Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BK2293

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
10-08-2009
Datum publicatie
06-11-2009
Zaaknummer
08 / 4203 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Van het overlijden van de uitkeringsgerechtigde op 4 juli 2002 is geen melding gemaakt bij UWV. Tot 1 maart 2004 heeft UWV de Waz-uitkering doorbetaald.

UWV heeft de onverschuldigd betaalde uitkering ten bedrage van € 24.698,87 van eiser (de zoon) teruggevorderd. De rechtbank overweegt dat uit de systematiek van de wet en de wetsgeschiedenis voortvloeit dat er op de dag na het overlijden van de betrokkene geen recht meer bestaat op uitkering. De nadien als Waz-uitkering betaalde termijnen mogen voor de toepassing van artikel 63 Waz als uitkering worden aangemerkt. Op basis van de stukken, in het bijzonder de verklaring van erfrecht van 30 oktober 2002, en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat eiser enig erfgenaam is en de nalatenschap van zijn moeder heeft aanvaard. Er kan dan ook van eiser worden teruggevorderd. Eisers verklaring over de rol die zijn oom bij de financiële afwikkeling van de dood van zijn ouders heeft gespeeld, is, wat daar ook van zij, bij de beoordeling van de onderhavige terugvordering niet relevant. Er is tenslotte geen sprake van (gedeeltelijke) verjaring of een dringende reden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 08 / 4203 WAZ

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

de erfgenaam van wijlen [ naam persoon],

[naam persoon],

te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. J.M. van Gool,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoerings¬instituut werknemers¬verzekeringen (UWV; kantoor Eindhoven),

verweerder.

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 juli 2008 (bestreden besluit), inzake de terugvordering van een uitkering krachtens de Wet

arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz) ten bedrage van € 24.698,87.

Het beroep is behandeld ter zitting van 19 juni 2009, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, en namens verweerder [naam persoon].

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Wijlen mevrouw [naam persoon] ontving van verweerder een Waz-uitkering ter zake van haar arbeidsongeschiktheid. Op 4 juli 2002 is zij overleden. Van het overlijden is geen melding gemaakt bij verweerder. Tot 1 maart 2004 heeft verweerder de Waz-uitkering doorbetaald.

Wijlen [naam persoon] ontving van verweerder een Waz-uitkering ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid. Op 3 oktober 2002 is hij overleden. Van het overlijden is evenmin melding gemaakt bij verweerder. Tot 1 juli 2003, de datum waarop [naam persoon] 65 jaar zou zijn geworden als hij nog had geleefd, heeft verweerder de

Waz-uitkering doorbetaald.

Op 8 juni 2006 heeft een rapporteur van verweerder een frauderapport opgemaakt met betrekking tot de onverschuldigd betaalde Waz-uitkeringen aan de heer en [naam persoon].

Bij besluit van 28 maart 2007, zoals gehandhaafd bij besluit van 3 september 2007, heeft verweerder de onverschuldigd aan [naam persoon] betaalde Waz-uitkering over de periode van 4 oktober 2002 tot 1 juli 2003 ten bedrage van

€ 8.409,86 bruto van eiser teruggevorderd.

Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.

Bij besluit van 22 februari 2008 (primair besluit) heeft verweerder de onverschuldigd aan [naam persoon] betaalde Waz-uitkering over de periode van 5 juli 2002 tot en met 1 maart 2004 ten bedrage van € 24.698,87 bruto van eiser teruggevorderd.

Op 3 april 2008 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt. Bij brief van 5 juni 2008 zijn de gronden van het bezwaar aangevoerd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

