Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BK4393

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
02/811041-08 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor verduistering in dienstbetrekking omdat hij als directeur van een B.V., welke belast was met de commerciële activiteiten van sociale werkvoorzieningen in de regio Oosterhout, tijdens buitenlandse reizen privé-uitgaven als zakelijke kosten declareerde. De rechtbank oordeelt dat de officier van justitie bij de vervolgingsbeslissing een zorgvuldige, niet door publieke opinie of politiek gevoede, belangenafweging heeft gemaakt en er geen reden was civielrechtelijke procedures af te wachten. Omdat de rechtbank de opgevoerde kosten van autohuur en die gemaakt ten behoeve van de echtgenote van verdachte, anders dan de officier van justitie, niet als privé-uitgaven beschouwt, wordt verdachte terzake van verduistering van in totaal 27.725,58 euro veroordeeld tot een werkstraf van 180 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/811041-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 november 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsvrouw mr. A.C.G. Meijer, advocate te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 november 2009, waarbij de officier van justitie, mr. Van Damme, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte gedurende zijn dienstbetrekking van zijn werkgeefster tijdens zakenreizen in totaal € 40.984,87 heeft verduisterd, althans gestolen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

3.1 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat aan de beslissing om te vervolgen geen zorgvuldige belangenafweging vooraf is gegaan en het OM zich bij die beslissing heeft laten leiden door de publieke opinie en de politiek. Daarenboven was de beslissing tot vervolging voorbarig, nu er geen reden was om niet eerst de uitkomst van de civiele procedure af te wachten.

Ten onrechte is het OM vervolgens overgegaan tot de aanhouding en inverzekeringstelling van verdachte, welke ook nog eens zonder redelijk doel in de publiciteit werd gebracht.

Het OM heeft door dit alles de beginselen van een goede procesorde zodanig ernstig geschonden dat de officier van justitie in zijn vervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De officier van justitie weerspreekt dat er van overheidswege sprake van enige druk tot vervolging is geweest. Er was zijn inziens geen enkele reden om eerst de uitkomst van de civiele procedure af te wachten, nu deze procedure betrekking op andere feiten had en veel meer feiten dan de huidige tenlastelegging behelsde en bovendien zowel verdachte als de maatschappij niet gediend zijn bij het uitstellen van een strafzaak in afwachting van de uitslag van een (langdurige) civielrechtelijke procedure.

Het OM heeft niet bewust de publiciteit gezocht. De zaak lag echter gevoelig, vandaar de vele media-aandacht.

Tot slot meent de officier van justitie dat de noodzaak van de aanhouding en inverzekeringstelling gelegen waren in de ernst van de feiten en de noodzaak van een grondig onderzoek.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de belangenafweging omtrent al dan niet vervolgen expliciet aan het OM is toebedeeld. Toetsing daarvan dient slechts marginaal te geschieden in zoverre, dat slechts wordt beoordeeld of het OM na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot vervolging had kunnen besluiten.

Naar het oordeel van de rechtbank passen alle beslissingen die de officier van justitie heeft genomen binnen die belangenafweging. Overigens is de rechtbank niet gebleken dat bij de vervolgingsbeslissing de publieke opinie dan wel politieke druk een rol heeft gespeeld.

De omstandigheid dat de officier van justitie de uitkomst van een door de werkgeefster tegen verdachte aangespannen civielrechtelijke procedure niet heeft afgewacht, staat in zijn algemeenheid niet in de weg aan het vervolgingsrecht van het Openbaar Ministerie. Het is immers aan de officier van justitie om hierin een afweging te maken. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen besluiten het civielrechtelijke geding niet af te wachten, mede in verband met het feit dat de strafrechtelijke procedure zich op minder en gedeeltelijk andere feiten concentreert.

