Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BK1143

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
26-10-2009
Datum publicatie
26-10-2009
Zaaknummer
02/610566-08 + 810522-09 + 800696-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BW4902, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2013:6100, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

"Verdachte heeft op 14 januari 2009 het slachtoffer in een hotelkamer door het hoofd geschoten. Door de verdediging is als verweer aangevoerd dat sprake is geweest van een hevige gemoedsopwelling, waardoor de handeling van verdachte als doodslag gekwalificeerd moet worden.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is geweest van een hevige gemoedsopwelling. Uit de feitelijke handelingen van verdachte is gebleken dat hij voldoende gelegenheid heeft gehad om over de betekenis van zijn besluit na te denken. Hij heeft aldus gehandeld met voorbedachten rade, zodat moord bewezen kan worden verklaard.

Uit feiten en omstandigheden is voorts gebleken dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van ongeveer 50.000 euro van zijn werkgever en dat hij in Marseille gericht op één persoon heeft geschoten, waardoor poging tot moord bewezen is verklaard, en ten aanzien van 3 andere personen zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 610566-08 + 810522-09 + 800696-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 oktober 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting De Dordtse Poorten te Dordrecht

raadsman mr. Sneep, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 oktober 2009, waarbij de officier van justitie, mr. Van Damme, bijgestaan door officier van justitie Laheij, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

610566-08:

ongeveer € 50.000, - heeft gestolen van het bedrijf waar hij op dat moment voor werkte, met gebruikmaking van de kluissleutels van zijn werkgever;

810522-09:

Feit 1:

[slachtoffer] heeft vermoord dan wel gedood door met een pistool een kogel in haar hoofd te schieten;

Feit 2:

Meerdere vuurwapens en patronen in zijn bezit heeft gehad.

800696-09:

Feiten 1 tot en met 3:

geprobeerd heeft [slachtoffer], [slachtoffer] en [slachtoffer] te vermoorden dan wel te doden door met een pistool meerdere schoten op hen te lossen;

Feit 4:

geprobeerd heeft [slachtoffer] te doden door met een pistool op hem te schieten, waarbij die [slachtoffer] ook geraakt is door een kogel dan wel zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Parketnummer 610566-08 (diefstal van ongeveer 50.000 euro)

4.1.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit gepleegd heeft en baseert zich daarbij op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.

4.1.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank voor dit feit tot een bewezenverklaring kan komen.

4.1.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de diefstal van ongeveer 50.000 euro met gebruikmaking van de sleutels van de werkgever van verdachte wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte bij de politie, zoals opgenomen in een proces-verbaal van bevindingen ;

- de aangifte van [slachtoffer]

4.2 Parketnummer 810522-09 (dood van [slachtoffer] en aangetroffen munitie en wapens)

4.2.1 Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord op [slachtoffer] (hierna [slachtoffer]). Hij baseert zich daarbij op de verklaring van de verdachte dat hij een kogel door het hoofd van [slachtoffer] heeft geschoten. Voorts baseert de officier van justitie zich op de technische rapporten die in het dossier aanwezig zijn. Uit deze rapporten zou volgens de officier van justitie, blijken dat [slachtoffer] in het voorhoofd is geschoten en dat dit op een schootsafstand van minder dan enkele centimeters is gebeurd.

De officier van justitie is van mening dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Hij voert daartoe aan dat verdachte bekend was met de werking van het vuurwapen. Daarbij komt dat verdachte, vanwege een ruzie met [slachtoffer], al boos was op het moment dat hij het vuurwapen van het bureau in de hotelkamer pakte en daarmee naar de badkamer liep. Uit de plattegrond van de hotelkamer leidt de officier van justitie af dat de afstand tussen het bureau en de badkamer meerdere meters omvat. Nu uit het technisch bewijs volgens de officier van justitie bovendien blijkt dat [slachtoffer] van zeer dichtbij in de badkamer is doodgeschoten, moet verdachte zelf ook in de badkamer zijn geweest.

Alles bij elkaar genomen heeft verdachte gehandeld als een persoon die zich van zijn gedragingen bewust is geweest en de tijd heeft gehad zich te beraden op zijn al genomen besluit en de gevolgen daarvan te overzien.

Uit het feit dat verdachte en [slachtoffer] wel vaker heftige ruzie hadden, leidt de officier van justitie ten slotte af dat er geen bijzondere aanleiding voor verdachte was om vanuit een directe heftige gemoedsbeweging zo gewelddadig te handelen als hij heeft gedaan.

Feit 2

Ten aanzien van de aangetroffen wapens en munitie is de officier van justitie van mening dat een bewezenverklaring kan volgen op grond van het technisch bewijs hieromtrent.

4.2.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank voor de aangetroffen wapens en munitie tot een bewezenverklaring kan komen.

Ten aanzien van de dood van [slachtoffer] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van voorbedachten rade, aangezien er geen moment van kalm beraad en rustig overleg aanwezig is geweest. Het doodschieten van [slachtoffer] door verdachte is in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling gebeurd. Doodslag kan naar de mening van de verdediging wel bewezen worden verklaard.

4.2.3 Het oordeel van de rechtbank

Vast staat dat [slachtoffer] op 14 januari 2009 in een hotelkamer in Tilburg is overleden. Uit onderzoek naar de feiten en omstandigheden rondom haar overlijden kan het navolgende worden vastgesteld.

Naar aanleiding van een melding dat een overleden vrouw onder verdachte omstandigheden in kamer 506 van het Mercure hotel in Tilburg is aangetroffen, zijn verbalisanten op 14 januari 2009 ter plaatse gegaan. Door aldaar aanwezig ambulancepersoneel is aan de verbalisanten gemeld dat zij een vrouw hebben aangetroffen die voorover in de badkuip hing. Het ambulancepersoneel had al geconstateerd dat de vrouw niet meer in leven was.

Bij het tonen van het stoffelijk overschot aan [betrokkene] werd deze herkend als zijn dochter, [slachtoffer]. Uit de sectie op het lichaam van [slachtoffer] is onder meer gebleken dat sprake was van een schotbaan, waarbij het inschot waarschijnlijk links aan het voorhoofd en het uitschot rechts aan het achterhoofd was vast te stellen. Als gevolg van dit doorschot is hersenfunctieverlies opgetreden met als gevolg het intreden van de dood van [slachtoffer].

In een nadere rapportage is door deskundigen als gezamenlijke conclusie verwoord dat het letsel links aan het voorhoofd karakteristieke kenmerken heeft van een inschot (stervormige perforatie) waarbij de schootsafstand gering is. Op het achterhoofd was letsel dat vrijwel zeker als uitschot kan worden betiteld. De schootsafstand was volgens de deskundigen minder dan enkele centimeters.

