Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BK0858

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
30-09-2009
Datum publicatie
22-10-2009
Zaaknummer
AWB 08/3280
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat de geldleningen vanaf 2002 t/m 2004 onder zakelijke voorwaarden aan haar deelneming zijn verstrekt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat er ter zake van de geldleningen geen zekerheden zijn gesteld ondanks de halvering van de omzet van de deelneming vanaf 2002. Voorts is vastgesteld dat er geen rente is betaald door de deelneming en heeft zij, gelet op de lage resultaten vanaf 2002, ook niet aan haar aflossingsverplichtingen voldaan. De bepalingen omtrent de rente- en aflossingbetalingen zijn derhalve, naar het oordeel van de rechtbank, irreëel te noemen. Nu de rechtbank het niet aannemelijk acht dat belanghebbende dergelijke geldleningen onder dezelfde voorwaarden zou hebben verstrekt aan een willekeurige derde, heeft belanghebbende gelet op het voornoemde arrest bewust het debiteurenrisico aanvaard. Het voorgaande heeft tot gevolg dat het verlies van de geldleningen niet ten laste van de winst kan worden gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/3280

Uitspraakdatum: 30 september 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiseres] BV, statutair gevestigd te [plaats],

eiseres,

en

[de inspecteur van de belastingdienst/limburg,plaats]

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

2.1.De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2004 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van nihil. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 juni 2008 de aanslag gehandhaafd op nihil en een verlies vastgesteld van € 355.086.

2.2.Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 14 juli 2008, ontvangen bij de rechtbank op 15 juli 2008, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 288. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2009 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, haar gemachtigde [X], bijgestaan door [Y], verbonden aan [Z] te Eindhoven, alsmede namens de inspecteur, [naam]. De zaken met procedurenummer AWB 07/4461, 07/4462, 08/2906 en 08/3280 zijn tijdens de zitting gelijktijdig behandeld.

1.4.Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur. De rechtbank rekent deze tot de stukken van het geding.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.Belanghebbende is opgericht op 3 maart 2000 onder de naam [Q] B.V., welke naam per 10 oktober 2001 is gewijzigd in de huidige naam.

2.2.Belanghebbende heeft op 24 juli 2000 een belang [80%] verworven in [R], welk bedrijf zich bezighield met onder andere de aanleg van wegen en bestratingen. Daarnaast heeft belanghebbende een 100% belang verworven in [D]. Haar activiteiten bestonden uit het verbouwen en inrichten van telecommunicatie. Tot slot heeft belanghebbende een 100% belang verworven in [A], welk bedrijf zich bezighield met het geven van technische en bedrijfseconomisch adviezen inzake bouwwerkzaamheden en de aanleg van wegen en riolering.

2.3.Belanghebbende heeft in 2004 nog de volgende vorderingen op de deelneming [R] met betrekking tot de volgende geldleningen:

2002 € 150.000

2003 € 30.000

2004 € 140.000

Totaal € 320.000

2.4.Uit de overgelegde geldleningovereenkomsten tussen belanghebbende en [R] blijkt dat:

- er expliciet overeengekomen is dat er geen enkele zekerheid wordt verlangd;

- cessie van de vordering de toestemming behoeft van de schuldenaar;

- er niets geregeld is ingeval [R] failliet gaat of in betalingsonmacht geraakt;

- de aflossingen vinden plaats in tien halfjaarlijkse termijnen;

- de rente is verschuldigd per ultimo elk kalenderjaar;

- er geen rente wordt berekend over de verschuldigde (bijgeschreven) rente.

2.5.In het kader van het faillissement van de deelneming [R] in 2005 heeft belanghebbende de aan [R] verstrekte geldleningen afgewaardeerd met een bedrag van

€ 320.000.

2.6.Over de jaren 2004 en 2005 zijn er geen jaarrekeningen van [R] opgemaakt. In 2004 zou er verlies van ongeveer € 270.000 zijn geleden. Uit de jaarrekeningen 1999 t/m 2003 van [R] blijken de volgende cijfers:

1999 2000 2001 2002 2003

Omzet € 7.802.876 € 5.682.545 € 5.870.656 € 2.420.441 € 2.314.653

Kosten € 7.652.752 € 5.622.273 € 5.785.647 € 2.431.719 € 2.312.361

Winst/Verlies (voor Vpb) € 240.124 € 60.272 € 85.009 € 6.722 € 2.392

Netto Winst (na Vpb) € 105.152 € 26.272 € 38.355 € 4.383 € 871

Eigen vermogen € 482.343 € 508.966 € 547.332 € 551.705 552.577

2.7.De inspecteur is bij de vaststelling van de aanslag afgeweken van de ingediende aangifte, waarin belanghebbende is uitgegaan van een verlies van € 878.477. De inspecteur heeft het belastbaar bedrag vastgesteld op een bedrag van nihil.

2.8.Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 14 juni 2008, heeft de inspecteur de aanslag als volgt nader vastgesteld:

Aangegeven verlies: € 878.477

Af: correctie afschrijving gebouwen € 13.130

Bij: correctie afschrijving schilderijen,e.a. € 17.611

Bij: correctie afwaardering vordering € 320.000

Bij: correctie afwaardering deelneming € 199.910

Nader vastgesteld verlies € 355.086

2.9.De rechtbank heeft geconstateerd dat het voornoemde nader vastgestelde verlies

€ 354.086 in plaats van € 355.086 dient te bedragen. Nu deze fout in het voordeel van belanghebbende is gemaakt en verder niet in geschil is, blijft het vastgestelde verlies voor een bedrag van € 355.086 gehandhaafd.

