Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BK5949

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
02-12-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
556513 cv 09-5464
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg vaststellingsovereenkomst. Hoe moet de overeenkomst worden uitgelegd nu zich een omstandigheid – te weten een beëindiging van het dienstverband vóór 31 juli 2014 – heeft voorgedaan, die niet zichtbaar in de overeenkomst is verdisconteerd en waarmee partijen ook in het geheel geen rekening hebben gehouden. Voor de beantwoording van de vraag of een overeenkomst een leemte bevat en of en hoe die moet worden aangevuld komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van hun overeenkomst mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0938
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie Breda

zaak/rolnr.: 556513/CV/09-5464

vonnis d.d. 2 december 2009

inzake

[eiseres],

wonende te [adres],

eiseres,

gemachtigde: mr. J.J.C.M. Claassen, advocaat te Rijen, gemeente Gilze en Rijen,

tegen:

de rechtspersoon naar Nederlands recht

Stichting Onderwijsstichting SINT OELBERT,

gevestigd en kantoorhoudend te 4904 PA Oosterhout, Warandelaan 3,

gedaagde,

gemachtigde: mr. F. Wubbena, advocaat te Oosterhout.

1. Het verloop van het geding

1.1 De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a) het tussenvonnis van 7 oktober 2009 en de daarin genoemde stukken;

b) de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de comparitie van partijen van 6 november 2009.

De inhoud van deze stukken moet als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Het geschil

Eiseres, hierna te noemen [adres], vordert gedaagde, hierna te noemen SOSO, te bevelen:

a) primair over te gaan tot voldoening van een bedrag van € 6.700,00 wegens achterstallig salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2009;

b) subsidiair uiterlijk binnen 2 weken na dagtekening van het te wijzen vonnis over te gaan tot betaling van een bedrag van

€ 700,00 aan achterstallige termijnen over de periode januari t/m juli 2009, te verhogen met de na juli 2009 tot de datum van vonniswijzing verstreken maandtermijnen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2009 en te verhogen met de na datum van vonniswijzing t/m 31 juli 2014 nog vervallende termijnen van € 100,00 bruto per maand.

[adres] vordert voorts verwijzing van SOSO in de proceskosten.

SOSO voert verweer.

3. De beoordeling

3.1.

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist het volgende vast:

- Tussen partijen is in 2000 een arbeidsovereenkomst gesloten, krachtens welke [adres] met ingang van augustus 2000 bij SOSO in dienst trad als docent Nederlands voor een salaris van Hfl 4.310,00 bruto per maand, zijnde het salaris behorende bij inschaling in wat nu heet schaal LB (toen: schaal 10) trede 3;

- Bij voornoemde inschaling is, overeenkomstig de destijds geldende CAO, aansluiting gezocht bij het laatst verdiende salaris van [adres], die in 2000 werkzaam was als docente in België, van welk land zij ook de nationaliteit had en nog heeft en in welk land de lerarensalarissen vergeleken met de Nederlandse salarissen ten minste in en vóór 2000 aanzienlijk lager uitvielen;

- Met ingang van 1 augustus 2003 is [adres] in een andere salarisschaal (LC) ingedeeld op grond van haar kwaliteiten;

- [adres] heeft in het voorjaar van 2005 de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) om een oordeel gevraagd over het al of niet (nationaliteits)discriminatoire karakter van haar inschaling in het jaar 2000 en de handhaving van die inschaling nadien;

- De CGB heeft op 28 oktober 2005 als haar oordeel uitgesproken, dat SOSO verboden onderscheid maakt op grond van nationaliteit door [adres] lager in te schalen en te belonen dan haar collega’s bij SOSO met de Nederlandse nationaliteit;

- SOSO heeft aan [adres] een schriftelijk voorstel d.d. 18 januari 2006 gedaan, dat volgens SOSO “meer dan recht doet aan de uitspraak van de CGB”. Het voorstel luidt als volgt:

1. Ondanks de uitspraak van de CGB zijn en blijven wij van mening dat er in 2000 bij de inschaling geen fouten zijn gemaakt. De schoolleiding heeft (namens het bestuur) naar eer en geweten de CAO gevolgd en zij noch wij zijn er ons van bewust geweest dat daardoor een ongelijke behandeling zou kunnen ontstaan. Er is hen en ons op dat moment ook niet gevraagd om een andere inschaling en de aanstelling is toen en de jaren daarna door beide partijen ondertekend.

