In het nadeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte zich al eerder schuldig heeft gemaakt aan vergelijkbare strafbare feiten, dat het om hoge geldbedragen gaat en dat verdachte steeds een samenweefsel van verdichtsels heeft toegepast.

Bij de bepaling van de hierna te noemen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat aan verdachte een straf is opgelegd en verdachte nu schuldig wordt verklaard aan misdrijven vóór die strafoplegging gepleegd.

Gezien de ernst van de feiten, de documentatie van verdachte en gezien hetgeen in soortgelijke zaken wordt opgelegd is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden noodzakelijk is.

De rechtbank is echter met de raadsman van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM ten aanzien van alle feiten fors is overschreden. De rechtbank zal daar bij de strafoplegging rekening mee houden en vindt in de termijnoverschrijding aanleiding een lagere straf op te leggen dan de rechtbank zonder deze termijnoverschrijding zou hebben opgelegd, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een vergoeding van € 5.000,- voor geleden schade en een vergoeding van € 200,- voor reiskosten naar het televisieprogramma Tros Opgelicht voor feit 2 onder parketnummer 625321-06. Tevens wordt om oplegging van de schademaatregel verzocht.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde reiskosten onvoldoende onderbouwd zijn en zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering. De rechtbank is van oordeel dat de geleden schade van € 5.000,- een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit 2 onder parketnummer 625321-06 en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde bedrag van € 5.000,- is voldoende aannemelijk gemaakt zodat dit deel van de vordering zal worden toegewezen. Tevens zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de laatste dag van de bewezen verklaarde periode. Met betrekking tot het toegekende deel van de vordering zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De benadeelde partij [slachtoffer 3] namens Sunro Change BV vordert een vergoeding van € 2.268,- voor het betaalde eigen risico en een vergoeding van € 59.361,52 voor de verhoging van de verzekeringspremie voor het feit onder parketnummer 627485-06.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering niet goed onderbouwd is ten aanzien van het eigen risico, nu uit de stukken niet blijkt dat dit daadwerkelijk het eigen risico was ten tijde van het gepleegde feit. Ten aanzien van de verhoogde verzekeringspremie is de rechtbank van mening dat het verband tussen de premiestijging en de verduistering onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Een premiestijging kan immers ook het gevolg zijn van algemene verhogingen in de verzekeringsbranche.

De rechtbank acht de benadeelde partij [slachtoffer 3] namens Sunro Change BV niet ontvankelijk in haar vordering.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 24c, 36f, 57, 63, 321, 322 en 326 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Parketnummer 625321-06, feiten 1 tot en met 3: Oplichting;

Parketnummer 627485-06: Verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde

van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 5.000,- ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 5 juli 2002 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;(BP.09)

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], € 5.000,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 60 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] vervalt en omgekeerd; (BP.04)

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] namens Sunro Change BV niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 3] namens Sunro Change BV in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil; (BP.15)

Dit vonnis is gewezen door mr. De Graaf, voorzitter, mr. Kooijman en mr. Tilman-Knoester, rechters, in tegenwoordigheid van mr. van Aalst, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 december 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Parketnummer 02/625321-06

1.

hij op of omstreeks 20 juni 2002, te Breda, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [verkoper] en/of Autobedrijf Van Dorst Breda B.V. heeft bewogen tot de afgifte van een voertuig (personenauto, merk Lexus, type IS 200, kleur grijs), in elk geval van enig goed, hebbende/zijnde hij, verdachte, met vorenomschreven oogmerk -

zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- zich bij die [de verkoper] en/of dat Autobedrijf Van Dorst Breda B.V. voorgedaan als zijnde een reguliere klant/koper/huurder en/of

- met die [de verkoper] en/of dat Autobedrijf Van Dorst Breda B.V. overeengekomen met dat voertuig een proefrit te maken en/of dat voertuig te huren (tot en met 24 juni 2002) en/of (onder voorbehoud) te kopen en/of (daarbij)

- die [de verkoper] en/of dat Autobedrijf Van Dorst Breda B.V. een (blanco) cheque overhandigd/gegeven (waarbij hij, verdachte, die [de verkoper] en/of dat Autobedrijf Van Dorst Breda B.V. in de veronderstelling heeft doen/laten verkeren dat die cheque gedekt zou zijn) en/of