Tot slot heeft de officier van justitie in het kader van de waarheidsvinding de mogelijkheid een verdachte aan te (laten) houden en in verzekering te (laten) stellen conform de daarvoor geldende wettelijke eisen. De rechtbank zijn in het onderhavige geval geen feiten of omstandigheden gebleken dat de officier van justitie daarbij in strijd met de wettelijke eisen heeft gehandeld dan wel dat hij niet in redelijkheid tot de aanhouding en inverzekeringstelling van verdachte heeft kunnen besluiten.

De door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheden leiden, ook in onderling verband bezien, niet tot de conclusie dat de beginselen van een goede procesorde zijn geschonden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, uitgezonderd het vierde gedachtestreepje (de kosten van de reis naar Amerika in juli 2004), alle tenlastegelegde gelden die hij uit hoofde van zijn dienstbetrekking onder zich had, heeft verduisterd. Hij baseert zich daarbij op het navolgende:

= de door verdachte gedane betalingen met een hem door zijn werkgeefster beschikbaar gestelde creditcard;

= het rapport over het door de afdeling Security & Integrity van de huisaccountant Ernst & Young ingestelde onderzoek;

= getuigenverklaringen van de voorzitter van de Raad van Commissarissen en van

(ex-)werknemers, alsmede

= de (uiteindelijke) deels bekennende verklaringen van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Zij wijst daarbij op het navolgende:

Alle geldhandelingen van de directeur (verdachte), waaronder de creditcardbetalingen werden achteraf periodiek gecontroleerd door een externe accountant. Nimmer zijn er bescheiden achtergehouden en in de vijf jaar dat verdachte directeur was, is hem nooit gevraagd naar zijn declaratiegedrag. Zijn declaraties zijn achteraf steeds gecontroleerd en goedgekeurd.

Van verdachte werd verwacht dat hij 365 dagen per jaar beschikbaar was voor de onderneming, dus ook tijdens zijn vakanties. Alle reizen die hij maakte hadden een zakelijk karakter en verdachte had de vrijheid bepaalde kosten als zakelijke kosten te declareren.

Het kan verdachte dus niet verweten worden dat hij zich gelden van zijn werkgeefster wederrechtelijk heeft toegeëigend. Nu dit element ontbreekt heeft verdachte zich niet schuldig gemaakt aan de primair tenlastegelegde verduistering in dienstbetrekking en evenmin aan de subsidiair tenlastegelegde diefstal.

Op grond daarvan heeft de raadsvrouw een integrale vrijspraak bepleit.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

[getuige 1] heeft verklaard dat aan verdachte als directeur van [naam BV] B.V., later overgegaan in ![nieuwe naam BV] B.V., twee creditcards beschikbaar waren gesteld van American Express en de Rabobank.

Verdachte had met die creditcards tijdens buitenlandse reizen uitgaven gedaan. Deze uitgaven waren in de boeken als zakelijke kosten verwerkt en zijn niet door verdachte terugbetaald. ![nieuwe naam BV] beschouwt deze posten als niet-zakelijk.

Verdachte stelt dat hem geen verwijt kan worden gemaakt, omdat hij als volledig bevoegd directeur gerechtigd was om over de gelden van de vennootschap te beschikken en dat wanneer achteraf blijkt dat hij in dat kader ten onrechte gelden ten behoeve van zichzelf heeft aangewend, dat zijn oplossing vindt in een afrekening in het kader van zijn werkverhouding. Deze stelling vindt in zijn algemeenheid geen steun in het recht.

Ook een directeur die, zoals verdachte, volledig bevoegd is, dient zich te houden aan wat in het kader van een normale uitoefening van degelijke functies gebruikelijk is en als een redelijke taakuitoefening moet worden beschouwd. Handelingen waarvan bij voorbaat vaststaat dat die daartoe niet behoren, kunnen tot strafrechtelijke aansprakelijkheid leiden.

Binnen het bedrijf bestonden geen afspraken op grond waarvan verdachte ervan uit mocht gaan dat ter zake van reizen die mede een privé karakter droegen, het was toegestaan om alle kosten te boeken ten laste van het bedrijf en die in een eindafrekening te betrekken. Verdachte had zich er dan ook van bewust moeten zijn dat ter zake van dergelijke uitgaven beperkingen aan zijn handelingsbevoegdheid bestonden. Blijkens een door hem zelf opgesteld memo was verdachte zich daarvan ook bewust. In dat memo geeft verdachte immers zelf als richtlijn weer dat, indien er sprake is van privé uitgaven, deze door de betrokkene voor eigen rekening moesten worden genomen.

Bij de door verdachte ondernomen reizen bestaat geschil over de navolgende kwesties:

- Reizen waarbij een duurdere auto is gehuurd dan gebruikelijk is;

- De kosten verbonden aan het meereizen van de echtgenote en de kinderen van verdachte;

- Reizen die geheel een privé karakter dragen.

De huurauto:

Met betrekking tot de huur van de auto heeft de rechtbank vastgesteld dat het verdachte vrij stond een auto te huren tijdens zakelijke reizen. Nergens blijkt uit dat de vennootschap hem enige restrictie in het soort auto of de hoogte van de huurprijs heeft opgelegd. Verdachte huurde een auto, althans deze werd voor hem gehuurd, en steeds werden de totale kosten ten laste van de vennootschap gebracht en betaald.

In geschil is de auto welke verdachte huurde tijdens een reis naar de Verenigde Staten in juli en augustus 2005, een Hummer H2. De officier van justitie meent dat verdachte, door zo’n extreem dure auto te huren, had moeten beseffen dat de vennootschap daarmee niet akkoord zou gaan.

Nu echter de vennootschap verdachte nimmer heeft aangesproken op een mogelijke bovengrens bij de huurprijs van buitenlandse auto’s kan verdachte niet verweten worden dat hij, door een dergelijke auto te huren, bewust de vennootschap heeft willen benadelen.

Het meereizen van echtgenote en twee kinderen:

Verdachte meent dat bij zaken die zowel een zakelijk als een privé karakter hadden, het hem vrij stond zijn echtgenote mee te nemen. Haar aanwezigheid had ook een zakelijk belang, aldus verdachte.

Het is de rechtbank niet gebleken dat de vennootschap met dat standpunt niet akkoord ging. Sterker nog, bij de laatste controle door de voorzitter van de Raad van Commissarissen van de creditcardafschrijvingen heeft deze bij de gedeclareerde reis naar Australië (het vijfde gedachtestreepje) de kosten van het vliegticket ten behoeve van de vrouw van verdachte geparafeerd met de aantekening: m.b.t. reis echtgenote in vervolg vooraf afstemming voorzitter RvC

Hieruit mocht verdachte begrijpen dat haar meereizen een zakelijk belang kon hebben en daarom door de vennootschap kon worden toegestaan. Onder deze omstandigheden kan verdachte niet worden verweten dat hij bewust de vennootschap heeft willen benadelen.

Dat laatste geldt niet voor het meereizen van de kinderen van verdachte. Zijn standpunt dat hij ook tijdens privé-vakanties beschikbaar was voor de vennootschap, is onvoldoende om deze kosten een zakelijk karakter te geven. Verdachte had moeten begrijpen dat in ieder geval het reizen van zijn kinderen niet als een zakelijke aftrekpost kon worden beschouwd. Het ten laste van de vennootschap brengen van dergelijke kosten is zo ongebruikelijk dat, door dat wel te doen, verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de vennootschap heeft benadeeld.

Op grond van vorenstaande moet geoordeeld worden dat de kosten verbonden aan de reizen en het verblijf van de kinderen, voor zover die tot extra kosten voor de vennootschap hebben geleid, door verdachte niet ten laste van de vennootschap hadden mogen worden gebracht.

Reizen met een volledig privé karakter.