2. De CGB heeft uitgesproken dat er (toch) sprake was van niet-toegestane ongelijke behandeling. Zoals u weet is deze uitspraak niet bindend. Het bestuur wil niettemin bij wijze van minnelijke regeling aanbieden om deze uitspraak zo goed mogelijk te honoreren, maar de CGB zegt niet hoe haar uitspraak in de praktijk vertaald moet worden.

3. Ons uitgangspunt bij de “hersteloperatie”is het volgende:

a. We proberen te bepalen in welke schaal u op 1 augustus 2000 zou zijn ingeschaald als u haar onderwijsloopbaan niet in België, maar in Nederland zou zijn begonnen.

b. Op grond daarvan bepalen we wat dan u schaal zou zijn geweest op 1 augustus 2003.

c. Deze schaal gebruiken we als uitgangspunt bij de promotie naar LC.

d. We berekenen het verschil tussen de daadwerkelijke beloning en de beloning op grond van a t/m c.

e. Dit verschil compenseren we op een wijze die voor beide partijen aanvaardbaar is.

4. Het bleek niet eenvoudig te zijn te bepalen in welke schaal u zou hebben gezeten. De adviezen die wij hierover inwonnen bleken tegenstrijdig. Bovendien is de structuur enkele malen gewijzigd. We hebben besloten als ijkpunt een collega te nemen die in hetzelfde schooljaar als docent in het Nederlands voortgezet Onderwijs is begonnen. Deze werd op 1 augustus 2003 bezoldigd volgens LB 13. Na promotie zou dit LB 7 worden.

5. U was op 1 augustus 2003 geplaatst in LB 5. Na promotie werd dit LC 4. Het verschil in beloning tussen LB 5 en LB 13 bedraagt € 414,- per maand.

6. Theoretisch is het mogelijk voor elke maand dat u in dienst bent geweest exact te berekenen wat het verschil was tussen de beloning die u ontving en die van de collega waarmee we u vergelijken. We zouden dan ook rekening moeten houden met het feit dat u niet al die tijd een volledige betrekking had. Gemakshalve doen wij dit niet en gaan ervan uit dat het verschil steeds € 414,- was. Wij denken dat dit voor u eerder voordelig dan nadelig is. Van 1 augustus 2000 tot 1 augustus 2003 betekent dit een verschil van 36x € 414,- = € 14.900,-.

7. Als compensatie stellen wij voor u met terugwerkende kracht per 1 augustus 2003 in te schalen in LC 8. Dit is eigenlijk één schaal te hoog. Dat scheelt gedurende alle elf jaren vanaf 1 augustus 2003 totdat u het maximum van de schaal hebt bereikt € 100,- per maand. Dit is in totaal € 13.200,-. Het resterende bedrag wordt verrekend door middel van een eenmalige toelage van € 1.700,- die zal worden uitbetaald in februari 2006.

8. Bij de berekening ad 6 noch bij de berekening ad 7 is rekening gehouden met pensioenpremie, vakantiegeld, eindejaarsuitkering, etc. Deze zullen beide bedragen in gelijke mate verhogen. Het principe verandert hierdoor niet.

9. Als gevolg van de inschaling in LC 8 per 1 augustus 2003 ontvangt u een salarisnabetaling over de periode van 1 augustus 2003 tot heden. In januari 2006 vindt de nabetaling plaats over de periode van 1 augustus 2005 t/m 31 januari 2006. Naar verwachting zal in februari 2006 de nabetaling plaatsvinden over de periode van 1 augustus 2003 tot 1 augustus 2005.

