Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BK1542

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
09/1188
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft van haar ouders het bloot eigendom van een woonhuis gekocht. De ouders hebben zich het recht van vruchtgebruik voorbehouden, welk recht mede eindigt bij het metterwoon verlaten van de woning (metterwoonclausule). Voor de berekening van de verschuldigde overdrachtsbelasting is rekening gehouden met een waardedrukkende factor van 25% als gevolg van de metterwoonclausule. De ouders hebben vervolgens een groot deel van de koopsom kwijtgescholden. In geschil is welk bedrag ingevolge artikel 24, vierde lid van de Successiewet in mindering mag worden gebracht op het ter zake van de kwijtschelding verschuldigde schenkingsrecht. Naar het oordeel van de rechtbank moet de genoemde bepaling zo worden gelezen dat op het recht van schenking in aftrek komt: de overdrachtsbelasting betaald over het bedrag waarover daadwerkelijk recht van schenking geheven is of wordt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 2487
FutD 2009-2406
Belastingadvies 2009/24.12
V-N 2010/10.26

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/1188

Uitspraakdatum: 7 oktober 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiseres], wonende te [plaatsnaam],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor [plaatsnaam],

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 16 april 2009 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde aanslag in het recht van schenking wegens een verkrijging in het jaar 2008 (aanslagnummer [nummer])

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2009 te Tilburg.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van haar gemachtigde,

[naam], verbonden aan [kantoornaam] Notarissen te [plaatsnaam], alsmede namens de inspecteur, [naam].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.Op 19 mei 2008 heeft belanghebbende van haar ouders de bloot eigendom van een woonhuis geleverd gekregen voor een bedrag van € 172.000. De waarde van de volle eigendom is € 430.000. De ouders hebben zich het recht van vruchtgebruik voorbehouden, welk recht mede eindigt bij het metterwoon verlaten van de woning.

2.2.De waarde van het bloot eigendom voor de berekening van de verschuldigde overdrachtsbelasting is vastgesteld op € 236.500, zodat op aangifte een bedrag van € 14.190 aan overdrachtsbelasting is voldaan. Bij de berekening van deze waarde van het bloot eigendom is rekening gehouden met een waardedrukkende factor van 25%, zoals beschreven in het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën in het Besluit van 19 februari 2007, nr. CPP2006/878M, Stcrt. 2007, 42, onder meer gepubliceerd in V-N 2007/15.15. In dit besluit staat hierover het volgende:

“Bij de overdracht van de woning kan worden bedongen dat het voorbehouden vruchtgebruik tevens eindigt bij het metterwoon verlaten van de woning door de vruchtgebruiker of op een daarmee verband houdend tijdstip. Deze metterwoonclausule vormt een waardedrukkende factor, waarmee bij de waardering van het vruchtgebruik rekening moet worden gehouden. Op praktische gronden ontmoet het mij hierbij geen bezwaar om de waardedrukkende factor forfaitair te stellen op 25 procent van de waarde dat het vruchtgebruik zou hebben zonder metterwoonclausule. De waarde van de blote eigendom komt hierdoor uit op een hoger bedrag. Op het moment dat de vruchtgebruiker de woning metterwoon verlaat, is dan geen overdrachtsbelasting meer verschuldigd.”

2.3.De ouders van belanghebbende hebben van de koopsom van € 172.000 een bedrag van € 133.000 kwijtgescholden. Ter zake van die kwijtschelding is door de gemachtigde van belanghebbende een aangifte recht van schenking ingediend. Bij deze aangifte is verzocht om toepassing van artikel 24, vierde lid van de Successiewet 1956 (hierna: SW).

2.4.Met dagtekening 25 november 2008 is de aanslag recht van schenking opgelegd, waarbij rekening is gehouden met aftrek van een bedrag van € 7.711 aan overdrachtsbelasting. De aanslag recht van schenking bedroeg derhalve € 6.419 (€ 14.130 minus € 7.711).

2.5.In geschil is welk bedrag aan overdrachtsbelasting ingevolge artikel 24, vierde lid van de SW in mindering mag worden gebracht op het verschuldigde schenkingsrecht. Tussen partijen is niet in geschil dat deze wettelijke bepaling van toepassing is ter zake van de door belanghebbende ontvangen schenking. Belanghebbende is van mening dat de vermindering op grond van artikel 24, vierde lid van de SW € 10.603 zou moeten bedragen. De inspecteur verdedigt een vermindering van € 7.711.

2.6.Artikel 24, vierde lid van de Successiewet 1956 bepaalt, voor zover te dezen van belang, het volgende: “De overdrachtsbelasting betaald over het bedrag waarover recht van schenking (…) verschuldigd is, strekt in mindering van het recht van schenking (…).”

2.7.Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat voor de berekening van de vermindering op grond van artikel 24, vierde lid van de Successiewet 1956 rekening moet worden gehouden met dezelfde waardeverhogende factor van de metterwoonclausule voor het bloot eigendom als gehanteerd wordt voor de berekening van de verschuldigde overdrachtsbelasting.

2.8.Naar het oordeel van de rechtbank dient de tekst van artikel 24, vierde lid van de SW zo gelezen te worden dat op het recht van schenking in aftrek komt: de overdrachtsbelasting betaald over het bedrag waarover daadwerkelijk recht van schenking geheven is of wordt. Er is of wordt recht van schenking geheven over het bedrag van de kwijtschelding (€ 133.000) verminderd met de vrijstelling ingevolge artikel 33, eerste lid, onder 5 van de SW ter grootte van € 4.479. Over dat verschil van

€ 128.521 moet 6% overdrachtsbelasting worden berekend, zodat de vermindering € 7.711 bedraagt. Door deze uitleg wordt over het gehele bedrag van de gelijktijdig plaatsvindende overdracht cq schenking deels overdrachtsbelasting en deels schenkingsrecht geheven, zonder dat er over enig gedeelte dubbel wordt geheven. In de uitleg die belanghebbende voorstaat wordt ook dubbele heffing voorkomen maar wordt daarnaast over een deel van de overdracht en schenking zowel geen overdrachtsbelasting als geen schenkingsrecht geheven hetgeen niet in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever. Het gelijk is derhalve aan de zijde van de inspecteur.

2.9.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

3.Proceskostenveroordeling

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus gedaan door mr.drs. M.M. de Werd, rechter, en door deze en mr.drs. M.H. van Schaik, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 15 oktober 2009

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.