2.2 Eiser heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat zijn beide ouders in 2002 zijn overleden. De Waz-uitkeringen van beide ouders zijn echter nog een tijd doorbetaald. In totaal is € 24.698,87 betaald aan zijn moeder en € 8.409,86 aan zijn vader. Niet ter discussie staat dat de uitkeringen onterecht zijn doorbetaald. Eiser is echter van mening dat hij als zoon onterecht de uitkeringen moet terugbetalen. Hij was niet eens bekend met enige doorbetaling betreffende de Waz-uitkeringen en hij heeft nooit de beschikking gehad over de uitkeringen. De uitkeringen zijn gestort op een rekening bij de Postbank N.V. met nummer 38.97.268. Hoewel eiser als contactpersoon staat geregistreerd bij de Postbank is hij, voor zover hij weet, niet gemachtigd voor dit rekeningnummer. Een derde persoon was gemachtigd tot de rekening. Om dit te bevestigen heeft eiser diverse bescheiden opgevraagd bij de Postbank, doch nooit verkregen. In het kader van het fraudeonderzoek zijn eiser en zijn tante, [naam persoon], gehoord. De verklaring van eiser wordt ongemotiveerd volledig van tafel geveegd, terwijl de verklaring van [naam persoon] op geen enkel punt in twijfel wordt getrokken. Na het overlijden van zijn ouders heeft eisers oom, [naam persoon] (de echtgenoot van [naam persoon]), de financiën afgewikkeld. Deze oom is in februari 2004 overleden. Eiser heeft uit gevoel van morele verplichting het negatieve saldo van de Postbankrekening aangevuld en de rekening opgeheven. Eiser betaalt de onverschuldigd betaalde Waz-uitkering van zijn vader terug aan verweerder. Uit de financiële administratie van de privé-uitgaven van eiser blijkt een heel normaal uitgavenpatroon. Verder stelt eiser dat hij heeft verzocht de hoorzitting te verplaatsen naar een later tijdstip, maar dat verweerder aan dit verzoek niet tegemoet is gekomen.

Tenslotte stelt eiser dat hij onevenredig hard wordt getroffen indien de uitkering van zijn moeder moet worden terugbetaald. Volgens eiser is er sprake van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Hij drijft een markthandel en zijn inkomsten zijn dermate laag dat een terugvordering een persoonlijk faillissement tot gevolg zal hebben, aldus eiser.

2.3 Met betrekking tot eisers grief dat verweerder de hoorplicht zou hebben geschonden, overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt het bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, de belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de hoorplicht van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb niet geschonden. Uit de stukken blijkt dat verweerder eiser bij brief van 17 juni 2008 heeft uitgenodigd voor de hoorzitting van 8 juli 2008. Verweerder heeft in deze brief aangegeven dat telefonisch uitstel van de hoorzitting gevraagd kan worden tot uiterlijk één week na dagtekening van de brief. Eisers toenmalige gemachtigde heeft niet binnen één week verzocht om verdaging, maar heeft eerst bij faxbericht van 1 juli 2008 verzocht om verplaatsing van de hoorzitting vanwege zijn vakantie. Blijkens de telefoonnotitie van verweerder van 4 juli 2008 is vervolgens door de kantoorgenoot van eisers toenmalige gemachtigde telefonisch akkoord gegaan met het afzien van een hoorzitting.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder de hoorplicht niet heeft geschonden.

2.4 Artikel 63, eerste lid, van de Waz bepaalt, voor zover hier van belang, dat de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 18 onverschuldigd is verstrekt, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt teruggevorderd.

Ingevolge het vierde lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

2.5 De rechtbank overweegt dat uit de systematiek van de wet en de wetsgeschiedenis voortvloeit dat er op de dag na het overlijden van de betrokkene geen recht meer bestaat op uitkering. De rechtbank wijst er in dit verband in de eerste plaats op dat op grond van artikel 7, eerste lid, van de Waz de verzekerde die aan de in dat artikel vermelde voorwaarden voldoet, recht heeft op uitkering. Hieruit kan worden afgeleid dat vanaf het moment dat degene die aan die voorwaarden voldeed, wegvalt, het recht op uitkering niet meer kan bestaan. Voorts vindt de rechtbank steun voor het standpunt, dat de uitkering eindigt met ingang van de dag na het overlijden van de uitkeringsgerechtigde, in artikel 61 van de Waz. In artikel 61 van de Waz is bepaald dat, indien daarvoor rechthebbenden zijn aan te wijzen, de uitkering in de vorm van een overlijdensuitkering wordt uitbetaald met ingang van de dag na het overlijden. Niet valt in te zien dat de einddatum van de uitkering anders zou liggen indien zoals in casu geen rechthebbenden op een overlijdensuitkering zijn aan te wijzen.

In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 9 juli 2004, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer AQ1027.

