Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BK4160

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
06-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
08/6151
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op het perceel rust op de peildatum de bestemming ‘woningbouw’ en er is een oprit aangelegd. Tevens is het perceel dan aangesloten op het riool, de elektriciteit en het water. De rechtbank oordeelt dat het perceel dan kwalificeert als woning voor de onroerende-zaakbelastingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/24 met annotatie van J.P. Kruimel
FutD 2009-2574
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/6151

Uitspraakdatum: 6 november 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [plaatsnaam],

eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [plaatsnaam],

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.Verweerder heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [plaatsnaam] (kadastraal gemeente [plaatsnaam] [nummer]) hierna aangeduid als het perceel, per waardepeildatum 1 januari 2008, vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 op € 426.000. Met de beschikking zijn in één geschrift eveneens bekend gemaakt en verenigd de aan belanghebbende opgelegde aanslagen onroerende-zaakbelastingen 2008 in de gebruikersbelasting en de eigenarenbelasting. De aanslagen zijn opgelegd naar een heffingsmaatstaf van € 426.000 en het tarief voor niet-woningen.

1.2.Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 17 november 2008 de waarde en de aanslagen gehandhaafd.

1.3.Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 28 december 2008, ontvangen bij de rechtbank op 29 december 2008, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

1.4.Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2009 te Tilburg.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede namens verweerder [namen]. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.Belanghebbende is op 1 januari 2008 gebruiker en genothebbende krachtens eigendom van het perceel. Belanghebbende heeft het perceel op 30 maart 2007 aangekocht voor € 425.000. Het perceel heeft ten tijde van de aankoop als bestemming: woningbouw.

2.2.Op 23 maart 2007 heeft belanghebbende een voorlopige aanneemovereenkomst ondertekend met de aannemer voor de bouw van een woning. De definitieve aanneemovereenkomst is aangegaan op 19 september 2007.

2.3.Op 27 oktober 2007 heeft belanghebbende een bouwvergunning aangevraagd voor de bouw van een woning op het perceel. De vergunning is op 31 januari 2008 verleend. De woning is op 3 december 2008 aan belanghebbende opgeleverd en wordt vanaf 5 december 2008 door hem en zijn gezin bewoond.

2.4. In de loop van 2007 is op het perceel een toegangsweg en duiker aangelegd voor de ontsluiting van het perceel naar de openbare weg. Eveneens zijn in de loop van 2007 op het perceel de nutsvoorzieningen, zoals water en elektriciteit met bouwaansluitingen en meterkasten, en de riolering aangebracht.

2.5.Bij de in 1.1 genoemde beschikking heeft verweerder het perceel aangemerkt als een onroerende zaak, die in de zin van artikel 17, lid 3, van de Wet WOZ niet tot woning dient. Bij de onderhavige aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen is verweerder ervan uitgegaan dat de onroerende zaak niet “in hoofdzaak tot woning dient” en heeft mitsdien het tarief voor niet-woningen toegepast.

3.Geschil

3.1.Tussen partijen is uitsluitend in geschil het antwoord op de vraag of het perceel als een onroerende zaak moet worden aangemerkt die “in hoofdzaak tot woning dient” in de zin van artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet, zoals belanghebbende stelt en verweerder bestrijdt.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen partijen ter zitting hieraan hebben toegevoegd wordt verwezen naar het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar betreffende de aanslagen, vernietiging van de aanslag gebruikersbelasting en vermindering van de aanslag eigenarenbelasting tot € 340. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.Tussen partijen staat vast dat het perceel op 1 januari 2008 een bouwbestemming heeft. Vast staat voorts dat belanghebbende door het aanvragen van een bouwvergunning en het sluiten van aanneemovereenkomst voorbereidingen aan het treffen was die nodig waren om op de onroerende zaak voor zichzelf een woning te laten bouwen. Tevens staat vast dat vóór 1 januari 2008 de oprit op het perceel is aangelegd, de nutsvoorzieningen, zoals water en elektriciteit met bouwaansluitingen en meterkasten, zijn aangebracht en de riolering is aangelegd. Hiermee heeft het perceel naar het oordeel van de rechtbank een feitelijke bewerking ondergaan ter voorbereiding en uitvoering van de reeds overeengekomen werkzaamheden verband houdende met de bouw van de woning.

4.2.Verweerder stelt dat zolang niet begonnen is met de storting van de fundering er sprake is van een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient. Belanghebbende verdedigt dat de onroerende zaak op 1 januari 2008 reeds volledig dienstbaar is aan woondoeleinden en dient aangemerkt te worden als een onroerende zaak die in hoofdzaak dient tot woning.

4.3.Voor het onderscheid tussen de begrippen 'in hoofdzaak tot woning dienen' en 'in hoofdzaak niet tot woning dienen' verwijst de rechtbank naar de wetsgeschiedenis van de Aanpassingswet Wet waardering onroerende zaken (Stb. 1996, 653). Bij de parlementaire behandeling van die wet is in de memorie van toelichting omtrent het woningbegrip het volgende opgemerkt: 'Het woningbegrip heeft in de loop der tijd in de praktijk en de jurisprudentie inhoud gekregen. Tot de woningen behoren die onroerende zaken die in hoofdzaak dienen tot woning. Hieronder vallen dus niet alleen objecten die volledig worden gebruikt als woning, maar ook objecten waarin naast het woongedeelte ook een gedeelte als niet-woning (bedrijfsmatig, zoals een praktijkruimte, of anderszins) wordt gebruikt. Indien dat gebruik ten opzichte van het woongedeelte van het object van bescheiden omvang is, wordt het object geheel aangemerkt als woning. Ook recreatiewoningen en objecten met onzelfstandige eenheden waarbij de woonfunctie overheerst, zoals bij studenten- of bejaardenwoningen, vallen onder het begrip woning. Woningen in aanbouw of leegstaande objecten met een woonbestemming kwalificeren eveneens als woning. Het hiervoor beschreven onderscheid wordt thans ook gehanteerd in het kader van de objecttyperingen van onroerende zaken in de op het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken gebaseerde regeling inzake het op uniforme wijze uitwisselen van de WOZ-waardegegevens.'

MvT, Kamerstukken II 1996/97, 25 037, nr. 3, blz. 20.

4.4.De rechtbank leidt uit de hier aangehaalde wetsgeschiedenis af dat de wetgever voor ogen heeft gestaan om voor een onroerende zaak die enkel bestaat uit grond waaraan nog geen enkele bewerking heeft plaatsgevonden, ook al is die bestemd om tot woning of woningbouw te dienen, aangemerkt moet worden als niet-woning. Nu in onderhavige geval vast staat dat bij het begin van het tijdvak voor de onroerende zaak de bestemming ‘woningbouw’ gold en dat de onroerende zaak feitelijke bewerkingen had ondergaan gericht op de uitvoering van de realisatie van de woning, is de rechtbank van oordeel dat het perceel in hoofdzaak dient tot woning. Het andersluidend standpunt van verweerder is hiermee verworpen.

4.5.Gelet op het vorenoverwogene is het gelijk aan belanghebbende.

5.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, aangezien dat belanghebbende ter zitting heeft verklaard hierop geen aanspraak te maken.

6.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar betreffende de aanslagen onroerende-zaakbelastingen;

-vernietigt de aanslag onroerende-zaakbelasting in de gebruikersbelasting;

-vermindert de aanslag onroerende-zaakbelastingen in de eigenarenbelasting tot € 340;

-gelast dat de gemeente [plaatsnaam] het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.

Aldus gedaan door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en door deze en mr. M.J. van Balkom, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 11 november 2009

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.