Verdachte heeft verklaard dat hij een relatie had met [slachtoffer]. Op 13 januari 2009 heeft hij een kamer geboekt in het Mercure hotel waar hij een afspraak had met [slachtoffer]. Op de hotelkamer heeft verdachte een aantal keer telefonisch contact gehad met [slachtoffer], die er nog niet was. Tijdens één van die gesprekken zou [slachtoffer] volgens verdachte gevraagd hebben naar het pistool, merk Smith & Wesson. Verdachte is daarop naar zijn auto, die in een parkeergarage stond, gelopen om het pistool op te halen en mee te nemen naar de hotelkamer. Het wapen bevatte volgens verdachte op dat moment 8 patronen en was niet doorgeladen. Diezelfde avond, 13 januari 2009, arriveert [slachtoffer] bij het hotel. Verdachte en [slachtoffer] drinken vervolgens wat aan de bar om uiteindelijk in het hotelrestaurant te dineren. Na afloop zijn verdachte en [slachtoffer] naar de hotelkamer gegaan, waar [slachtoffer] volgens verdachte het pistool nog vast heeft gehad. Vervolgens is het pistool op het bureau in de hotelkamer terechtgekomen. Verdachte en [slachtoffer] hebben op het bed gelegen. Dit duurt volgens verdachte ongeveer 2 uur. [slachtoffer] heeft vervolgens telefonisch contact met haar moeder. Kort daarna kondigt ze, overeenkomstig een afspraak met haar moeder, aan dat ze naar huis gaat. Volgens verdachte gaat het vanaf dat moment mis. Er ontstaat een ruzie, waarbij verdachte op enig moment een laars van [slachtoffer] naar buiten gooit. Als een medewerker van het hotel op de ruzie afkomt, geeft verdachte aan deze medewerker te kennen dat hij de laars gaat halen en dat [slachtoffer] vervolgens weg zal gaan. Nadat verdachte de laars heeft gehaald is de ruzie echter doorgegaan, waarbij gescholden wordt en spullen door de hotelkamer worden gegooid. [slachtoffer] bijt op een gegeven moment in de vinger van verdachte, waarna hij haar een klap in haar gezicht geeft.

[slachtoffer] zegt vervolgens dat verdachte “moet opflikkeren naar zijn vet wijf en zijn kutkinderen”. Dit zou volgens verdachte een standaarduitdrukking zijn van [slachtoffer]. Verdachte pakt vervolgens het wapen van het bureau. [slachtoffer] is ondertussen naar de badkamer gegaan om vermoedelijk een bloedneus te behandelen, waar ze bij de badkuip op haar knieën zit. Verdachte laadt het wapen door en loopt naar eigen zeggen in twee stappen naar de badkamer. Verdachte heeft verder verklaard dat hij hardstikke kwaad was en dat [slachtoffer] op dat moment nog steeds aan het schelden was. Ze begon weer te zeggen “ga maar terug”, maar de rest heeft ze niet meer kunnen zeggen, want toen had verdachte al geschoten. “Ik heb haar in het hoofd geschoten en toen was het stil” zegt verdachte.

Moord of doodslag?

Door verdachte wordt niet ontkend dat hij [slachtoffer] heeft doodgeschoten. De vraag die beantwoord moet worden is of sprake is geweest van voorbedachten rade. Voor bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachten raad is vereist dat komt vast te staan dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en dat de verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank begrijpt het verweer van de verdediging aldus dat bij verdachte, door de ruzie met [slachtoffer], sprake is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, waardoor niet gesteld kan worden dat de daad van verdachte bewust gepland is geweest.

Kijkend naar de feitelijke toedracht, zoals hiervoor aangehaald, waarbij geconstateerd wordt dat de eigen verklaring van verdachte vrijwel naadloos aansluit op de technische bevindingen, is verdachte tijdens een ruzie met [slachtoffer] naar het bureau gelopen waar het pistool dat hij zelf had meegenomen lag. [slachtoffer] is naar de badkamer gelopen. Verdachte heeft het pistool van het bureau gepakt. Hij heeft het pistool doorgeladen. Hij is van het bureau naar de badkamer gelopen. Dat dit maar twee stappen zijn geweest volgt de rechtbank niet, gelet op de situatieschetsen van de plaats delict, zoals die in het proces-verbaal van de unit Forensisch Technisch Onderzoek zijn opgenomen. Verdachte moet naar het oordeel van de rechtbank meer dan twee stappen hebben genomen om van het bureau in de badkamer te geraken. In de badkamer heeft verdachte van zeer nabij het fatale schot op het hoofd van [slachtoffer] gelost.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte tijdens deze feitelijke handelingen voldoende de gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van zijn besluit na te denken waarna hij vervolgens hieraan uitvoering heeft gegeven.

De stelling van de verdediging dat sprake is geweest van een hevige gemoedsopwelling vindt geen steun in de eigen verklaring van verdachte. Uit die verklaring blijkt namelijk dat de ruzie enige tijd geduurd heeft, waarbij er een relatief rustmoment is geweest toen verdachte de laars ging ophalen. Na zijn terugkomst is de ruzie verder gegaan, waarbij [slachtoffer] beledigingen heeft geuit die niet anders waren dan tijdens eerdere ruzies. Volgens verdachte waren het zelfs standaarduitdrukkingen. Dit in aanmerking genomen heeft verdachte voorts geen enkele verklaring of inzicht willen geven waarom bij verdachte op 14 januari 2009 nu wel een hevige gemoedsopwelling ontstond bij deze beledigingen.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is geweest van een hevige gemoedsopwelling, waardoor hij impulsief zou hebben gehandeld. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte gehandeld met voorbedachten rade, zodat moord bewezen verklaard kan worden

Wapens en munitie:

Ten aanzien van de aangetroffen wapens en munitie is de rechtbank van oordeel dat dit feit gelet op het deskundigenrapport betreffende onderzoek aan het pistool van het merk Smith & Wesson van verdachte , het proces-verbaal van het Regionaal Bureau Wapens en Munitie en de verklaring van verdachte zelf wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Wel zal de rechtbank de tenlastelegging aanpassen met betrekking tot het aantal patronen van het kaliber.45, merk ACP (van 98 patronen naar 60 patronen) en het aantal patronen van het kaliber 12, merk RC Prestige (van 25 patronen naar 15 patronen). Nu de verandering als resultaat een kleiner aantal patronen met zich brengt, wordt verdachte hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

4.3 Parketnummer 800696-09 (schietpartij in Marseille)

4.3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op 29 juni 2008 in Marseille een schietpartij heeft plaatsgevonden. Daarbij is sprake geweest van 4 personen waar op geschoten is, waarbij één persoon daadwerkelijk geraakt is. De schutter zou na een conflict over geld dat van hem gestolen zou zijn kort daarop teruggekeerd zijn met een vuurwapen. Met dat wapen heeft hij gericht geschoten op [slachtoffer] (feit 1) en [slachtoffer] (feit 2). Nadat deze personen, samen met anderen die aanwezig waren, wegrenden in de richting van café Les 5 Parties du Monde, heeft de schutter in die richting geschoten. Daarbij is [slachtoffer] (feit 4) in zijn bil geraakt.

Een witte Peugeot personenauto heeft de schutter gevolgd. Deze draaide zich om en heeft gericht op de auto geschoten. De auto werd bestuurd door [slachtoffer] (feit 3).

Door zo te handelen heeft de schutter zich schuldig gemaakt aan poging tot moord op [slachtoffer], [slachtoffer] en [slachtoffer]. Ten aanzien van [slachtoffer] heeft de schutter zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag.

De officier van justitie is van mening dat verdachte de schutter was. Hij baseert zich hierbij onder andere op goederen die zijn aangetroffen in een door de schutter op de plaats delict achtergelaten rugzak. Op een aantal van deze goederen is een DNA-profiel van verdachte aangetroffen. Bij de aangetroffen goederen zaten ook GSM’s. De zendmastgegevens van deze telefoons laten zien dat ze in de buurt van de plaats delict waren op het moment van de schietpartij.

Voorts baseert de officier van justitie zijn standpunt op verklaringen van getuigen die van [slachtoffer] te horen hebben gekregen dat verdachte betrokken is geweest bij een schietincident in Frankrijk.

De officier van justitie heeft zijn standpunt verder gebaseerd op een in Frankrijk uitgevoerde fotoconfrontatie. Getuige [getuige] heeft verdachte hierbij op foto 5 herkend als schutter. [slachtoffer] en [slachtoffer] hebben verklaard dat de persoon op foto 5, te weten verdachte, het meeste lijkt op de schutter. Ze hebben hem echter niet herkend.

4.3.2 Het standpunt van de verdediging

Het standpunt van de verdediging is dat verdachte op 29 juni 2008 in Marseille niet de schutter is geweest en zich dan ook niet schuldig heeft gemaakt aan de hem ten laste gelegde feiten.

De verdediging stoelt haar verweer op een 5-tal pijlers:

Signalement

Door een aantal getuigen is een signalement gegeven van de schutter. De verdediging is van oordeel dat in die signalementen weinig lijn te ontdekken valt. Door de diversiteit van de verklaringen, voornamelijk over de kleding die de schutter zou hebben gedragen, is het signalement dermate algemeen geworden dat er geen enkele bewijskracht aan gekoppeld kan worden.

Rugzak

Er zou een rugzak zijn aangetroffen op de rue Fontaine d’Armenie. Hoe de rugzak in beslag is genomen is volgens de verdediging echter onduidelijk. Van andere bewijsmiddelen die veilig zijn gesteld zijn wel vindplaatsen en foto’s in het dossier te vinden. Ten aanzien van de rugzak geldt dit echter niet. Bovendien wordt in één proces-verbaal gerelateerd dat de rugzak in het etablissement was achtergelaten, terwijl getuigen hebben verklaard dat zij de schutter met een rugzak op straat hebben zien lopen. De mogelijkheid bestaat volgens de verdediging dus dat iemand anders dan opsporingsambtenaren de rugzak op enig moment onder zich hebben gehad.

DNA

Er zijn twee mannelijke DNA-profielen vastgesteld. P1 en P2. P1 komt overeen met het DNA-profiel van verdachte. Dit profiel is op een aantal goederen in de rugzak aangetroffen. Andere goederen die ook in de rugzak zaten zijn echter niet middels DNA aan verdachte te koppelen. De vraag moet volgens de verdediging worden beantwoord of sprake is van een directe relatie tussen de donor van het celmateriaal en het strafbare feit. In het onderhavige geval valt die relatie volgens de verdediging niet duidelijk aan te wijzen, waardoor de uiteindelijke bewijswaarde van de aangetroffen sporen gering tot nihil is.

Aanwezigheid in Frankrijk

Uit een telefoon die in de rugzak is aangetroffen, zijn een aantal sms-berichten gehaald. Deze zijn gedateerd 1 januari 2005, 2 januari 2005 en 12 januari 2005. Uit de inhoud van de sms-berichten heeft de verdediging af kunnen leiden dat de datum gecorrigeerd dient te worden naar 1 en 2 juni 2008 en dat uit die sms-berichten niet afgeleid kan worden dat verdachte ten tijde van de schietpartij in Marseille was.

Getuigen [getuige] en [getuige] hebben voorts verklaard dat zij van [slachtoffer] hebben gehoord dat verdachte ergens in het zuiden van Frankrijk ruzie zou hebben gehad. Hierbij zou gevochten dan wel geschoten zijn. Verdachte zou iemand in zijn been hebben geschoten. Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij van getuige [getuige] gehoord heeft dat verdachte een overval zou hebben gepleegd, waarbij hij geschoten zou hebben.

De verdediging is van mening dat de verklaringen onvoldoende specifiek zijn, zeker nu het verklaringen van horen zeggen betreffen. Deze verklaringen komen bovendien uit één bron, te weten [slachtoffer].

Fotoconfrontatie

In het dossier zijn 7 getuigen geconfronteerd met 11 foto’s, waarvan 1 foto van verdachte. Zijn foto is bij de confrontaties telkens op positie 5 terechtgekomen en valt op tussen de andere foto’s, omdat hij overbelicht is en een lagere resolutie heeft. Vier getuigen zijn niet in staat geweest de dader aan te wijzen. Twee getuigen zijn niet 100% zeker en maar 1 getuige wijst verdachte stellig aan als dader van de schietpartij.

De verdediging is van mening dat de fotobewijsconfrontatie niet aan de Nederlandse richtlijnen voldoet en daarom niet als bewijs mag worden meegenomen.

Alles overziend is de verdediging van mening dat de opgesomde bewijsmiddelen, zowel individueel als in samenhang met elkaar, onvoldoende concreet zijn om te kunnen spreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich aan de ten laste gelegde feiten schuldig heeft gemaakt. Verdachte dient dan ook van deze feiten vrijgesproken te worden.

4.3.3 Het oordeel van de rechtbank

Wat is er op 29 juni 2008 in Marseille gebeurd?

Op 28 juni 2009 is [slachtoffer] rond 23.30 uur begonnen met zijn dienst in zijn cafetaria “City Burger” aan de rue Colbert te Marseille. [slachtoffer] verklaart verder dat rond middernacht een man, een Europees type met een lengte van ongeveer 1.70m, in de cafetaria is gekomen en een bestelling heeft gedaan. Toen hij zijn bestelling moest betalen, bleek dat de man bestolen was. [slachtoffer] is achter de dief aangegaan om kort daarop met 100 euro terug te keren. De man die bestolen was, wond zich enorm op, omdat hij claimde dat 1000 euro van hem was gestolen. Na [slachtoffer] en [slachtoffer] bedreigd te hebben dat hij de Arabieren zou doden, is de man weggegaan.

Na een kwartier is dezelfde man teruggekeerd. Hij had een zwarte rugzak bij zich. Op een afstand van 4 meter heeft de man de rugzak geopend, een pistool eruit gehaald en in de richting van [slachtoffer] geschoten, maar het wapen is niet meteen afgegaan. De man heeft zijn wapen gespannen en vervolgens meerdere malen in de richting van [slachtoffer], die weg was gelopen, geschoten. De man schoot ook in de richting van voorbijgangers. [slachtoffer] heeft tot slot verklaard dat hij zijn buurman [slachtoffer] op de grond zag liggen, dat hij kermde en zijn rechterbil vasthield. Ondertussen ging de schutter door met schieten op een witte Peugeot 206, welke op de rue Colbert reed. De bestuurder van deze auto, [slachtoffer], heeft verklaard dat de man 3 schoten heeft gelost in de richting van zijn auto.

Ook [slachtoffer] heeft het over een man, die hij beschrijft als een Europeaan van ongeveer 1.70m, die is bestolen. Deze man is onder het uiten van bedreigingen weggegaan, om rond 00.30 uur terug te keren. Ook [slachtoffer] heeft gezien dat de man een zwarte rugzak bij zich heeft. [slachtoffer] onderschrijft voorts de verklaring van [slachtoffer] dat de man eerst op [slachtoffer] heeft gericht. [slachtoffer] heeft [slachtoffer] weg zien rennen, waarna twee keer door de man is geschoten. [slachtoffer] heeft vervolgens gezien dat de man het wapen op hem heeft gericht. [slachtoffer] is weggerend, maar heeft onder het rennen 4 schoten gehoord.

Getuige [getuige] beschrijft de man, die eerst bestolen werd en later terugkeerde met een pistool, als een Europees type van ongeveer 1.70m. Toen de man teruggekeerd was, had hij een rugzak bij zich waar hij een pistool uit haalde waarmee hij op [slachtoffer] heeft gericht.

[slachtoffer] heeft verklaard in zijn rechterbil te zijn geraakt tijdens de schietpartij. Hij heeft voorts verklaard dat hij op 29 juni 2008 rond 00.30 uur voor een bar aan de rue Colbert stond toen hij zag dat een man, een Europees type van ongeveer 1.70m lang, een wapen richtte op de eigenaar van de snackbar. De man richtte eerst op de benen van de eigenaar van de snackbar om vervolgens hoger te richten.

Signalement

Genoemde verklaringen overziend is de rechtbank van oordeel dat het slachtoffer van de diefstal kort daarna naar de cafetaria “City Burger” is teruggekeerd en daar het vuur heeft geopend op [slachtoffer] en vervolgens in de richting van [slachtoffer], [slachtoffer] en [slachtoffer] heeft geschoten. De schutter wordt door [slachtoffer], [slachtoffer], [slachtoffer] en [getuige] beschreven als een Europees type van ongeveer 1.70m lang. Bovendien spreken [slachtoffer], [slachtoffer] en [getuige] over een rugzak.

De verdediging heeft verweer gevoerd dat de verklaringen ten aanzien van het signalement te wisselend zouden zijn om er bewijskracht aan te koppelen. De rechtbank kan die conclusie echter niet delen, gelet op de algemene deler in het signalement dat de schutter een Europees type van ongeveer 1.70m lang zou zijn en het feit dat het slachtoffer van de diefstal in de cafetaria en de schutter volgens de verklaringen van [slachtoffer], [slachtoffer] en [getuige] een en dezelfde persoon zijn.

Poging moord of poging doodslag?

[slachtoffer]

Uit de eerder genoemde verklaringen van [slachtoffer] zelf en van [slachtoffer] , is gebleken dat de schutter kort na een incident in de cafetaria van [slachtoffer] teruggekomen is met een vuurwapen en gericht heeft geschoten op [slachtoffer].

Deze verklaringen vinden steun in de verklaring van [slachtoffer] en van getuige [getuige], die heeft verklaard dat de schutter met een vuurwapen op de eigenaar van de snackbar richtte, een beweging met zijn arm maakte om zijn zicht scherp te stellen en daarna 3 keer heeft geschoten.

Bovendien zijn er kogelinslagen aangetroffen op voorwerpen in en net buiten de cafetaria.

Op grond van deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bekeken, komt de rechtbank tot het oordeel dat de schutter, door na het incident weg te gaan en even later terug te komen met een automatisch pistool, een uitdrukkelijk besluit heeft genomen om [slachtoffer] van het leven te beroven. Gelet op het tijdsverloop tussen zijn weggaan en weer terugkomen, heeft hij genoeg tijd gehad om zich te beraden en op zijn voornemen terug te komen. Dat heeft hij echter niet gedaan, maar hij heeft vervolgens geprobeerd zijn voornemen uit te voeren door met dat automatisch pistool meerdere malen gericht op [slachtoffer] te schieten, die niet is geraakt omdat hij nog net kon weglopen. Gericht schieten op iemand met een automatisch pistool kan naar het oordeel van de rechtbank naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet anders worden opgevat dan dat de schutter [slachtoffer] in koelen bloede heeft willen doden. De rechtbank is van oordeel dat de schutter zich dan ook schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord op [slachtoffer].

[slachtoffer], [slachtoffer], [slachtoffer]

Van belang zijn de verklaringen van [slachtoffer], [slachtoffer] en [slachtoffer] , waaruit blijkt dat er in hun richting is geschoten door de schutter.

Ten aanzien van [slachtoffer] vindt de rechtbank de verklaring van getuige [getuige] redengevend voor het bewijs. Zij heeft verklaard dat de schutter in het wilde weg leek te schieten. Voorts is in de voorband van een geparkeerde scooter 1 kogelinslag gevonden. Deze scooter bevond zich tussen de schutter en de vluchtende [slachtoffer] en [slachtoffer].

Ten aanzien van [slachtoffer] zijn voorts van belang voor een bewezenverklaring de verklaring van [slachtoffer] , en de medische informatie betreffende het geconstateerde letsel bij [slachtoffer], waarin staat dat zich een kogel bevindt in de kleine rechterbilspier.

De schutter heeft ook een aantal schoten op een witte Peugeot 206 gelost. Deze auto werd bestuurd door [slachtoffer]. Naast [slachtoffer] heeft ook getuige [getuige] verklaard dat de schutter meerdere schoten op deze auto heeft afgevuurd. De aangetroffen kogelinslagen in de auto bevestigen deze verklaringen. Een kogelinslag bevindt zich in de kokerbalk onder het rechter voorportier en een tweede kogelinslag bevindt zich op 28 centimeter hoogte in dit portier, terwijl [slachtoffer] na het eerste schot al in zijn auto naar beneden was gedoken.

Ten aanzien van [slachtoffer], [slachtoffer] en [slachtoffer] is de rechtbank van oordeel dat uit de in het dossier voorhanden zijnde stukken niet kan volgen dat de schutter met voorbedachten rade op deze personen heeft geschoten. Door echter zo te handelen als is gebleken heeft de schutter de aanmerkelijke kans aanvaard en op de koop toe genomen dat hij iemand levensgevaarlijk had kunnen verwonden. Hierdoor heeft de schutter zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag ten aanzien van deze personen.

Wat is aangetroffen op de plaats delict

Op de grond voor de “City Burger” zijn 7 patroonhulzen en 1 patroon aangetroffen.

Op de rue Fontaine d’Armenie zijn nog eens 8 patroonhulzen aangetroffen. Tevens zijn op deze locatie een automatische pistool met ingestoken patroonhouder en een lege patroonhouder ernaast aangetroffen. Daarnaast is op de rue Fontaine d’Armenie een rugzak aangetroffen.

De verdediging heeft verweer gevoerd omtrent deze rugzak. Niet duidelijk zou zijn hoe de inbeslagname van de rugzak in zijn werk is gegaan.

De rechtbank verwerpt dit verweer, aangezien uit een ambtsedig proces-verbaal blijkt dat de rugzak in de rue Fontaine d’Armenie is aangetroffen. Dat elders in het dossier wordt opgemerkt dat de rugzak in de cafetaria zou zijn achtergelaten doet hier niet aan af, nu dit wordt opgemerkt door opsporingsambtenaren die de rugzak overhandigd krijgen en dus niet zelf de rugzak hebben aangetroffen.

Dat de schutter in de rue Fontaine d’Armenie is geweest blijkt bovendien uit de verklaring van getuige [getuige], die gezien heeft dat de schutter in die straat gebruik heeft gemaakt van het wapen.

Aangetroffen pistool en munitie

Het aangetroffen pistool is van het merk Makarov. De patroonhouders passen er uitstekend in. Door onderzoekers wordt opgemerkt dat geconcludeerd kan worden dat de aangetroffen 15 patroonhulzen met het aangetroffen pistool zijn verschoten.

Gelet op de bevindingen omtrent de aangetroffen voorwerpen in combinatie met de hiervoor genoemde verklaringen van [slachtoffer], [slachtoffer] en [getuige] dat de schutter een rugzak bij zich had, is de rechtbank van oordeel dat de aangetroffen rugzak en het pistool aan de schutter hebben toebehoord. Met het aangetroffen pistool zijn de aangetroffen patroonhulzen afgevuurd.

Was verdachte in Marseille en was hij de schutter?

De vraag die resteert is wie de schutter is.

Zoals hiervoor vastgesteld, is op de plaats delict onder andere een rugzak van de schutter aangetroffen. In die rugzak zaten goederen die op DNA zijn onderzocht. Er werden twee mannelijke genetische profielen, genaamd P1 en P2, aangetroffen.

Op een tandenborstel werd DNA-profiel P1 aangetroffen. Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna het NFI) heeft dit profiel vergeleken met de in hun databanken opgeslagen DNA-profielen. Bij deze vergelijking is 1 match aangetroffen met een DNA-profiel van verdachte. De kans dat een willekeurig gekozen man dit DNA-profiel heeft is kleiner dan 1 op 1 miljard.

Op overige goederen uit de rugzak, te weten een treinkaartje en twee telefoons is ook DNA-profiel P1 aangetroffen. Op de lege patroonhouder die op straat is aangetroffen is een gedeeltelijk profiel verkregen dat profiel P1 omvat.

Gelet op de uitslag van het NFI, is de rechtbank van oordeel dat naast de tandenborstel ook op de overige genoemde voorwerpen DNA-profiel van verdachte is aangetroffen.

Naast deze bevindingen bevat het dossier de zendmastgegevens van de telefoons die in de rugzak zijn aangetroffen. Uit deze zendmastgegevens blijkt dat beide telefoons in het gebied waren ten tijde van de schietpartij.

Voorts heeft een aantal getuigen verklaard dat zij hebben gehoord dat verdachte in Frankrijk was. Zo heeft getuige [getuige] verklaard dat zij van [slachtoffer] heeft gehoord dat verdachte in het zuiden van Frankrijk ruzie heeft gehad en dat hij gevochten dan wel geschoten zou hebben. Dit zou zich afgespeeld hebben in de periode na de diefstal uit [werkgever].

Getuige [getuige] heeft verklaard dat [slachtoffer] hem verteld heeft dat verdachte na de diefstal uit [werkgever] in Frankrijk is geweest en daar iemand in het been heeft geschoten.

Getuige [getuige] heeft weer van getuige [getuige] gehoord dat [slachtoffer] aan deze [getuige] verteld heeft dat verdachte na de diefstal uit [werkgever] naar Frankrijk was gevlucht en daar betrokken is geraakt bij een overval. Verdachte zou daarbij geschoten hebben.

Ten slotte heeft de echtgenote van verdachte, getuige [getuige], verklaard dat zij van verdachte een sms-bericht vanuit Marseille had gekregen.

De verdediging heeft verweer gevoerd ten aanzien van de van horen zeggen verklaringen.

De rechtbank verwerpt dit verweer, nu zij van oordeel is dat de verklaringen weliswaar van horen zeggen zijn, maar dat zij vrij specifiek zijn ten aanzien van het schieten en opgelopen letsel bij een slachtoffer.

De verdediging heeft voorts verweer gevoerd ten aanzien van de in het dossier aanwezige sms-berichten. Na correctie zouden die berichten begin juni 2008 verstuurd zijn.

De rechtbank is van oordeel dat wat daar ook van zij, deze constatering van de verdediging in ieder geval niet uitsluit dat verdachte op 29 juni 2008 in Marseille is geweest.

Ten slotte heeft de verdediging verweer gevoerd met betrekking tot de in het dossier aanwezige stukken betreffende fotoconfrontaties.

Nu de fotoconfrontaties hebben plaatsgevonden in het kader van een Frans onderzoek zal de rechtbank zich zelfstandig een oordeel moeten vormen of deze op zich kunnen bijdragen aan het bewijs. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is nu uit de overgelegde stukken blijkt dat de foto van verdachte in de serie foto’s opvalt tussen de andere foto’s doordat deze qua kleur en scherpte afwijkt van de anderen. Reeds om die reden zullen de fotoconfrontaties en de resultaten daarvan niet worden meegenomen bij de bewijsvoering, zodat het verweer van de verdediging voor het overige geen verdere bespreking meer behoeft.

Conclusie

Zoals hiervoor vastgesteld is er één schutter geweest, een Europees type van ongeveer 1.70m lang, die een rugzak heeft achtergelaten nabij de plaats delict en met één pistool heeft geschoten, welk pistool eveneens nabij de plaats delict is achtergelaten door de schutter.

Gelet op het DNA-onderzoek waarbij is vastgesteld dat een volledig DNA-profiel van verdachte is aangetroffen op een tandenborstel, een treinkaartje en twee telefoons, allen goederen die in de rugzak zijn aangetroffen, komt de rechtbank tot de conclusie dat de rugzak van verdachte was.

Op de patroonhouder die naast het pistool is aangetroffen is voorts een gedeeltelijk profiel verkregen dat het DNA-profiel van verdachte omvat.

Door de verdediging is niet betwist dat de aangetroffen telefoons van verdachte waren. Uit de zendmastgegevens blijkt dat die telefoons ten tijde van de schietpartij daar in de buurt zijn geweest. Daar komt bij dat uit de verklaringen van [getuige], [getuige] en [getuige] volgt dat verdachte na de diefstal uit [werkgever], te weten 11 juni 2008, in Frankrijk is geweest waarbij hij iemand in zijn been heeft geschoten. Vast staat dat [slachtoffer] is geraakt in zijn rechterbil, zijnde een plek nabij het been.

Deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bekeken, brengen de rechtbank tot het oordeel dat verdachte de schutter is geweest op 29 juni 2008. De verklaringen van de slachtoffers en getuigen versterken elkaar en worden ook ondersteund door de aangetroffen voorwerpen en het technische bewijs. De rechtbank stelt vast dat verdachte zowel ten overstaan van de politie als ter zitting geen verklaring heeft willen geven omtrent de schietpartij in Marseille.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot moord op [slachtoffer]. Voorts heeft hij zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op [slachtoffer], [slachtoffer] en [slachtoffer].

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Parketnummer 610566-08:

op 11 juni 2008 te Breda met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in een bedrijfspand (aan de Ginnekenweg [nr. 95] heeft

weggenomen een geldbedrag van ongeveer 50.000 Euro toebehorende aan [slachtoffer]

of [werkgever], waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van valse sleutel(s);

Parketnummer 810522-09:

1, primair.

op 14 januari 2009 te Tilburg opzettelijk en met voorbedachten

rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft

verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen

een kogel in het hoofd van die [slachtoffer] geschoten, waardoor die [slachtoffer] is overleden;

2.

op tijdstippen in de periode 1 januari 2009 tot

en met 27 januari 2009 te Tilburg en/of elders in Nederland

wapens van categorie II en III, te weten een geweer (dubbelloops

jachtgeweer, kaliber 12) en een pistool (Smith & Wesson, kaliber .45 ACP),

en munitie van categorie II en/of III, te weten 60 patronen kaliber .45 ACP

en 2 patronen kaliber 12 (merk Brenneke) en 2 patronen kaliber 12 (merk

RC Italy, RC4 Special) en15 patronen kaliber 12 (RC Prestige) en 2

hagelpatronen kaliber 12 (merk Fiocchi), voorhanden heeft gehad;

Parketnummer 800696-09:

1.

op 29 juni 2008 te Marseille (Frankrijk) ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten

rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en

rustig overleg, een vuurwapen heeft gericht op die [slachtoffer] en (vervolgens) met

dat vuurwapen meerdere kogels in de richting van die [slachtoffer] heeft

geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 29 juni 2008 te Marseille (Frankrijk) ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet een vuurwapen op die [slachtoffer] heeft gericht en vervolgens met

dat vuurwapen meerdere kogels in de richting van die [slachtoffer] heeft

geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

op 29 juni 2008 te Marseille (Frankrijk) ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, een vuurwapen heeft gericht op de auto waarin die [slachtoffer]

zich bevond en vervolgens met dat vuurwapen meerdere kogels in de

richting van die auto en die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4, primair.

op 29 juni 2008 te Marseille (Frankrijk) ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het

leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen een kogel in het lichaam van

die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een levenslange gevangenisstraf.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is uitgegaan van een bewezenverklaring van doodslag op [slachtoffer]. Om die reden is de verdediging van mening dat een levenslange gevangenisstraf niet aan de orde dient te zijn. Door de verdediging is aangegeven dat verdachte zich zal conformeren aan een lange tijdelijke gevangenisstraf, indien dit enkel betrekking heeft op de dood van [slachtoffer].

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Uit het dossier is over verdachte een beeld ontstaan van een man die regelmatig op het randje van het toelaatbare balanceert, maar daar wel eens ver overheen getreden is.

Verdachte zelf zegt nog dat hij zich bezig heeft gehouden met vuurwapenhandel en bezig was met de voorbereidingen voor een gewapende bankoverval. Hierbij werd zelfs rekening gehouden met een gijzeling van een bankmedewerker, die hij wilde overmeesteren en met tie-wraps vastbinden. Verdachte was om die reden ook in het bezit van vuurwapens. Daarnaast blijkt uit verklaringen van getuigen dat verdachte zich bezig zou houden met het rippen van weedhokken en dat hij en/of zijn familie ernstig werden bedreigd vanuit het criminele circuit. Verdachte is ten aanzien van deze feiten nooit met politie en justitie in aanraking gekomen, maar in juni 2008 gaat het echter mis. Verdachte steelt op 11 juni 2008 ongeveer € 50.000 van zijn werkgever [werkgever]. Een feit overigens waarmee verdachte de vertrouwensrelatie tussen werkgever en werknemer ernstig heeft beschadigd. Na de diefstal vlucht verdachte een tijdje naar Marseille. Op 29 juni 2008 krijgt verdachte in/bij snackbar “City burger” in de rue Colbert ruzie naar aanleiding van geld dat van hem is gestolen en dat hij niet heeft teruggekregen. Verdachte is weggegaan en kort daarop teruggekomen met een rugtas en een pistool. Vervolgens schiet hij gericht op [slachtoffer] (eigenaar van de snackbar) die wegvlucht. Daarna schiet verdachte in de richting van [slachtoffer], [slachtoffer] en [slachtoffer]. Er worden 7 patroonhulzen gevonden bij de snackbar en 8 patroonhulzen in de Rue Fontaine d’ Armenie. In deze laatste straat worden ook de rugtas en het pistool aangetroffen. Wat de precieze aanleiding en drijfveer voor deze schietpartij is geweest, is niet duidelijk geworden. Verdachte zelf heeft hier niet over willen verklaren. Wel spreekt het voor zich dat dergelijke uitbarstingen van gewelddadig handelen in zijn algemeenheid gevoelens van onveiligheid in de maatschappij teweegbrengen. Ook de slachtoffers zullen zich aangetast voelen in hun beleving van veiligheid. Het had net zo goed veel erger kunnen aflopen voor de slachtoffers op 29 juni 2008 in Marseille.

Uiteindelijk keert verdachte in bezit van vuurwapens terug naar Nederland.

Verdachte en [slachtoffer] komen op 13 januari 2009 terecht in het Mercure hotel in Tilburg. Kort na middernacht gaat het vreselijk mis. Ze krijgen ruzie die uiteindelijk ontaardt in een brute en zinloze daad. Verdachte pakt het pistool dat op een bureau in de hotelkamer lag, laadt dat door, loopt naar de badkamer en schiet [slachtoffer] van dichtbij door haar hoofd. Met deze daad komt een abrupt einde aan het nog jonge leven van de 22-jarige [slachtoffer].

De rechtbank merkt op dat uit de verklaringen van vrienden en familieleden van [slachtoffer] valt op te maken dat zij tot het moment dat zij verdachte leerde kennen, een normale, lieve vrouw was. Ze werkte in cafetaria “De Kom-eet” en bezorgde broodjes bij onder andere [werkgever] waar verdachte werkte. Nadat verdachte in haar leven is gekomen, is zij door verdachte meegetrokken in zijn roekeloze levensstijl, waarbij zij als het ware de ankerpunten in haar leven, zoals haar ouders en haar ex-vriend, is verloren.

De dood van [slachtoffer] heeft de maatschappij zeer ernstig geschokt, maar belangrijker nog is dat de familie van [slachtoffer] door haar verlies onherstelbaar leed is toegebracht vooral omdat op het “waarom”van de daad door verdachte tot op de dag van vandaag geen duidelijk antwoord is gevolgd, nu verdachte er voor gekozen heeft daarover niet te verklaren. Dit moet onbegrijpelijk voor de nabestaanden zijn en zal ook negatief van invloed zijn op hun verwerking van het grote verlies.

Zijn de feiten aan verdachte toe te rekenen?

Psycholoog Zuidhof heeft in zijn rapport van 31 juli 2009 opgetekend dat bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische kenmerken. Tevens zijn er kenmerken van ADHD aanwezig en is sprake van cocaïne- en alcoholmisbruik.

De mate van toerekeningsvatbaarheid kan geplaatst worden op de bandbreedte “licht verminderd-geheel” toerekeningsvatbaar. Aan de ene kant heeft verdachte willens en wetens met [slachtoffer] steeds verder de kick van de rand van het ravijn opgezocht, zowel in crimineel gedrag als op andere terreinen. Verdachte had zich bewust kunnen zijn van het ricisovolle binnen zijn relatie met [slachtoffer], zijn gedrag binnen die relatie, maar ook het risico van escalerend geweld in combinatie met de aanwezigheid van een vuurwapen. Vanuit dit perspectief kan verdachte volledig toerekeningsvatbaar worden geacht.

Anderzijds is er bij verdachte een persoonlijkheidsstoornis geconstateerd waardoor hij meer dan de gemiddelde burger crimineel gedrag vertoont en kan hij op grond daarvan als licht verminderd toerekeningsvatbaar worden bestempeld.

Gelet op het gegeven dat verdachte een vuurwapen bezit, zelf handelde in vuurwapens, in voorbereiding op een bankoverval was, kan gesteld worden dat er een hoog risicogehalte aangaande toekomstig ernstig geweld aan de orde is.

De persoonlijkheidsproblematiek is nauwelijks behandelbaar, zeker nu verdachte zelf geen aanleiding ziet tot verandering in zijn criminele levensstijl. Daarom zou het opleggen van de maatregel van de terbeschikkingstelling volgens Zuidhof enkel de beveiliging dienen.

Psychiater Trompenaars komt in zijn rapport van 17 augustus 2009 tot eenzelfde conclusie voor wat betreft de persoonlijkheidsproblematiek. Ook hij beschrijft een bandbreedte tussen licht verminderd dan wel geheel toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

De kans van slagen bij een behandeling van verdachte acht Trompenaars zo goed als nihil, gelet op de houding van verdachte, waarin hij geen enkele noodzaak ziet om te veranderen.

Naar aanleiding van het bekend worden van de schietpartij in Marseille is door beide deskundigen een aanvullend rapport opgemaakt.

Psychiater Trompenaars blijft in zijn aanvulling van 30 september 2009 bij zijn eerdere overwegingen. Hij ziet in de schietpartij in Marseille een bevestiging van zijn eerdere bevindingen.

Psycholoog Zuidhof breidt zijn beschrijving van verdachte uit in het aanvullend rapport van 25 september 2009. Verdachte is voor niemand bang. Hij staat zijn mannetje. Het criminele milieu heeft ontzag voor hem. Verdachte lacht naar het leven en is uitermate thrill seeking. Geen enkele criminele uitdaging is hem te veel. Gesteld wordt dat achter de oppervlakkige charme van verdachte een psychopate crimineel huist. Verdachte is gaandeweg, zeker tijdens zijn relatie met [slachtoffer], meer en meer risicovol en onverantwoordelijk gedrag gaan vertonen. Daarbij is steeds meer het psychopate karakter van verdachte op ongebreidelde wijze gaan domineren.

Voor het overige blijft Zuidhof bij zijn eerdere bevindingen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte geen onbekende was met de uitwerking van vuurwapens. Dit blijkt wel uit het gebeuren in Marseille, een half jaar voor het vermoorden van [slachtoffer]. Bovendien heeft verdachte zelf verklaard dat hij ook wel eens wapens verhandeld heeft. Nu verdachte niet heeft willen verklaren over zijn aanwezigheid in Marseille zou de rechtbank hem ten volle verantwoordelijk kunnen houden voor deze gebeurtenissen. Gelet echter op de stoornis die bij verdachte geconstateerd is, zal ook de rechtbank, in navolging van de deskundigen, op de bandbreedte licht verminderd tot geheel toerekeningsvatbaar gaan zitten.

Ditzelfde geldt ook ten aanzien van het doodschieten van [slachtoffer]. Zeker met de schietpartij van Marseille nog vers in het geheugen, heeft verdachte moeten weten dat de weg naar geweld voor hem uitermate kort is. Door zich toch weer in te laten met vuurwapens, heeft hij welbewust de beslissing genomen om het risico op een geweldsuitbarsting op de koop toe te nemen. Het trieste resultaat van deze beslissing is de dood van [slachtoffer].

De rechtbank heeft bij het beoordelen van de strafmaat ook de houding van verdachte meegenomen. Een verdachte heeft het recht te zwijgen, maar de rechtbank merkt op dat verdachte consequent geen inzicht heeft gegeven over het waarom van zijn daad. Dit geldt dan voor de schietpartij in Marseille, maar zeker ook voor het doodschieten van [slachtoffer].

In zijn laatste woord heeft verdachte aangegeven dat hij een straf accepteert van 15 jaar voor de moord op [slachtoffer]. Indien de rechtbank hiermee akkoord is en verder Marseille buiten beschouwing laat (verdachte bedoelt waarschijnlijk vrijspraak), gaat hij niet in hoger beroep, waarmee hij de familie van [slachtoffer] verdere confrontatie met het overlijden van hun dochter bespaart.

Het is de rechtbank niet duidelijk geworden wat verdachte ertoe heeft gebracht deze opmerking te maken. Is sprake van een berekenend, manipulatief gedrag of is het een uiting van een wanhopige verdachte? Hetzelfde geldt min of meer voor zijn gedrag vóór de zitting waarbij hij zichzelf letsel heeft toegebracht waarvoor hij in het ziekenhuis moest worden behandeld. Was hier sprake van suïcidaal gedrag, manipulatie of berekenend gedrag? De verdachte heeft de rechtbank hierover door zijn zwijgende houding geen verder inzicht kunnen verschaffen.

Gelet op de rapportage en de houding van verdachte moet het ervoor worden gehouden dat verdachte in staat is om ook in de toekomst een soortgelijk feit te begaan. Niet kan worden uitgesloten dat verdachte een potentieel gevaar voor de samenleving blijft. Voorkomen moet worden dat verdachte ooit nog de gelegenheid krijgt om een ander of anderen op deze of andere wijze van het leven te beroven.

Uit de deskundigenrapportage blijkt dat de maatregel van terbeschikkingstelling geen mogelijkheden biedt, omdat verdachte zelf geen aanleiding ziet om zijn gedrag te veranderen. Bovendien zou verdachte volgens psycholoog Zuidhof bij een eventuele terbeschikkingstelling sociaal wenselijk gedrag kunnen laten zien, waardoor hij snel in een resocialisatietraject terecht kan komen. De rechtbank begrijpt hieruit dat verdachte met een terbeschikkingstelling wellicht te snel in de samenleving zou kunnen terugkeren, hetgeen onwenselijk wordt geoordeeld.

Wel achten de deskundigen een straf passend waarbij op termijn vanuit het traject terugdringen recidive nog voldoende mogelijkheden voor verdachte zijn om terugkeer in de samenleving adequaat te laten verlopen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat zij de deskundigerapportages tot uitgangspunt kan en moet nemen bij de te nemen beslissingen. Zij neemt de in het rapport verwoorde conclusies en de gronden waarop die berusten grotendeels over en maakt die tot de hare. Dit betekent dat de rechtbank niet zal overgaan tot het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling nu daarvoor vanuit gedragskundig oogpunt geen aanleiding bestaat.

Het alternatief van een langdurige tijdelijke gevangenisstraf, waarbij middels het traject terugdringen recidive een terugkeer in de samenleving op termijn mogelijk zal zijn, acht de rechtbank echter niet passend. De feiten zijn zo ernstig dat de rechtbank een eventuele terugkeer in de samenleving niet wil laten afhangen van een dergelijk traject.

De ernst van de feiten rechtvaardigt een gevangenisstraf van zeer lange duur. Bij de bepaling van de strafmaat dient tevens het risico van recidive te worden betrokken.

Zoals eerder genoemd is, blijkt uit het dossier dat verdachte een criminele levenswijze erop nahield. Als rode draad valt vast te stellen dat vuurwapens hierbij een belangrijke rol speelden. Voor iemand met een dergelijke levensstijl als verdachte, had het duidelijk moeten zijn dat hij op het punt stond een ernstig misdrijf te begaan. In amper 7 maanden tijd heeft verdachte immers in twee verschillende situaties met een vuurwapen op mensen geschoten. Niettemin heeft verdachte geen hulp gezocht en de zaken op hun beloop gelaten, waarvan de dramatische en voor [slachtoffer] fatale afloop inmiddels bekend is.

Daarbij komt nog een reden tot zorg. Zelfs na het gebeuren blijkt verdachte geen inzicht te willen geven en geeft hij aan niet te willen veranderen.

Dit roept de vraag op wat de verdachte, gelet op de door de deskundigen bij verdachte vastgestelde stoornis, ervan zal weerhouden in een conflictsituatie (zoals in Marseille) of ruzie binnen een relatie wederom zo destructief te reageren.

De rechtbank heeft bij haar beraadslaging stilgestaan bij de uiteenlopende aspecten van het in de Nederlandse strafrechtspleging niet alledaagse fenomeen van de levenslange gevangenisstraf, waaronder de executie daarvan. De strafmodaliteit is rigoureus, definitief, niet onomstreden in de literatuur en slechts te overwegen als ultimum remedium. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat alleen levenslange gevangenisstraf hier past en dat met een tijdelijke gevangenisstraf niet kan worden volstaan. De verdachte heeft het recht verspeeld zijn vrijheid te herkrijgen, daarvoor heeft hij inmiddels teveel onherstelbaar leed en verdriet op zijn geweten. De samenleving dient niet andermaal te worden blootgesteld aan het gevaar dat de verdachte in zich bergt. Van gronden voor clementie die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is niet gebleken.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] geboren op [geboortedatum] vordert een schadevergoeding van € 10.200,75 voor de moord op [slachtoffer] (feit 1 van parketnummer 810522-09).

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf de datum van de crematie van [slachtoffer], te weten 20 januari 2009.

8 Het beslag

8.1 De bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen, aangezien thans niemand als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 24c, 36f, 45, 57, 91, 287, 289, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 55, 56 en 60 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Parketnummer 610566-08:

Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

Parketnummer 810522-09:

feit 1, primair: Moord;

feit 2: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot vuurwapens van categorie II of III;

En

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot munitie van categorie II en III;

Parketnummer 800696-09:

feit 1: Poging tot moord

feiten 2, 3 en 4, primair: Telkens: Poging tot doodslag

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot levenslange gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

1 1.00 STK Tas Kl: geel

opdruk formido

3 Geld Euro’s waarde 922 euro

in pers.auto LG-TG-47 betreft allemaal 2 euro munten

9 1.00 STK Zak (verpakkingsmateriaal) Kl: TRANS

Aangetroffen in formidotas in LG-TG-47, inhoudend munt

10 Geld Euro’s waarde 8 euro

betreft 4 x 2 euro munten;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] geboren op [geboortedatum] van € 10.200, 75 en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf de datum van de crematie van [slachtoffer], te weten 20 januari 2009, tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; (BP.06)

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] geboren op [geboortedatum], € 10.200, 75 te betalen en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf de datum van de crematie van [slachtoffer], te weten 20 januari 2009, tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 86 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; (BP.04)

Dit vonnis is gewezen door mr. Alferink, voorzitter, mr. Volkers en mr. Lecluse-de Bruijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Tafazzul, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 oktober 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Parketnummer 610566-08:

hij op of omstreeks 11 juni 2008 te Breda met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een bedrijfspand (aan de Ginnekenweg [nr. 95] heeft

weggenomen een geldbedrag van ongeveer 50.000 Euro, in elk geval enig

geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer]

en/of de [werkgever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van (een) valse sleutel(s);

Parketnummer 810522-09:

1.

hij op of omstreeks 14 januari 2009 te Tilburg opzettelijk en met voorbedachten

rade (slachtoffer) van het leven heeft beroofd, immers heeft

verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen

een kogel in het hoofd van die [slachtoffer] geschoten, waardoor die [slachtoffer] is overleden;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 januari 2009 te Tilburg opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet

met een vuurwapen een kogel in het hoofd van die [slachtoffer] geschoten,

waardoor die [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2009 tot

en met 27 januari 2009 te Tilburg en/of Chaam en/of elders in Nederland een of

meer wapens van categorie II en/of III, te weten een geweer (dubbelloops

jachtgeweer, kaliber 12) en/of een pistool (Smith & Wesson, kaliber .45 ACP),

en/of munitie van categorie II en of III, te weten 98 patronen kaliber .45 ACP

en/of 2 patronen kaliber 12 (merk Brenneke) en/of 2 patronen kaliber 12 (merk

RC Italy, RC4 Special) en/of 25 patronen kaliber 12 (RC Prestige) en/of 2

hagelpatronen kaliber 12 (merk Fiocchi), voorhanden heeft gehad;

Parketnummer 800696-09:

1.

hij op of omstreeks 29 juni 2008 te Marseille (Frankrijk) ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten

rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en

rustig overleg, een vuurwapen heeft gericht op die [slachtoffer] en (vervolgens) met

dat vuurwapen een of meerdere kogels in de richting van die [slachtoffer] heeft

geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 29 juni 2008 te Marseille (Frankrijk) ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten

rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad

en rustig overleg, een vuurwapen op die [slachtoffer] heeft gericht en vervolgens met

dat vuurwapen een of meerdere kogels in de richting van die [slachtoffer] heeft

geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 29 juni 2008 te Marseille (Frankrijk) ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten

rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad

en rustig overleg, een vuurwapen heeft gericht op de auto waarin die [slachtoffer]

zich bevond en vervolgens met dat vuurwapen een of meerdere kogels in de

richting van die auto en die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op of omstreeks 29 juni 2008 te Marseille (Frankrijk) ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het

leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen een kogel in het lichaam van

die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 juni 2008 te Marseille (Frankrijk) aan [slachtoffer],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een schotwond in zijn

rechterbil/onderlichaam), (waardoor die [slachtoffer] zijn normale bezigheden niet

meer kan verrichten), heeft toegebracht, door opzettelijk met een vuurwapen

een kogel in het lichaam van die [slachtoffer] te schieten;