Gelet op het voorgaande bestond er voor [naam persoon] geen recht meer op Waz-uitkering met ingang van 5 juli 2002 (één dag na haar overlijden op 4 juli 2002).

Met betrekking tot het karakter van de nadien als Waz-uitkering betaalde termijnen overweegt de rechtbank dat de enkele omstandigheid dat het onverschuldigde karakter van de uitbetaling een gevolg is van het overlijden van de uitkeringsgerechtigde, voor de toepassing van artikel 63 van de Waz niet meebrengt dat deze termijnen niet als uitkering mogen worden aangemerkt. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de CRvB 21 november 1986, LJN: AK7405.

Dit betekent dat verweerder de Waz-uitkering over de periode van 5 juli 2002 tot en met 1 maart 2004 onverschuldigd heeft betaald. Verweerder was dan ook in beginsel gehouden de onverschuldigd betaalde Waz-uitkering terug te vorderen.

Ten aanzien van de grief van eiser dat de onverschuldigd betaalde Waz-uitkering ten onrechte van hem wordt teruggevorderd, omdat hij nooit de beschikking heeft gehad over de gelden en niet eens wist dat de uitkering na het overlijden van zijn moeder werd doorbetaald, overweegt de rechtbank het volgende.

Op basis van de stukken, in het bijzonder de verklaring van erfrecht van 30 oktober 2002, en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat eiser enig erfgenaam is en de nalatenschap van zijn moeder heeft aanvaard. Er kan dan ook van eiser worden teruggevorderd. Eisers verklaring over de rol die zijn oom bij de financiële afwikkeling van de dood van zijn ouders heeft gespeeld, is, wat daar ook van zij, bij de beoordeling van de onderhavige terugvordering niet relevant.

Ten aanzien van de grief van eiser dat niet het hele bedrag van € 24.698,87 van hem kan worden teruggevorderd, omdat een gedeelte van die vordering is verjaard, overweegt de rechtbank het volgende.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 28 maart 2007, LJN: BA2284, en aansluiting zoekend bij het bepaalde in artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek, overweegt de rechtbank dat de verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit met betrekking tot onverschuldigd betaalde Waz-uitkering aanvangt op het moment dat verweerder bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit omtrent terugvordering in de rede ligt.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende is komen vast te staan dat verweerder niet eerder dan in februari 2004 op de hoogte is gesteld van het feit dat [naam persoon] was overleden. Op dat moment heeft verweerder ook de betaling van de Waz-uitkering stopgezet. Dit leidt ertoe dat er ten tijde van het nemen van het primaire besluit tot terugvordering op 22 februari 2008, welk besluit als een stuitingshandeling kan worden aangemerkt, nog geen vijf jaren waren verstreken.

Gelet hierop was ten tijde van het nemen van het primaire terugvorderingsbesluit van verjaring geen sprake.

Ten aanzien van eisers beroep op een dringende reden op grond waarvan verweerder geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien, overweegt de rechtbank tenslotte als volgt.

Uit artikel 63, vierde lid, van de Waz vloeit voor verweerder de verplichting voort al hetgeen onverschuldigd is betaald terug te vorderen. Daarvan kan alleen (geheel of gedeeltelijk) worden afgezien indien sprake is van een dringende reden. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB kan van een dringende reden slechts in uitzonderlijke situaties sprake zijn, zoals situaties waarin zich in verband met de terugvordering voor betrokkene onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties voordoen.

Gesteld noch gebleken is dat de terugvordering voor eiser onaanvaardbare sociale consequenties heeft. Door eiser is alleen een financieel belang genoemd. Nu eiser een betalingsregeling kan treffen waarbij rekening gehouden wordt met de beslagvrije voet, kan niet worden gezegd dat de terugvordering onaanvaardbare financiële consequenties voor hem heeft. Evenmin is gesteld of gebleken dat de hoogte van het teruggevorderde bedrag niet juist zou zijn.

Nu de grieven van eiser niet slagen, wordt het beroep ongegrond verklaard.

2.6 Het beroep wordt ongegrond verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. M.C. Woudstra, rechter, en door deze en mr. M.A. de Rooij, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2009.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: