Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BK2696

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
03-09-2009
Datum publicatie
10-11-2009
Zaaknummer
09/3706
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft verzoekers aanmelding voor de opleiding B geneeskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam ingetrokken, omdat van hem niet tijdig het bewijs is ontvangen dat zijn diploma voldoet aan de toelatingseisen. Verzoeker heeft te laat bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter is zich bewust dat verzoeker een groot belang heeft bij het oordeel dat zijn bezwaar ontvankelijk zou zijn; immers, nu hij over de ontbrekende verklaring beschikt en via decentrale selectie is geplaatst voor de opleiding, zou hij bij een ontvankelijk bezwaar naar verwachting met de opleiding kunnen beginnen. Dit grote belang van verzoeker kan de termijnoverschrijding echter niet verschoonbaar maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummers: 09 / 3706 WET VV en 09 / 3707 WET

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter ter openbare zitting van 3 september 2009

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te Tilburg, verzoeker,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep,

verweerder.

1. Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 juli 2009 (bestreden besluit), waarbij zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Tevens heeft hij op 18 augustus 2009 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 3 september 2009, waarbij aanwezig waren verzoeker en namens verweerder [woordvoerder verweerder].

2. Beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

3. Overwegingen

Deze beslissing is gebaseerd op de volgende overwegingen.

3.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij primair besluit van 3 juni 2009 heeft verweerder de aanmelding van verzoeker voor de opleiding B geneeskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam ingetrokken. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat niet vóór 1 juni 2009 een bewijs van verzoeker is ontvangen waaruit blijkt dat hij voldoet aan de aan hem gestelde vooropleidingseisen, omdat een beschikking van de Erasmus Universiteit waaruit blijkt dat een diploma van het VWO oude stijl voldoet aan de toelatingseisen van de Erasmus Universiteit ontbreekt.

Op 26 juni 2009 heeft verzoeker hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij brief van 3 juli 2009 heeft verweerder de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd. Bij brief van eveneens 3 juli 2009 heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat het bezwaarschrift niet binnen twee weken is ingediend. Verweerder stelt verzoeker daarom in de gelegenheid binnen twee weken te motiveren waarom hij het bezwaarschrift niet tijdig heeft ingediend. Bij brief van 5 juli 2009, ontvangen door verweerder op 7 juli 2009, heeft verzoeker gereageerd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.

3.2 Verzoeker heeft aangevoerd dat hij telefonisch met verweerder een deadline had afgesproken van 23 juni 2009 om de beschikking te doen toekomen. Naar aanleiding van het primair besluit van 3 juni 2009 heeft verzoeker op 16 juni 2009 gebeld met verweerder met de mededeling dat het primair besluit op een misverstand berust. De medewerkster zou één en ander uitzoeken en hem terugbellen. De volgende dag meldde de betreffende medewerkster dat de inschrijving inderdaad was ingetrokken en dat verzoeker, indien hij zich niet kon vinden in de beslissing, binnen twee weken (te rekenen vanaf 3 juni 2009) bezwaar kon maken. Op 19 juni 2009 heeft verzoeker alsnog een kopie van de beschikking van de Erasmus Universiteit ontvangen. De universiteit heeft per gelijke post ook de beschikking aan verweerder doen toekomen, zodat verweerder deze voor 23 juni 2009 heeft moeten ontvangen. Op 26 juni 2009 heeft verzoeker, wellicht tardief, bezwaar gemaakt. Bij brief van 3 juli 2009 verzocht verweerder binnen twee weken aan te geven waarom niet tijdig bezwaar is gemaakt. Bij brief van 13 juli 2009 heeft verweerder bericht dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard. Door het bezwaarschrift reeds op 13 juli 2009 niet-ontvankelijk te verklaren handelt verweerder in strijd met de rechtszekerheid. Voor verzoeker is het onbegrijpelijk hoe verweerder reeds op 13 juli 2009 en dus voor het verstrijken van de termijn van twee weken, heeft kunnen beslissen dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk is. Verweerder heeft verzoeker onmogelijk gemaakt om een eerlijke beoordeling te krijgen.

Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te vernietigen en het primaire besluit te schorsen. De voorzieningenrechter wordt verzocht te bepalen dat verweerder alsnog moet zorgen voor de aanmelding van verzoeker voor de opleiding B geneeskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, alsmede een zodanige voorlopige voorziening te treffen dat verzoeker alsnog in de gelegenheid wordt gesteld om gelijk met de aanvang van het collegejaar 2009/2010 de opleiding B geneeskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam te mogen volgen totdat in deze kwestie een eindbeslissing is gewezen. Daarbij heeft verzoeker ter zitting nog aangegeven dat hij inmiddels van de Erasmus Universiteit bij brief van 29 juni 2009 heeft vernomen dat hij via de decentrale selectie is geplaatst voor de studie Geneeskunde met ingang van het cursusjaar 2009/2010 en dat hij nu nog alleen het bewijs van toelating nodig heeft om met het reeds gestarte studiejaar mee te kunnen doen.

3.3 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Daarom zal, op grond van artikel 8:86 van de Awb, tevens onmiddellijk uitspraak worden gedaan in de hoofdzaak.

3.4 Ingevolge artikel 7.57g van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bedraagt, in afwijking van de artikelen 6:7 en 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de termijn twee weken voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit van de Informatie Beheer Groep inzake afgifte van een bewijs van toelating, onderscheidenlijk vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift voor de beslissing van de Informatie Beheer Groep.

Ingevolge artikel 7:3 van de Awb kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien:

a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,

b. het bezwaar kennelijk ongegrond is,

c. de belanghebbenden hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, of

d. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.

3.5 Het primaire besluit is gedateerd op 3 juni 2009. Aangezien in dit opzicht niet anders is gesteld of aannemelijk is geworden, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat dit besluit op die datum is verzonden. In het licht van het bepaalde in artikel 7.57g van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek brengt dat mee dat 17 juni 2009 geldt als de laatste dag van de termijn waarbinnen het bezwaarschrift kon worden ingediend. Het bezwaarschrift is ongedateerd, maar is op 26 juni 2009 ter post bezorgd. Verweerder heeft het bezwaarschrift daags daarna ontvangen. Vaststaat derhalve dat verzoeker bij het maken van bezwaar de bezwaartermijn heeft overschreden.

Aan de voorzieningenrechter ligt derhalve de vraag voor of verweerder de termijnoverschrijding terecht niet verschoonbaar heeft geacht en op goede gronden heeft besloten het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt, waarbij de voorzieningenrechter tot uitgangspunt neemt dat de wettelijke termijn in artikel 7.57g van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek een bepaling van openbare orde is, welke bepaling door verweerder strikt moet worden gehanteerd om een voor ieder gelijke aanmeldingsprocedure mogelijk te maken.

De voorzieningenrechter constateert dat er in het besluit van 3 juni 2009 een correcte rechtsmiddelenclausule is vermeld, waarbij is aangegeven dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is gesteld op twee weken. Daarmee is verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende geïnformeerd over de bezwaarmogelijkheid. Juist de onduidelijkheid van de informatie die hem ter ore kwam en het feit dat er zoveel op het spel staat voor verzoeker, maken dat het op de weg van verzoeker had moeten liggen om bezwaar te maken, zo nodig op nader aan te voeren gronden. Verzoeker heeft niet duidelijk kunnen maken waarom hij niet eerder dan op 26 juni 2009 bezwaar heeft gemaakt. Daarbij wijst de voorzieningenrechter erop dat verzoeker naar eigen zeggen op de laatste dag van de bezwaartermijn is gebeld door verweerder, die hem daarbij heeft aangegeven dat die dag de laatste dag was waarop bezwaar kon worden gemaakt. Desalniettemin heeft verzoeker die informatie niet aangegrepen om zo nodig per fax of email op die dag nog een bezwaarschrift in te dienen. Verzoeker treft derhalve het verwijt dat hij niet voldoende oplettend is geweest en dat maakt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Daarbij is de voorzieningenrechter zich ervan bewust dat verzoeker een groot belang heeft bij het oordeel dat zijn bezwaar ontvankelijk zou zijn; immers, nu hij inmiddels over de voorheen ontbrekende verklaring beschikt en voorts via decentrale selectie geplaatst is voor de door hem gewenste opleiding, zou hij bij een ontvankelijk bezwaar naar verwachting met de opleiding kunnen beginnen. Dit grote belang voor verzoeker kan de termijnoverschrijding echter niet verschoonbaar maken.

Overigens heeft verweerder verzoeker weliswaar bij brief van 3 juli 2009 een termijn van twee weken gegund om aan te geven wat de reden was voor de termijnoverschrijding, maar omdat zijn reactie van 5 juli 2009 reeds op 7 juli 2009 werd ontvangen en ook door verweerder is meegewogen, kon verweerder op 13 juli 2009 het bestreden besluit afgeven.

3.6 Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verweerder het bezwaar van verzoeker terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is derhalve ongegrond. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

3.7 Gelet op dit oordeel is er geen grond voor een proceskostenveroordeling.

Waarvan proces-verbaal.

mr. M.A. de Rooij, griffier, mr. Th. Peters, voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van dit proces-verbaal.

Tegen de uitspraak inzake de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: 7 september 2009