Dat verdachte zich, al of niet vrijwillig, ook tijdens zijn vakanties bezig hield met zakelijke beslommeringen maakt nog niet dat hij, zonder vooroverleg, privé-kosten mocht beschouwen als zakelijke kosten en ten laste van de vennootschap had mogen brengen. Ook hier geldt dat het dermate ongebruikelijk is dergelijke kosten ten laste van de vennootschap te brengen, dat verdachte daardoor bewust de vennootschap heeft benadeeld.

Zowel in de primaire als in de subsidiaire variant behelst de tenlastelegging een aantal gedachtestreepjes waarin de verweten gedragingen nader zijn uitgeschreven. De rechtbank zal hierna, met inachtneming van vorenoverwogene, per gedachtestreepje het voorhanden zijnde bewijs, naast de hiervoor reeds aangehaalde voetnoten, beoordelen.

1e gedachtestreepje

Reis naar Orlando (VS) van 25 juli 2002 t/m 19 augustus 2002.

Op een Excel bestand met creditcardboekingen zijn als posten 3 en 4 opgenomen de kosten van vliegtickets bij British Airways op naam van de dochter (€ 1.125,14) en de zoon

(€ 1.125,14) van verdachte.

Verdachte heeft verklaard dat hij de kosten van deze tickets niet aan de B.V. heeft terugbetaald. Zijn verweer, dat hij tijdens deze gezinsvakantie een week in Florida plantenkarren van ![nieuwe naam BV] probeerde te verkopen, en daarom de terugreis met een week moest uitstellen, gaat niet op. Ook al besteedde verdachte tijdens zijn vakantie tijd aan zakelijke doeleinden, dan nog is dat onvoldoende om deze kosten een zakelijk karakter te geven.

2e gedachtestreepje

Reis naar Vancouver (Canada) van 20 t/m 28 februari 2003.

Op hetzelfde Excel bestand als onder voetnoot 2 genoemd staan onder de posten 57 en 58 de vliegtickets v.d. KLM tbv zoon en dochter, ten bedrage van twee maal € 505,30.

Verdachte heeft toegegeven dat het een privé ski-vakantie betrof. Hij wilde terugbetalen, maar heeft dat niet gedaan.

3e gedachtestreepje

Reis naar Vancouver (Canada) van 19 t/m 28 februari 2004

Op een Excel-bestand is onder post 89 opgenomen een creditcardbetaling aan het Weslin Resort & Spa Hotel the Whistler van € 6.728,33 (in Can. dollars 10.370,07). Dit betrof reserveringskosten voor een MT-bijeenkomst. Deze bijeenkomst is geannuleerd.

In een rapport van Ernst&Young Security & Integrity Services B.V. is omschreven dat het bedrag van € 6.728,33 eerst op een tussenrekening is geboekt en in augustus 2005 overgeboekt naar de grootboekrekening “overige verkoopkosten”. Het bedrag is niet terugontvangen.

Op een factuur van dat hotel d.d. 28 februari 2004 , gericht aan de [familienaam van verdachte], is op de rekening met betrekking tot hotelovernachtingen van 19 tot 28 februari 2004 een advanced deposit van CAD 10.730,07 in mindering gebracht.

Op de salarisstrook van verdachte staat een inhouding “creditcard” ad € 290,19, welke betrekking heeft op deze post.

Verdachte heeft gesteld dat hij deze vakantie geheel zelf heeft betaald. De rechtbank acht dat, gezien vorenstaande, niet aannemelijk, terwijl verdachte die vermeende betaling ook niet heeft aangetoond, ofschoon hij dat toch eenvoudig had gekund.

Verdachte heeft hierdoor de vennootschap dus met een bedrag van € 6.438,14 benadeeld.

4e gedachtestreepje

Amerika juli 2004

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat deze post betrekking heeft op een hotelreservering in het Hyatt Hotel te Huntington Beach (Californië), maar dat niet vast te stellen is of dit privé-uitgaven betreffen voor het [familienaam].

Verdachte zal van dit onderdeel worden vrijgesproken.

5e gedachtestreepje

Australië, heen 1 december 2004, terug 10 januari 2005

Ten laste is gelegd de boeking van twee kamers in plaats van één, omdat verdachte telkens één van die twee kamers huurde ten behoeve van zijn kinderen. Het gaat om de posten op een Excel-bestand , te weten de posten 111, 137 en 141.

De posten 111 en 137 betreffen de hotelkosten van het Four Seasons Hotel in Sidney.

Deze bedroegen respectievelijk € 2.994,90 en € 1.953,12.

Post 141 betreft de kosten van het Park Hyatt Hotel in Melbourne. Deze kosten bedroegen

€ 3.819,10. Kennelijk abusievelijk is de officier van justitie bij zijn berekening uitgegaan van het bedrag in Australische dollars, te weten 6.440,17.

Weliswaar had verdachte ook de kosten van de vliegtickets ten behoeve van zijn dochter en zoon ten laste van de vennootschap gebracht, maar deze heeft hij inmiddels terugbetaald.

Het gaat dus om een totaal bedrag aan hotelkosten ad € 8.767,12 (2.994,90 + 1.953,12 + 3.819,10). De helft daarvan waren kosten ten behoeve van de overnachtingen van verdachte en zijn echtgenote. Deze kunnen dus, in het licht van het oordeel van de rechtbank, als zakelijke kosten worden beschouwd. De andere helft, derhalve € 4.383,56, beschouwt de rechtbank als privé-uitgaven.

Verdachte heeft op de zitting toegegeven dat hij de kosten van overnachtingen van zijn kinderen ten onrechte ten laste van ![nieuwe naam BV] heeft gebracht.

6e gedachtestreepje

reis naar Vancouver (Canada) van 4 t/m 10 februari 2005

Op hetzelfde Excel-bestand als hiervoor (zie voetnoot 9) hebben de posten 162 t/m 170 allemaal betrekking op een reis naar Canada. De totale kosten bedroegen volgens dat overzicht € 9.533,24.

Verdachte heeft op de zitting toegegeven dat deze reis een privé skivakantie betrof. Hij heeft een bedrag van € 378,18 op zijn salaris laten verrekenen. Verder heeft hij in mei 2006 een bedrag van € 1.890,-- terugbetaald dat verband hield met deze reis.

Verminderd met het verrekende en terugbetaalde bedrag is een nadeel ontstaan van

€ 7.265,06.

7e gedachtestreepje

Reis van (o.m.) Huntington (VS) van 1 juli 2005 t/m 31 augustus 2005

Op een Excel-bestand betreft post 190 de hotelboeking van het Hyatt Hotel in Huntington ad € 2.162,95 en post 191 een boeking van hetzelfde hotel ad € 2.257,03.

In dit geval heeft verdachte twee kamers geboekt, derhalve één ten behoeve van hemzelf en zijn echtgenote en de andere kamer ten behoeve van zijn dochter en zoon. De helft van deze twee bedragen bedraagt dan € 2.209,84.

Het overige deel van het tenlastegelegde bedrag betreft de gehuurde Hummer, waarvan de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld dat niet vast staat dat dit privé kosten waren.

Verdachte heeft op de zitting toegegeven dat hij de hotelkosten ten behoeve van zijn kinderen voor eigen rekening had moeten nemen.

8e gedachtestreepje

Reis naar Vancouver (Canada) in februari 2006

Op hetzelfde Excel-bestand als hiervoor (zie voetnoot 12) betreffen de posten 203 t/m 210 de reis van verdachte met zijn echtgenote naar Canada, totaalbedrag € 6.672,58.

Dit is een optelsom van alle posten, dus zowel de tickets van verdachte als van zijn echtgenote, benzinekosten, en de rekeningen van restaurant en autohuur.

Post 204 betreft een reservering van hotel Tantula Resort Lodge in Whistler ad € 2.504,48. Onderzoek leverde op dat verdachte in dat hotel moet hebben verbleven in 2007 en om die reden is die post door de officier van justitie bij de totaaltelling betrokken.

