Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BK1585

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
12-10-2009
Datum publicatie
30-10-2009
Zaaknummer
08/1861
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ2840, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting, TBS. Belanghebbende heeft een regresvordering op een vennootschap waarvan hij indirect groot-aandeelhouder is. Naar het oordeel van de rechtbank dient de inspecteur, op wie de bewijslast rust, aannemelijk te maken dat belanghebbende uit aandeelhoudersmotieven onder onzakelijke voorwaarden zekerheid heeft verstrekt. Daarbij heeft te gelden dat afwaardering van de regresvordering ten laste van het inkomen slechts dan niet mogelijk is indien het belanghebbende op het moment van het aangaan van de borgtochtverplichting reeds aanstonds duidelijk moet zijn geweest dat de lening waarvoor hij borg stond niet meer zou kunnen worden terugbetaald (bodemloze put). De rechtbank acht de inspecteur niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. De regresvordering valt onder de terbeschikkingsstellingsregeling en de afwaardering ervan leidt, gelet op de toezegging van de Staatssecretaris, tot een negatief resultaat uit overige werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 86 met annotatie van Alink
FutD 2009-2378

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/1861

Uitspraakdatum: 12 oktober 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest/kantoor Roosendaal,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 10 maart 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2004 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 224.385 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.354 (aanslagnummer [aanslagnummer]).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2009 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, tot bijstand vergezeld van zijn echtgenote, [echtgenote eiser] en van zijn gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan Accountenz te Oudenbosch. Namens de inspecteur zijn verschenen mr. [gemachtigde] en [gemachtigde].

1.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil met handhaving van de overige elementen van de aanslag;

-stelt het verlies uit werk en woning voor het jaar 2004 vast op € 80.802;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 644, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

-gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende is directeur-grootaandeelhouder van [naam bedrijf eiser] B.V., welke vennootschap 100%-aandeelhouder is van [bedrijf K] B.V. ([bedrijf K]).

2.2.Belanghebbende was tot en met 28 februari 2004 eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna: de onroerende zaak). Belanghebbende stelde de onroerende zaak tegen een vergoeding ter beschikking aan [bedrijf K].

2.3.In mei 2002 is door de Coöperatieve Rabobank “Roosendaal” U.A. (hierna: de bank) aan belanghebbende, [bedrijf K] en [naam bedrijf eiser] B.V. (hoofdelijk) een krediet in rekening-courant verstrekt van € 360.000.Tot zekerheid heeft belanghebbende een derde hypotheek op de onroerende zaak verleend. Belanghebbende heeft voor het verstrekken van de zekerheid een vergoeding bedongen noch ontvangen van de vennootschappen. Het bedrag ad € 360.000 is gestort op een bankrekening van [bedrijf K].

2.4.In 2004 is de in [bedrijf K] gedreven onderneming gestaakt en is de onroerende zaak verkocht. Uit de gerealiseerde overwaarde zijn de schulden van de vennootschappen aan de bank afgelost. Hierdoor ontstond een regresvordering van € 305.187.

2.5.Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 224.385. Na het indienen van de aangifte heeft belanghebbende de inspecteur verzocht het aangegeven inkomen uit werk en woning te verminderen met € 305.187, zijnde de afwaardering van de regresvordering. De inspecteur heeft dit verzoek afgewezen en het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 224.385.

2.6.In geschil is het antwoord op de vraag of bij de vaststelling van het inkomen uit werk en woning een negatieve post van € 305.187 in aanmerking kan worden genomen als resultaat uit overige werkzaamheden. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de inspecteur aangevoerd dat een zekerheidsstelling waarvoor geen vergoeding wordt bedongen als onzakelijk moet worden aangemerkt en dat de zekerheidsstelling derhalve in de kapitaalssfeer behoort. Ter zitting heeft de inspecteur voorts nog aangevoerd dat een onafhankelijke derde, gelet op de financiële situatie van belanghebbende (bodemloze put), nimmer een dergelijke zekerheid zou hebben verstrekt.

2.7.Vaststaat dat het van de bank geleende bedrag was bestemd voor [bedrijf K] en dat daardoor belanghebbende een regresvordering heeft op [bedrijf K]. Indien een (indirect) groot-aandeelhouder van een vennootschap vermogen ter beschikking stelt aan die vennootschap, geldt als hoofdregel van artikel 3.92 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) dat sprake is van inkomsten uit overige werkzaamheden. Dat geldt ook indien sprake is van een regresvordering zoals deze, hetgeen is bevestigd in het Besluit van de staatssecretaris van financiën van 29 april 2004, CPP2003/2360M,(BNB 2004/242) waarin is goedgekeurd: “dat de regresvordering te boek gesteld wordt voor het bedrag dat (de aandeelhouder) uit hoofde van de borgstellingsovereenkomst heeft betaald, mits de gehele zakelijk bepaalde vergoeding uit hoofde van het aangaan van de borgtocht onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in het inkomen en onder de Wet IB 2001 in het inkomen uit werk en woning betrokken is of wordt.”

2.8.Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt dan mee dat de inspecteur zijn stelling dat de afwaardering van de regresvordering niet ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden komt, aannemelijk dient te maken. Daartoe dient de inspecteur aannemelijk te maken dat belanghebbende uit aandeelhoudersmotieven onder onzakelijke voorwaarden zekerheid heeft verstrekt. Daarbij heeft te gelden dat afwaardering van de regresvordering ten laste van het inkomen slechts dan niet mogelijk is indien het belanghebbende op het moment van het aangaan van de borgtochtverplichting reeds aanstonds duidelijk moet zijn geweest dat de lening waarvoor hij borg stond niet meer zou kunnen worden terugbetaald (bodemloze put). De rechtbank acht de inspecteur niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat de bank hem een extra financiering aanbood, dat hij de bank jaarrekeningen heeft overgelegd en dat hij maandelijks prognoses opstelde die door de bank beoordeeld werden. Gelet op deze toelichting ter zitting alsmede gelet op de overgelegde jaarrekeningen acht de rechtbank aannemelijk dat ten tijde van de toekenning van de financiering nog geen sprake was van een zodanig slechte financiële situatie bij [bedrijf K] dat toen moest worden aangenomen dat de regresvordering ook werkelijk zou ontstaan en voorts niet zou kunnen worden geïnd. De rechtbank acht de stelling van de inspecteur, inhoudende dat de financiering enkel door de bank is verstrekt om meer zekerheden te verwerven, niet aannemelijk. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende de borgtochtverplichting uit zakelijke overwegingen is aangegaan. Het gegeven dat belanghebbende geen vergoeding voor de verstrekte zekerheid heeft bedongen, doet aan het vorenstaande niet af, nu belanghebbende ter zitting geloofwaardig heeft verklaard dat hij niet bewust heeft afgezien van een vergoeding.

2.9.Gelet op het vorenoverwogene valt de regresvordering onder de terbeschikkingstellingsregeling als bedoeld in artikel 3.92 van de Wet IB 2001. Op grond van de onder 2.7. vermelde toezegging leidt de afwaardering van de regresvordering dan tot een negatief resultaat uit overige werkzaamheden.

2.10.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

3.Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 322 en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet geen reden voor een hogere vergoeding.

Aldus gedaan door mr.drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, en door de voorzitter en mr. M.C.G. Spierings - van Kessel, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 23 oktober 2009

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.