10. Het voordeel van de door ons voorgestelde handelwijze is, dat de hogere inschaling ook leidt tot evenredig hogere pensioenaanspraken.

11. Onderdeel van de aldus te treffen regeling dient te zijn dat u ons als werkgever daarbij finale kwijting verleent voor uw claim die tot de uitspraak van de CGB heeft geleid.

12. Zoals gezegd willen we met dit voorstel voor een regeling een praktische oplossing bereiken om in het belang van beide partijen verdere procedures te voorkomen, en mag uit ons aanbod niet worden afgeleid dat wij van mening zouden zijn dat wij een ontoelaatbaar onderscheid hebben gemaakt. Onderdeel van de regeling dient dan ook te zijn dat beide partijen hieraan geen publiciteit geven.

13. Wij zijn van mening dat wij hiermee een zeer genereus aanbod doen dat meer dan recht doet aan de uitspraak van de CGB.

Omdat u al hebt aangegeven dat u met dit voorstel akkoord gaat, zal de salarisherberekening zo spoedig mogelijk (extern) plaatsvinden. Ons aanbod om desgewenst al in december een voorschot uit te betalen, is inmiddels waar gemaakt door een betaling van € 7.500,- in december 2005. Dit bedrag zal in mindering worden gebracht op de betalingen genoemd onder genoemd onder 7 en 9 en eventueel leiden tot een (geringe) terugbetaling.”

- [adres] heeft de punten 3 t/m 12 voor akkoord getekend;

- [adres] heeft de dienstbetrekking per 1 januari 2009 opgezegd en is met ingang van die datum als docente in dienst getreden bij Fontys Hogescholen.

3.2.

[adres] legt aan haar vorderingen de in de voor akkoord getekende brief van 18 januari 2006 neergelegde overeenkomst ten grondslag. Zij beroept zich daarbij in het bijzonder op punt 7. In de primaire variant vordert zij de som van de nog resterende 67 termijnen van € 100,- bruto (1 januari 2009 t/m 31 juli 2014) en in de subsidiaire variant maandelijkse betalingen van € 100,- t/m 31 juli 2014.

Het verweer van SOSO luidt, samengevat, als volgt:

1) [adres] geeft in de dagvaarding haar verweer verkeerd, namelijk ten dele onjuist en ten dele onvolledig, weer.

2) Naar haar aard is de betaling ingevolge de indeling in een hogere salarisschaal dan waarop eigenlijk aanspraak bestond, gekoppeld aan het bestaan van een dienstverband;

3) Het is nooit de bedoeling van partijen geweest tot een volledige nabetaling van achterstallig salaris te komen en de overeenkomst mag dus niet worden beschouwd als een afbetalingsregeling

4) [adres] heeft zelf de nakoming van de getroffen regeling onmogelijk gemaakt door ontslag te nemen.

5) [adres] heeft bij (de onderhandelingen met Fontys over) haar inschaling profijt getrokken of kunnen trekken uit haar (te hoge) inschaling bij SOSO

6) Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [adres] aanspraak maakt op het bedrag van

€ 6.700 althans 67 x € 100,-.

3.3.

De kantonrechter kan de juistheid van het eerste verweer in het midden laten. Ook als het terecht wordt voorgedragen is het gebrek door de inhoud van de conclusie van antwoord gerepareerd. Het niet of niet juist weergeven van het verweer is niet met nietigheid bedreigd. Denkbaar is, dat door zo’n gebrekkige weergave het proces moeilijker, in de zin van trager en kostbaarder, verloopt en dat om die reden een processuele of financiële sanctie wordt getroffen. Maar het verloop van de comparitie is er niet door bemoeilijkt en het verdere verloop van de procedure wordt er, zoals hieronder blijkt, niet door vertraagd.

3.4.

De kantonrechter stelt voorop, dat het in dit geschil niet gaat om de vraag, of het oordeel van de CGB juist is, met andere woorden of de kantonrechter het oordeel van de CGB deelt. Partijen hebben, blijkens de brief van 18 januari 2006, kennis dragende van dat oordeel, een als vaststellingsovereenkomst te kwalificeren regeling getroffen. Uit de punten 1 en 2 van de brief van 18 januari 2006 blijkt van onvrede over dan wel onbegrip voor het oordeel aan de zijde van SOSO. [adres] heeft voor die onvrede en dat onbegrip niet willen “tekenen”, en had op haar beurt weinig begrip voor - sterker: veel moeite met - de non-acceptatie door SOSO van het oordeel van de CGB . Ter comparitie wordt van beide kanten verklaard, dat men de zaak destijds niet op de spits wilde drijven en dat in enkele gesprekken is geprobeerd “er uit te komen”. [adres] verklaart ter comparitie, dat zij toen wel nagedacht heeft over inschakeling van een advocaat, maar daarvan heeft afgezien.

3.5.

De vraag, die de kantonrechter moet beantwoorden is deze: hoe moet de overeenkomst worden uitgelegd nu zich een omstandigheid – te weten een beëindiging van het dienstverband vóór 31 juli 2014 - heeft voorgedaan, die niet zichtbaar in de overeenkomst is verdisconteerd en waarmee partijen, naar zij ter comparitie hebben verklaard, ook in het geheel geen rekening hebben gehouden. Voor de beantwoording van de vraag of een overeenkomst een leemte bevat en of en hoe die moet worden aangevuld komt het aan op de zin, die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van hun overeenkomst mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (NJ 1981, 635; NJ 2007, 175).

3.6.

De kantonrechter verstout zich in dit geschil tussen bij uitstek taalgevoelige partijen te constateren, dat in de in januari 2006 (!) verschenen derde druk van Van Dale Hedendaags Nederlands “compensatie” wordt omschreven als “het goedmaken van iets dat te kort schiet of uitgevallen is” en, tweede betekenis, als “vereffening van wederzijdse schulden”. Wie een regel of 15 lager bij “compenseren” kijkt, ziet daar staan “een gebrek verlichten door er iets anders tegenover te stellen”. Tussen het zelfstandig naamwoord en het werkwoord lijkt qua betekenis enig licht te zitten. Maar het werkwoord overcompenseren doet toch vermoeden, dat met compensatie wordt beoogd een gebrek volledig te verhelpen: de schalen van de weegschaal zijn als het ware door en na compensatie weer in evenwicht. Dat partijen met compensatie hier in beginsel volledige reparatie hebben bedoeld, althans, dat [adres] die bedoeling uit de brief heeft kunnen en mogen proeven, blijkt, naar het oordeel van de kantonrechter, ook uit het gebruik van de term “hersteloperatie” in punt 5.

3.7.

In de punten 5 en 6 van de brief van 18 januari 2006 doet SOSO, wat zij in punt 3d al zei: het berekenen van het verschil tussen de daadwerkelijke beloning tussen 1 augustus 2000 en 1 augustus 2003 en de beloning op grond van a t/m c, kort gezegd wat die volgens de strekking van het oordeel van de CGB redelijkerwijs had kunnen en moeten zijn. En in punt 7 wordt uitvoering gegeven aan het in punt 3 e uitgesproken voornemen. Het eindresultaat van 5 en 6 – het tekort van € 14.900 – wordt gecompenseerd en wel aldus, dat [adres] maandelijks, met terugwerkende kracht tot 1 augustus 2003, € 100,- per maand meer aan salaris gaat ontvangen dan waarop zij in vergelijking met haar “maatman” (de LC7-man) recht zou hebben (die LC7-man komt klaarblijkelijk een jaar later – in augustus 2015 - qua salaris langszij en op zijn maximum in de betreffende schaal) en ontvangt aldus € 13.200 (132 maanden van € 100,- ofwel 11 jaar, te rekenen vanaf 1 augustus 2003). “Het resterende bedrag”, aldus de laatste volzin van punt 7, € 1.700, wordt als toelage in februari 2007 betaald. De kantonrechter kan dit een en ander toch niet anders zien dan dat SOSO het “tekort” van € 14.900 volledig ongedaan wilde maken, zij het niet ineens, maar uitgesmeerd over een groot aantal jaren.

Zou het dienstverband tot ten minste 1 augustus 2014 hebben geduurd – in rond Nederlands: als er niet tussengekomen was -, dan zou het tekort in nominale zin volledig ongedaan zijn gemaakt. [adres] heeft deze bedoeling uit het door SOSO geredigeerde stuk kunnen en mogen afleiden.

Het verweer sub 2.2.3, ook te lezen in de overgelegde brief van de bestuursvoorzitter, is zo bezien onbegrijpelijk.

3.8.

Met betrekking tot het vierde verweer overweegt de kantonrechter, dat de consequentie van de juistheid ervan zou zijn, dat [adres] om de tegemoetkoming ten volle te ontvangen, haar dienstverband tot ten minste 1 augustus 2014 zou moeten voortzetten. Op zichzelf is niet ondenkbaar, dat een werkgever als SOSO in een situatie van schaarste aan leerkrachten op deze wijze een leerkracht gedurende lange tijd aan zich zou willen binden, maar zoals gezegd is ter comparitie verklaard, dat een mogelijke beëindiging van het dienstverband door [adres] vóór 1 augustus 2014 geen punt van overweging is geweest. Waar aan het Nederlandse arbeidsrecht toch het beginsel van vrije arbeidskeuze ten grondslag ligt en waar “werknemersbinding” zoals gezegd geen rol speelt, moet het vierde verweer worden verworpen.

3.9.

Het vijfde verweer moet worden verworpen. Waar het hier om een vordering tot nakoming gaat, is er geen plaats voor een korting op grond van een overweging, die bij een vordering tot schadevergoeding (wel) een rol zou kunnen spelen.

3.10.

Blijft over het tweede verweer. Zoals uit 3.5. t/m 3.7. blijkt, moet ervan worden uitgegaan, dat [adres] heeft kunnen en mogen begrijpen, dat SOSO een volledige (nominale) opheffing van het tekort beoogde. Aan die bedoeling wordt tegemoet gekomen door de extra trede, die in wezen een nabetaling van achterstallig salaris in termijnen is, maandelijks tot uitbetaling te laten komen. Het niet langer bestaan van de arbeidsovereenkomst staat daaraan niet in de weg.

3.11.

Wat ten slotte het zesde verweer betreft. Onder bijzondere omstandigheden is denkbaar, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dat een aanspraak geldend wordt gemaakt. Noch de opzegging van het dienstverband, noch de mogelijke omstandigheid, dat [adres] in de toekomst (vanaf 1 januari 2009) garen spint bij haar te hoge inschaling bij SOSO (ter waarde van € 100,- per maand gedurende 5½ jaar) zijn bijzondere omstandigheden.

3.12.

De conclusie moet luiden, dat de primaire vordering wegens het ontbreken van een deugdelijke grondslag ([adres] zou beter uit zijn door haar vertrek dan wanneer zij bij SOSO gebleven was) moet worden afgewezen. De subsidiaire vordering is op na te noemen wijze toewijsbaar.

4. De kosten

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij moet SOSO worden verwezen in de kosten, aan de zijde van [adres] gevallen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde tot betaling van een bedrag van € 1.100,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 600,- vanaf 21 juli 2009 en over de maandtermijnen vanaf juli t/m november 2009 vanaf telkens de eerste dag van de erop volgende maand;

beveelt, dat gedaagde vanaf 1 december 2009 t/m 31 juli 2014 telkens vóór de eerste dag van de daarop volgende maand maandelijks een bedrag van € 100,- bruto voldoet;

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot deze uitspraak begroot op € 793,98 waaronder

€ 500,-- als salaris voor de gemachtigde van eiseres;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Wallis en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 december 2009.