Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BK4490

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
187305 HA ZA 08-559
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2010, 19
NJ 2010, 220
KWEP 2010/5

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 187305 / HA ZA 08-559

Vonnis van 25 november 2009

in de zaak van

[JB],

wonende te Dongen,

eiseres,

advocaat mr. N.Th. ter Haar Romeny,

tegen

[EL],

wonende te Dongen,

gedaagde,

advocaat mr. N.P.C.C. Langenberg.

Partijen zullen hierna eiseres en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1, 2 en 3,

- de conclusie van antwoord,

- de conclusie van repliek met producties 4 en 5,

- de akte van de zijde van eiseres houdende overlegging productie,

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

Eiseres vordert, samengevat, verklaring voor recht, primair, dat [gedaagde] de uitoefening van haar aanspraken uit hoofde van hierna vermeld verrekenbeding wordt ontzegd, subsidiair, dat de verrekeningsvordering van [gedaagde] wordt gematigd tot nihil, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

[gedaagde] spreekt de vordering tegen.

3. De beoordeling

3.1. Op grond van hun wederzijdse proceshouding staat tussen partijen het volgende vast.

1. [gedaagde] is op 14 juni 1997 gehuwd [B] (hierna: [B]). Hun huwelijk is geëindigd door het overlijden van [B] op 1 of 2 juni 1998. Deze is toen in de door de echtgenoten gedeelde woning in Hoogstraten-Meerle, België, om het leven gebracht.

2. Tussen [B] en [gedaagde] waren van kracht de huwelijkse voorwaarden die bij notariële akte van 28 mei 1997 waren opgemaakt.

3. Ingevolge de huwelijkse voorwaarden bestond tussen de echtgenoten generlei gemeenschap van goederen. Onder het kopje "verrekening vermogen" is in de betrokken akte opgenomen:

"Wanneer het huwelijk wordt ontbonden door overlijden zonder dat tussen de echtgenoten een scheiding van tafel en bed is uitgesproken en ieders vermogen alsdan een positief saldo heeft, vindt een dusdanige verrekening plaats dat ieder van de echtgenoten gerechtigd is tot een waarde, gelijk aan die waartoe hij gerechtigd zou zijn geweest, indien tussen partijen een algehele gemeenschap van goederen had bestaan.

Deze verrekening zal niet plaatsvinden indien ten tijde van het overlijden een gerechtelijke procedure tot echtscheiding dan wel scheiding van tafel en bed aanhangig is gemaakt, welke nog niet heeft geleid tot een inschrijving in de daartoe bestemde registers van een rechterlijke uitspraak." Deze bepaling wordt hierna "verrekenbeding" genoemd.

4. Bij arrest van het Hof van Assisen van de provincie Antwerpen van 1 december 2006, is [gedaagde] veroordeeld onder meer tot 25 jaar opsluiting ter zake van, samengevat, het plegen of het medeplegen dan wel medeplichtigheid aan het opzettelijk en met voorbedachten rade doden van [B]. Bij arrest van het Hof van Cassatie van België van 17 april 2007 zijn de cassatieberoepen van [gedaagde] tegen het arrest van het Hof van Assisen verworpen.

5. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout, België, van 17 februari 2009 is, samengevat, [gedaagde] erfrechtelijk onwaardig verklaard om te erven van [B], is voor recht verklaard dat zij onwaardig is enig recht te putten uit het testament van laatstgenoemde, zijn de testamentaire beschikkingen van [B] in het voordeel van [gedaagde] integraal herroepen en is laatstgenoemde veroordeeld tot teruggave en terugbetaling van alle gelden, waarden en goederen behorende tot de nalatenschap van [B] waarvan zij sinds het openvallen van de nalatenschap het genot heeft gehad.

6. Eiseres is de enige zus van [B]. Zij is, na [gedaagde], zijn eerste erfgename.

3.2. Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag, samengevat, dat [gedaagde] de hand heeft gehad in de gewelddadige dood van [B] en dat een algemeen rechtsbeginsel - dat zijn weerslag heeft gevonden in een bepaling als die van artikel 4:3 BW - zich ertegen verzet dat [gedaagde] voordeel trekt uit dat handelen. In dit verband voert eiseres aan dat het verrekenbeding ertoe strekte [gedaagde] financieel te bevoordelen.

3.3. De Nederlandse rechter is bevoegd van de vordering kennis te nemen aangezien [gedaagde] haar woonplaats heeft in Nederland. De rechtbank zal op de vordering het Nederlandse recht toepassen aangezien de vordering betrekking heeft op het huwelijksgoederenregime van de voormalige echtgenoten en zij, zoals blijkt uit voormelde notariële akte, waren overeengekomen dat ten aanzien van dat regime het Nederlandse recht van toepassing is.

3.4. In het licht van het in rechtsoverweging 3.1 vermelde vonnis van de rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout heeft eiseres als eerste erfgename van [B] na [gedaagde] voldoende belang bij haar vordering. Het ter zake gevoerde verweer van [gedaagde] moet worden verworpen.