Die redenering volgend, is het betreffende bedrag echter pas medio 2007 betaald. Dat betreft dan een betaling die buiten de tenlastegelegde periode valt.

Verdachte heeft toegegeven dat de (overige) posten een privé karakter betreffen en hij deze had moeten terugbetalen.

Algemeen:

Doordat verdachte als algemeen bevoegd directeur de beschikking had over de gelden van [naam BV] B.V., daarna [nieuwe naam BV] B.V., en via twee creditcards ook over die gelden heeft beschikt door die gelden aan te wenden voor de in de dagvaarding genoemde reizen, heeft verdachte de gelden in de zin van art 321 Sr onder zich gehad en daarover als heer en meester beschikt en die gelden zich toegeëigend.

Het merendeel van de feiten heeft plaatsgevonden in Oosterhout. Voor zover geacht moet worden dat onderdelen daarvan in het buitenland zijn gepleegd, is het de rechtbank ambtshalve bekend dat dergelijke feiten ook in Canada, de Verenigde Staten van Amerika en Australië strafbaar zijn gesteld.

De stelling van de raadsvrouw, daarop neerkomend dat de civiele rechter niet al deze bedragen als vaststaand heeft aangenomen, treft geen doel. De rechtbank is niet gebonden aan civielrechtelijke beslissingen in deze, maar onderzoekt zelfstandig of voor de tenlastegelegde gedragingen voldoende en overtuigende bewijsmiddelen voorhanden zijn.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 1 juli 2002 tot en met 7 juli 2006 te Oosterhout en/of in Nederland, en in Canada en/of in de Verenigde Staten van Amerika en in Australië opzettelijk girale tegoeden, (tot een totaal van euro 27.725,58) te weten:

- in de periode van 25 juli 2002 tot en met 19 augustus 2002: euro 2.250,28 en

- in de periode van 20 februari 2003 tot en met 28 februari 2003: euro 1.010,60 en

- in de periode van 19 februari 2004 tot en met 28 februari 2004: euro 6.438,14 en

- in de periode 1 december 2004 tot en met 9 januari 2005: euro 4.383,56 en

- in de periode van 4 februari 2005 tot en met 10 februari 2005: euro 7.265,06 en

- in de periode van 1 juli 2005 tot en met 31 augustus 2005: euro 2.209,84 en

- in februari 2006: euro 4.168,10,

die toebehoorden aan [naam BV] B.V. en/of ![nieuwe naam BV] B.V., en welke tegoeden verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van directeur van die vennootschap onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een werkstraf van 240 uur en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden, proeftijd 2 jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gewezen op de schade die verdachte al heeft geleden en nog zal leiden door deze zaak. Zij heeft voorts gewezen op het feit dat uit de civiele procedure is gebleken dat ![nieuwe naam BV] weliswaar enige schade heeft geleden, maar dat de schade die verdachte heeft geleden vele malen groter is geweest.

De raadsvrouw bepleit, zo verdachte al niet integraal wordt vrijgesproken, een schuldigverklaring zonder toepassing van straf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking door zijn werkgeefster [naam BV] later ![nieuwe naam BV], ruim € 27.000,-- aan kosten te laten betalen die hij tijdens buitenlandse reizen aan privédoeleinden uitgaf.

Door aldus te handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van de vrijheid die zijn werkgeefster hem verleende en het daaruit blijkende vertrouwen dat men in hem had.

Dit steekt naar het oordeel van de rechtbank temeer nu het hier, al meent verdachte dat zijn werkzaamheden gerelateerd zouden moeten worden aan hetgeen in het vrije bedrijfsleven gebruikelijk is, uiteindelijk om gemeenschapsgelden ging en dan met name subsidies ten behoeve van de sociale werkvoorziening.

