Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BK2976

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23-10-2009
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
09/2207
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorafgaand aan de vraag of de ontvanger belanghebbende terecht hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor niet betaalde belasting- en premieschulden van de vof, is in geschil of er uitspraak op bezwaar is gedaan, daar in de uitspraak op bezwaar de bestuurder van belanghebbende als hoofdelijk aansprakelijk gestelde wordt genoemd. De rechtbank is van oordeel dat er rechtsgeldig en kenbaar een uitspraak op bezwaar is gedaan, nu in de uitspraak op bezwaar de datum en het nummer van de beschikking wel juist stonden vermeld en in de uitspraak werd verwezen naar het hoorgesprek in zake het bezwaarschrift, waardoor het voor belanghebbende duidelijk moet zijn geweest dat bedoeld werd uitspraak op bezwaar te doen met betrekking tot de hoofdelijke aansprakelijkstelling van belanghebbende zelf. Voorts heeft de ontvanger, op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat het niet betalen van de belastingschulden op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990 te wijten is aan het kennelijk onbehoorlijk bestuur van belanghebbende als zijnde vereffenaar van de vof. De stelling van de ontvanger dat hij belanghebbende in de beroepsfase alsnog als bestuurder van de vof op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel a, van de Invorderingwet 1990 hoofdelijk aansprakelijk kan stellen, waardoor de bewijslast alsnog op belanghebbende komt te rusten, acht de rechtbank niet juist, nu belanghebbende zich pas laat in de beroepsfase zich tegen deze verzwaarde bewijslast kan verweren. Hierdoor wordt belanghebbende in haar procesbelangen geschaad. Bovendien zullen de belastingschulden waarvoor een bestuurder aansprakelijk kan worden gesteld vaak substantieel afwijken van die waarvoor een vereffenaar aansprakelijk kan worden gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 57 met annotatie van Vermeulen
FutD 2009-2478
V-N 2010/8.20

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/2207

Uitspraakdatum: 23 oktober 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiseres] BV, gevestigd te [plaatsnaam],

eiseres,

en

de ontvanger van de Belastingdienst/ Oost-Brabant, kantoor ‘s-Hertogenbosch,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder ontvanger.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.De ontvanger heeft belanghebbende in 2008 bij beschikking met nr. [nummer] aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 34.989 (hierna: beschikking). De ontvanger heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 april 2009 de beschikking gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 27 mei 2009, ontvangen bij de rechtbank op 28 mei 2009, beroep ingesteld. De ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende [namen], verbonden aan Vissers Advocatuur te ‘s-Hertogenbosch, alsmede namens de ontvanger, [namen].

1.3.De ontvanger heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de gemachtigde. De rechtbank rekent deze tot de stukken van het geding.

1.4.De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2.Feiten

2.1.Belanghebbende maakte samen met [A] als vennoot deel uit van [X] V.O.F. (hierna: vof). Vanwege de slechte samenwerking tussen de vennoten werd de samenwerking per 1 januari 2007 verbroken en werd de vof per 1 juli 2007 ontbonden en werden belanghebbende en [A] tot vereffenaar van de vof benoemd.

2.2.Nadat de vof over de jaren 2007 en 2008 niet binnen de gestelde termijn de loonheffing op aangifte heeft betaald, heeft de ontvanger belanghebbende bij beschikking van 9 december 2008, als vereffenaar op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel c van de Invorderingswet 1990 en artikel 16 van de Wet financiering volksverzekeringen hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de niet betaalde belasting- en premieschulden van de vof, voor zover het niet betalen van de schulden het gevolg is van aan haar te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur.

2.3.Voorts is belanghebbende op grond van artikel 32, tweede lid van de Invorderingswet 1990 hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de invorderingsrente, de kosten en voor de in de belastingaanslagen begrepen heffingsrente en de bestuurlijke boete, voor zover het ontstaan hiervan aan haar te wijten is.