3.5. Op grond van het verrekenbeding zal verrekening alleen plaats hebben indien het huwelijk van [B] en [gedaagde] is ontbonden door overlijden, mits op dat moment niet een scheiding van tafel en bed is uitgesproken en niet een gerechtelijke procedure tot echtscheiding dan wel scheiding van tafel en bed aanhangig is gemaakt die nog niet heeft geleid tot inschrijving in de daartoe bestemde registers van een rechterlijke uitspraak. Dat betekent dat verrekeningsvorderingen op grond van dat beding slechts ontstaan indien vervuld is de voorwaarde dat, samengevat, een van de echtgenoten is overleden. Het is onzeker of die vorderingen zouden zijn ontstaan indien [B] niet op 1 of 2 juni 1998 was overleden, aangezien ongewis is of het huwelijk nadien zou zijn ontbonden door overlijden - en op dat moment niet een gerechtelijke procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed aanhangig zou zijn gemaakt die nog niet zou hebben geleid tot inschrijving - dan wel door een andere oorzaak.

Voldoende is komen vast te staan dat door verrekening op basis van het verrekenbeding de vermogenspositie van [gedaagde] gunstiger wordt dan voorheen. Daarmee is gegeven dat zij belang had bij vervulling van de voorwaarde dat haar huwelijk met [B] zou worden ontbonden door het overlijden van laatstgenoemde. In het licht van artikel 6:23 lid 2 BW brengt dit mee dat - zoals in rechtsoverweging 3.6 wordt overwogen - de redelijkheid en billijkheid verlangen dat die voorwaarde als niet vervuld heeft te gelden, indien [gedaagde] die vervulling teweeg heeft gebracht. Van een dergelijk teweegbrengen is sprake indien zij de hand heeft gehad in het overlijden van [B], waaronder te begrijpen is dat zij dit overlijden heeft begunstigd. Een en ander betekent dat [gedaagde] reeds op grond van het voorgaande geen aanspraak kan maken op verrekening op de voet van het verrekenbeding indien komt vast te staan dat zij, kort gezegd, de hand heeft gehad in het overlijden van [B].

3.6. Echtgenoten zijn elkaar getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. Indien [gedaagde] de hand heeft gehad in het overlijden van [B], heeft zij deze verplichtingen in ernstige mate en op onherstelbare wijze geschonden. Een verdergaande schending van die verplichtingen is welhaast niet denkbaar. Tegen deze achtergrond is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat zij in dat geval nakoming wenst van de overeenkomst van huwelijksvoorwaarden door op grond van het verrekenbeding aanspraak te maken op een gedeelte van het vermogen van laatstgenoemde. Daarbij komt nog dat op grond van hun huwelijkse relatie geldt dat aan de door echtgenoten jegens elkaar in acht te nemen normen van redelijkheid en billijkheid ten aanzien van hun met het huwelijk verband houdende vermogensrechtelijke betrekkingen, hogere eisen mogen worden gesteld dan in het geval van een schuldeiser en de schuldenaar die niet met elkaar zijn gehuwd en overigens in gelijke omstandigheden verkeren. Die eisen brengen mee dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [gedaagde] op grond van het verrekenbeding aanspraak maakt op een gedeelte van het vermogen van [B], indien zij, kort gezegd, de hand heeft gehad in diens overlijden.

3.7. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de primaire vordering moet worden toegewezen indien komt vast te staan dat [gedaagde] de hand heeft gehad in het overlijden van [B].

[gedaagde] betwist enige betrokkenheid bij de handelingen die hebben geleid tot de dood van [B]. Alvorens op dit punt nader in te gaan zal de rechtbank een comparitie van partijen gelasten teneinde met hen te overleggen op welke wijze in deze procedure eventuele bewijslevering kan plaatshebben. Hierbij tekent de rechtbank aan dat de uitspraak van het Hof van Assisen niet voldoet aan de in artikel 161 Rv. gestelde eis dat het betrokken vonnis is gewezen door de Nederlandse strafrechter. Dat betekent dat die uitspraak geen dwingend bewijs oplevert van de door eiseres gestelde betrokkenheid van [gedaagde] bij de moord op [B].

De rechtbank verwacht dat partijen de met het oog op de comparitie relevante bescheiden aan de rechtbank zullen toezenden dan wel ter griffie zullen deponeren. In het bijzonder wordt van eiseres verwacht dat zij, zoals zij heeft aangeboden, het gehele strafdossier in het geding zal brengen door het ter griffie te deponeren.

3.8. Op grond van het voorgaande moet als volgt worden beslist. Daarbij houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

4.De beslissing

De rechtbank

4.1. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen op de terechtzitting van de rechtbank in het gerechtsgebouw te Breda aan de Sluissingel 20 op donderdag 14 januari 2010 van 14.00 tot 16.00 uur,

4.2. bepaalt dat partijen dan in persoon dan wel vertegenwoordigd door hun advocaat aanwezig moeten zijn,

4.3. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van het vonnis schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de sector civiel recht, team handelsrecht - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de vijf maanden vanaf de datum van de brief waarin om een nadere dag- en uurbepaling wordt verzocht,

4.4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Hooff, mr. Schoonen en mr. Van Ham, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2009.