3.Geschil

3.1.In geschil is het antwoord op de vraag of de afwaarderingen van de vorderingen op de Duitse deelneming [R] voor een bedrag van in totaal € 320.000 terecht zijn gecorrigeerd. Niet in geschil is dat er sprake is van geldleningen. Voorts is in geschil of de correctie afschrijving gebouwen terecht in het voordeel van belanghebbende is gecorrigeerd. Belanghebbende beantwoordt de vragen ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.2.Niet meer in geschil is de correctie met betrekking tot de afschrijving op de als inventaris geactiveerde schilderijen en sculpturen voor een bedrag van € 17.611 en de correctie met betrekking tot de afwaardering van een deelneming voor een bedrag van

€ 199.910.

3.3.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd ter zitting en in de van hen afkomstige stukken.

Belanghebbende

3.4.Belanghebbende heeft ter zitting aangevoerd dat de verstrekte geldleningen zakelijk zijn gelet op de volgende voorwaarden van de leningovereenkomsten:

- er is een rente van 4,5% bedongen en deze is volgens belanghebbende steeds ten laste van resultaat van de dochtermaatschappijen geboekt;

- de leningen zijn niet achtergesteld op vorderingen van andere crediteuren van de deelnemingen;

- er zijn omtrent de opeisbaarheid geen beperkingen in de overeenkomst opgenomen. Indien de verplichtingen uit de overeenkomsten niet worden nagekomen, zijn de leningen evenwel direct en volledig opeisbaar;

- er is niet verzocht om zekerheid, aangezien er voldoende eigen vermogen aanwezig was.

3.5.Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat de deelneming [R] als gevolg van de problemen in de ICT-branche zelf ook uiteindelijk in bedrijfseconomische problemen is geraakt, maar hierdoor echter niet failliet is gegaan. De oorzaak hiervan is gelegen in een juridisch geschil met de bouwfirma [C]. Volgens belanghebbende is er geen sprake van verliesfinanciering, nu de deelneming nog hoge omzetten heeft behaald in de jaren 2002 t/m 2003 en de deelneming over een hoog eigen vermogen beschikte over de betreffende jaren.

3.6.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vaststelling van het verlies op een bedrag van € 660.000 (€ 878.477 -/- € 17.611 -/- € 199.910).

Inspecteur

3.7.Volgens de inspecteur zijn de leningen onzakelijk, en wel om volgende redenen:

- er zijn geen zekerheden gesteld, hetgeen tussen willekeurige derden gebruikelijk is;

- in de geldleningovereenkomsten staat vermeld dat de kredietwaardigheid de basis heeft gevormd voor het aangaan van de lening;

- gelet op de lage resultaten in 2002, 2003 en het verlies in 2004, kan belanghebbende niet aan haar aflossingsverplichtingen voldoen en wordt er geen rente betaald;

- de aflossings- en rentebepalingen zijn non-condities en derhalve irreëel te noemen;

- door deze handelswijze en condities heeft belanghebbende een debiteurenrisico geschept dat een willekeurige derde nooit zal nemen en uitsluitend in het aandeelhoudersbelang is gelegen.

3.8.De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.In het arrest van 9 mei 2008, nr. 43.849 (BNB 2008/191) heeft de Hoge Raad als volgt beslist:

“ Indien en voor zover een geldlening door een vennootschap aan een aandeelhouder plaatsvindt onder zodanige voorwaarden en omstandigheden dat daarbij door die vennootschap een debiteurenrisico wordt gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, moet – behoudens bijzondere omstandigheden – ervan worden uitgegaan dat die vennootschap dat debiteurenrisico in zoverre heeft aanvaard met de bedoeling het belang van haar aandeelhouder in die hoedanigheid te dienen. Een eventueel verlies op de geldlenig kan in zoverre niet in mindering op de winst van die vennootschap worden gebracht.”

4.2.De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de geldleningen onder zakelijke voorwaarden aan de Duitse deelneming [R] zijn verstrekt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat er ter zake van de geldleningen geen zekerheden zijn gesteld ondanks dat de omzetten van [R] vanaf 2002 met 50% zijn gedaald. Voorts is er, zoals de inspecteur onweersproken heeft gesteld, geen rente betaald door [R]. Gelet op de enorme omzetdalingen vanaf 2002, moet duidelijk zijn geweest dat [R] ook niet aan haar aflossingsverplichtingen zou kunnen voldoen, zoals overeengekomen in de overeenkomsten van geldlening. De bepalingen omtrent de rente- en aflossingbetalingen zijn derhalve, naar het oordeel van de rechtbank, irreëel te noemen. Nu de rechtbank het niet aannemelijk acht dat belanghebbende dergelijke geldleningen onder dezelfde voorwaarden zou hebben verstrekt aan een willekeurige derde, heeft belanghebbende gelet op het voornoemde arrest bewust het debiteurenrisico aanvaard. Het voorgaande heeft tot gevolg dat het verlies van de geldleningen niet ten laste van de winst kan worden gebracht. Het gelijk is in zoverre aan de inspecteur.

4.3.Nu belanghebbende geen procesbelang heeft bij de in het voordeel van belanghebbende genomen correctie afschrijving op gebouwen, faalt deze grief.

4.4.Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr.drs. G.H.C. Blommers, voorzitter, mr. W. Brouwer en mr.drs. M.G.J.M. van Kempen, rechters, en door mr. W. Brouwer in afwezigheid van de voorzitter en mr. M.H. van Heel, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 14-10-2009

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.