- een koopovereenkomst ondertekend/getekend,

waardoor die [de verkoper] en/of dat Autobedrijf Van Dorst Breda B.V. werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

art 326 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 juni 2002, in elk geval in of omstreeks de periode van 20 juni 2002 tot en met 5 juli 2002, te Breda, in elk geval in Nederland, opzettelijk een voertuig (personenauto, merk Lexus, type IS 200, kleur grijs), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Autobedrijf Van Dorst Breda B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, welk goed hij, verdachte, op basis van een koopovereenkomst en/of op basis van bruikleen en aldus anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 4 juli 2002 tot en met 5 juli 2002, te Volkel, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 5.000 euro, althans een geldbedrag, hebbende hij, verdachte, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- zich bij die [slachtoffer 2] voorgedaan als zijnde een reguliere klant en/of zakenrelatie/zakenpartner en/of

- met die [slachtoffer 2] overeengekomen, althans die [slachtoffer 2] medegedeeld, dat hij, verdachte, 1000, althans een aantal, trainingspakken, althans kledingstukken (merk Adidas), zou kunnen) leveren tegen betaling van een geldbedrag van 23.000 euro, althans een geldbedrag, en/of (daarbij)

- met die [slachtoffer 2] overeengekomen, althans die [slachtoffer 2] medegedeeld, dat er door die [slachtoffer 2] een geldbedrag van 5.000 euro, althans een geldbedrag, aanbetaald diende te worden en/of (daarbij)

- met die [slachtoffer 2] overeengekomen, althans die [slachtoffer 2] medegedeeld, dat hij, verdachte, die trainingspakken, althans kledingstukken, (op 5 juli 2002) aan die [slachtoffer 2] zou leveren en/of

- die [slachtoffer 2] een kopie van zijn paspoort ter beschikking gesteld en/of gegeven en/of overhandigd en/of

- die [slachtoffer 2] (als onderpand) een voertuig (personenauto, merk Lexus, type IS 200, kleur grijs) en/of de/een sleutel(s) van dat voertuig ter beschikking gesteld,

waardoor die [slachtoffer 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

art 326 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 juli 2002, te Volkel, in elk geval in Nederland, een geldbedrag van 5.000 euro, althans een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan M. van de A, in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, welk geldbedrag hij, verdachte, op basis van een aanbetaling en/of op basis van een overeenkomst met die [slachtoffer 2] en aldus anders dan door misdrijf, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 6 oktober 2002, te Breda, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, A. [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 900 euro, althans een geldbedrag, hebbende hij, verdachte, met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of

in strijd met de waarheid

- zich bij die [slachtoffer] voorgedaan als zijnde een (soort) makelaar en/of (reguliere) kamerverhuurder en/of eigenaar van een (aan de Veemarktstraat te Breda gelegen) (te verhuren) woning/pand (nummer 41a) en/of

- die [slachtoffer] medegedeeld dat hij, verdachte, nog 42, althans een aantal, andere panden beheerde en/of

- die [slachtoffer] medegedeeld dat die woning/dat pand te huur is voor 450 euro per maand (waarbij een borgsom betaald zou dienen te worden ten bedrage van 450 euro) en/of

- die [slachtoffer] een sleutel (van die woning/dat pand) overhandigd en/of gegeven en/of ter beschikking gesteld,

waardoor die [slachtoffer] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

art 326 Wetboek van Strafrecht

Parketnummer 02/627485-06

hij op of omstreeks 17 juli 2002, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een of meer geldbedrag(en) (totaal ongeveer 55.000 euro), in elk geval enig(e) goed(eren), die/dat geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [slachtoffer 3] en/of R. Ong en/of (geldwisselkantoor) Sunro Change BV (perceel [adres]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en welk(e) goed(eren) hij, verdachte, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als baliemedewerker en/of (kassa-)medewerker en/of kassier, althans werknemer (van/bij Sunro Change B.V.), in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 322 Wetboek van Strafrecht