2.4.Belanghebbende heeft bij brief van 14 januari 2009 bezwaar gemaakt tegen de opgelegde beschikking. Bij uitspraak op bezwaar van 16 april 2009 heeft de ontvanger de beschikking gehandhaafd, waarbij hij overigens [B] in plaats van belanghebbende als hoofdelijk aansprakelijk gestelde noemt.

3.Geschil

3.1.In geschil is allereerst of de ontvanger wel een uitspraak op bezwaar heeft gedaan, daar in de uitspraak op bezwaar [B] als hoofdelijk aansprakelijk gestelde wordt aangemerkt. Voorts is in geschil is of belanghebbende terecht hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de niet betaalde belasting- en premie schulden van de vof en daarnaast voor de invorderingsrente, de kosten en de heffingsrente.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd ter zitting en in de van hen afkomstige stukken.

Belanghebbende

3.3.Belanghebbende stelt dat de ontvanger onzorgvuldig heeft gehandeld, aangezien hij eerst belanghebbende hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de belasting- en premie schulden van de vof, en vervolgens in de uitspraak op bezwaar niet belanghebbende maar diens bestuurder, [B], als hoofdelijk aansprakelijk gestelde noemt. Bovendien is belanghebbende eerst aansprakelijk gesteld op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel c van de Invorderingswet 1990, dus als vereffenaar terwijl de ontvanger in zijn verweerschrift uitgaat van een aansprakelijkstelling op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel a van de Invorderingswet 1990, dus als bestuurder.

3.4.Gelet op het vermelde in 3.3. eerste volzin, is er volgens belanghebbende geen uitspraak op bezwaar gedaan.

3.5.Volgens belanghebbende is ook geen sprake van verwijtbaar kennelijk onbehoorlijk bestuur van de zijde van belanghebbende, omdat zij niet op de hoogte was van de niet betaalde belasting- en premieschulden van de vof waarvoor belanghebbende hoofdelijk aansprakelijk is gesteld. Belanghebbende kreeg vanaf 1 januari 2007 geen inzicht meer in de financiële administratie van de vof en haar werd de toegang tot het bedrijfsgebouw van de vof geweigerd. Gelet hierop kon zij vanaf 1 januari 2007 geen enkele rechtshandeling meer ten behoeve van de vof uitvoeren. Belanghebbende is reeds tegen de mede vennoot [A] voor de geleden schade een civiele procedure gestart. Gelet op het voorgaande is belanghebbende ten onrechte hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de belasting- en premieschulden van de vof.

3.6.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de beschikking.

Ontvanger

3.7.De ontvanger stelt zich op het standpunt dat het feit dat belanghebbende eerst op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel c van de Invorderingsweg 1990 als vereffenaar hoofdelijk aansprakelijk is gesteld, aan een latere hoofdelijke aansprakelijkstelling op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel a van de Invorderingswet 1990 als bestuurder niet in de weg staat.

3.8.Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat er zich een bijzondere disculpatiegrond heeft voorgedaan op grond waarvan de hoofdelijke aansprakelijkstelling komt te vervallen. Dat belanghebbende niet bekend was met de aanslagen doordat haar de toegang tot de financiële administratie en het bedrijfsgebouw werd geweigerd is voor haar risico. Belanghebbende blijft derhalve in de visie van de ontvanger verantwoordelijk voor de afdracht voor de belastingschulden van de vof.

3.9.De ontvanger concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

Met betrekking tot de vraag of uitspraak op bezwaar is gedaan.

4.1. De rechtbank stelt voorop dat, mocht zij tot het oordeel komen dat geen uitspraak op bezwaar is gedaan, dat tot gevolg zou hebben dat terugverwezen moet worden naar de ontvanger om alsnog uitspraak te doen.