De rechtbank acht dit des te kwalijker, omdat verdachte ook op de zitting nog niet inzag dat hij hierdoor de integriteit van zijn beroepsgroep in diskrediet heeft gebracht. Dit baart, met name nu verdachte jarenlang geen open kaart heeft gespeeld en ook nu nog zolang mogelijk om de hete brij heen draaide in plaats van zijn foutief declaratiegedrag meteen toe te geven, de rechtbank zorgen voor de toekomst.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij een nagenoeg blanco strafblad heeft. Tevens mag een rol spelen dat verdachte veelvuldig negatief in de publiciteit is verschenen, terwijl uiteindelijk in strafrechtelijke zin maar een fractie van de beschuldigingen in de media tot een veroordeling leidt.

De rechtbank gaat er van uit dat verdachte met name hierdoor in de toekomst zich wel tweemaal zal bedenken voor hij weer tot dergelijk declaratiegedrag besluit. Om die reden acht de rechtbank het recidivegevaar niet zodanig groot, dat als stok achter de deur een voorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd.

Verdachte heeft echter wel een aanzienlijk bedrag van zijn werkgeefster verduisterd. Een werkstraf is op een dergelijk feit een passende sanctie. Nu de rechtbank tot een lager bedrag aan verduisterd geld komt dan de officier van justitie acht zij, mede in aanmerking genomen de hoogte van straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, een werkstraf van 180 uur de juiste strafrechtelijke afdoening.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke

dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 180 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag.

Dit vonnis is door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Den Hartog en mr. Lecluse-de Bruijn, rechters, in tegenwoordigheid van Mertens, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 november 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2002 tot en met 7 juli 2006 te Oosterhout en/of elders in Nederland, en/of in Canada en/of in de Verenigde Staten van Amerika en/of in Australië opzettelijk een/meerdere geldbedrag(en), althans girale tegoeden, althans creditcardtegoeden, (tot een totaal van euro 40.984,87) te weten

- in of omstreeks de periode van 25 juli 2002 tot en met 19 augustus 2002: euro 2.260,86 en/of

- in of omstreeks de periode van 20 februari 2003 tot en met 28 februari 2003: euro 1.966,35 en/of

- in of omstreeks de periode van 19 februari 2004 tot en met 28 februari 2004: euro 6.438,14 en/of

- in of omstreeks juli 2004: euro 1.924,06 en/of

- in of omstreeks de periode 1 december 2004 tot en met 9 januari 2005: euro 5.694,09 en/of

- in1 de periode van 4 februari 2005 tot en met 10 februari 2005: euro 7.265,06 en/of

- in of omstreeks de periode van 1 juli 2005 tot en met 31 augustus 2005: euro 8.763,73 en/of

- in februari 2006: 6.672,58,

in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [naam BV] B.V. en/of ![nieuwe naam BV] B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als directeur van die vennootschappen, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

en/of

hij in of omstreeks 1 mei 2002 t/m 7 juli 2006 te Oosterhout,en/of elders in Nederland en/of te Canada en/of in de Verenigde Staten van Amerika en/of in Australië met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een/meerdere geldbedrag(en) (tot een totaal van euro 40.984,87) heeft weggenomen te weten

- in of omstreeks de periode van 25 juli 2002 tot en met 19 augustus 2002: euro 2.260,86 en/of

- in of omstreeks de periode van 20 februari 2003 tot en met 28 februari 2003: euro 1.966,35 en/of

- in of omstreeks de periode van 19 februari 2004 tot en met 28 februari 2004: euro 6.438,14 en/of

- in juli 2004: euro 1.924,06

- in of omstreeks de periode 1 december 2004 tot en met 9 januari 2005: euro 5.694,09 en/of

- in of omstreeks de periode van 4 februari 2005 tot en met 10 februari 2005: euro 7.265,06 en/of

- in of omstreeks de periode van 1 juli 2005 tot en met 31 augustus 2005: euro 8.763,73 en/of

- in februari 2006: 6.672,58,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam BV] B.V. en/of ![nieuwe naam BV] B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten de hem door die vennootschappen voor zakelijke uitgaven ter beschikking gestelde creditcard(s).