4.2.Nu in de uitspraak op bezwaar de datum en het nummer van de beschikking wel juist stonden vermeld en voorts werd verwezen naar het hoorgesprek inzake het bezwaarschrift van belanghebbende, is de rechtbank van oordeel dat voor belanghebbende duidelijk moet zijn geweest dat bedoeld werd uitspraak te doen op het bezwaar met betrekking tot de hoofdelijke aansprakelijkstelling van belanghebbende zelf. Dat leidt de rechtbank ook af uit het pro forma beroepschrift dat door Vissers advocatuur is ingediend “namens cliënte, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] BV”. Daarin wordt beroep aangetekend “tegen de uitspraak van 16 april 2009 van de Belastingdienst Oost-Brabant (bijlage 1), inhoudende de afwijzing van het bezwaar van cliënte”.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat, ondanks de opgetreden onzorgvuldigheid, door middel van de genoemde uitspraak rechtsgeldig en kenbaar uitspraak is gedaan op het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift, zodat geen terugverwijzing dient plaats te vinden.

Met betrekking tot de hoofdelijke aansprakelijkstelling.

4.3.Op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de Invorderingwet 1990, is hoofdelijk aansprakelijk voor de rijksbelastingen, verschuldigd door een lichaam dat is ontbonden, ieder van de met vereffening belaste personen, voor zover het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur.

4.4.Artikel 32, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 bepaalt dat de hoofdelijke aansprakelijkheid zich tevens strekt tot in te vorderen bedragen die verband houden met de belasting waarvoor de aansprakelijkheid geldt, een en ander voor zover het belopen daarvan aan de aansprakelijke is te wijten.

4.5.De rechtbank is van oordeel dat de ontvanger, op wie ingevolge artikel 33, eerste lid, onderdeel c, en artikel 32, tweede lid, van de Invorderingwet 1990 de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt dat het niet betalen van de belastingschulden te wijten is aan het kennelijk onbehoorlijk bestuur van belanghebbende. Belanghebbende is derhalve ten onrechte hoofdelijk aansprakelijk gesteld. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de enkele stelling van de ontvanger dat het niet bekend zijn met de aanslagen door belanghebbende voor zijn eigen risico is en hij verantwoordelijk blijft voor de betaling van de belastingschulden van de vof, niet tot een ander oordeel leidt.

4.6.De stelling van de ontvanger dat hij belanghebbende in de beroepsfase alsnog als bestuurder in de zin van artikel 33, eerste lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 hoofdelijk aansprakelijk kan stellen, acht de rechtbank niet juist. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat belanghebbende door deze handelwijze van de ontvanger immers in haar procesbelangen wordt geschaad, doordat belanghebbende zich pas laat in de beroepsfase kan verweren tegen deze verzwaarde bewijslast die de hoofdelijke aansprakelijkstelling als bestuurder met zich meebrengt. Bovendien zullen de belastingschulden waarvoor een bestuurder aansprakelijk kan worden gesteld vaak substantieel afwijken van die waarvoor een vereffenaar aansprakelijk kan worden gesteld. Nu beide aansprakelijkstellingen wezenlijk van elkaar verschillen had het op de weg van de ontvanger gelegen om, indien hij belanghebbende op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 hoofdelijk aansprakelijk had willen stellen, een nieuwe beschikking vast te stellen waaruit de (nieuwe) aansprakelijkstelling zou blijken.

4.7.Nu belanghebbende ten onrechte aansprakelijk is gesteld voor de belastingschulden van de vof op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de Invorderingwet 1990 vervalt hiermee ook de aansprakelijkstelling voor de premieschulden van de vof op grond van artikel 60 van de Wet financiering sociale verzekeringen, en de aansprakelijkstelling voor de invorderingsrente, de kosten, de heffingsrente en de bestuurlijke boete in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Invorderingwet 1990.

4.8.Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5.Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de ontvanger te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

6.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar, alsmede de beschikking;

-veroordeelt de ontvanger in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 805, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

-gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 297 aan deze vergoedt.

Aldus gedaan door mr.drs. M.M. de Werd, rechter, en door deze en mr. M.H. van Heel, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 5 november 2009

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.