Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BK0184

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23-09-2009
Datum publicatie
15-10-2009
Zaaknummer
08/1939
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BPM voor kampeerauto; Besluit 12 september 2006, nr. CPP2006/1980M.

In geschil is of de draaiplateaus onder de voorstoelen zijn aangebracht vanwege de functie als kampeerauto en dus niet meetellen voor de BPM. De rechtbank oordeelt dat het Besluit beoogt een objectieve norm te geven voor het buiten de heffing laten van recreatieve voorzieningen. Draaiplateaus zijn voorzieningen die, objectief gezien, niet specifiek het recreatieve doel van de auto dienen maar die evenzeer voorkomen bij gelijksoortige bestelauto’s die niet als kampeerauto zijn ingericht. Zij vallen dan niet onder de tegemoetkoming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-2262
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/1939

Uitspraakdatum: 23 september 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiseres] BV, gevestigd te [plaatsnaam],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Venlo,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 13 maart 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen het op aangifte voldane bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) met betrekking tot het motorvoertuig met kenteken [kenteken] (tijdvak oktober 2007).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2009 te Breda. De zaken met procedurenummers AWB 08/1939 tot en met 08/1944 zijn daarbij gezamenlijk behandeld. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, in de persoon van haar directeur, [naam], alsmede namens de inspecteur, [namen].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende verkoopt onder meer nieuwe en gebruikte kampeerauto’s. Zij importeert deze voornamelijk vanuit Duitsland. Ter zake van de registratie van een nieuwe kampeerauto, merk Ford, type Transit, met kenteken [kenteken] heeft belanghebbende over het tijdvak oktober 2007 aangifte gedaan voor de BPM. De douane heeft de verschuldigde BPM op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) vastgesteld. De douane heeft de BPM vastgesteld met inbegrip van de tijdens de registratie in het voertuig aanwezige draaiplateaus onder de bestuurders- en bijrijderstoel (hierna: het draaiplateau), waarvan de cataloguswaarde € 550 is en die zijn aangebracht door de fabrikant.

2.2.Belanghebbende het vastgestelde bedrag op aangifte voldaan. Tegen deze voldoening op aangifte heeft belanghebbende bezwaar gemaakt.

2.3.In geschil tussen partijen is of het draaiplateau dient te worden meegenomen in de maatstaf van heffing voor de BPM.

2.4.De voor het onderhavige geschil relevante regelgeving luidt, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 9 Wet BPM

4. Onder catalogusprijs wordt verstaan de in Nederland door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs welke naar zijn inzicht bij verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. In die geadviseerde verkoopprijs is de belasting van personenauto's en motorrijwielen zelf niet begrepen. Is een zodanige prijs niet bekend, dan wordt hij door vergelijking bepaald.

9. Wanneer een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto een bijzondere uitvoering heeft of is voorzien van extra toebehoren, wordt de waarde daarvan in de catalogusprijs begrepen, uitgezonderd de waarde van voorzieningen die niet zijn aangebracht door of namens de fabrikant of de importeur.

Leidraad BPM 2006, hierna te noemen Leidraad (verder: de tegemoetkoming)

gepubliceerd bij Besluit van de Minister van Financiën van 12 september 2006, nr. CPP2006/1980M, Stcrt. 2006, 185

A. Goedkeuring

Een kampeerauto heeft twee functies. Enerzijds dient hij voor het vervoer van personen. Anderzijds heeft hij een recreatieve functie, die vergelijkbaar is met die van tenten en caravans. Goedgekeurd is dat de BPM voor kampeerauto's die voldoen aan de onder B genoemde eisen, niet wordt berekend over dat deel van de catalogusprijs dat is toe te rekenen aan de recreatieve functie.

(…)

C. Vaststellen maatstaf van heffing

Gesloten bestelauto, ingericht als kampeerauto

Als een gesloten bestelauto wordt ingericht als kampeerauto die voldoet aan de onder B genoemde voorwaarden, wordt de BPM berekend over de catalogusprijs van die bestelauto.

Van een bestelauto afgeleide kampeerauto

Als een gesloten bestelauto wordt gebruikt als basis voor een qua wielbasis van die bestelauto afwijkende kampeerauto, of als een kampeerauto is afgeleid van een ander soort auto (bijvoorbeeld een chassis-cabine) en die voldoet aan de onder B genoemde voorwaarden, wordt de BPM berekend over de catalogusprijs van een zoveel mogelijk met de verkregen kampeerauto vergelijkbare gesloten bestelauto. Daarbij wordt achtereenvolgens rekening gehouden met:

- het merk en type van de gebruikte auto of chassis-cabine,

- het motortype (diesel, benzine, cilinderinhoud, aantal kW),

- de wielbasis van de kampeerauto.

Als de wielbasis van de verkregen kampeerauto afwijkt van de wielbasis van de vergelijkbare bestelauto of chassis-cabine, wordt uitgegaan van de vergelijkbare auto met de in centimeters meest nabij gelegen wielbasis die de feitelijke wielbasis van de kampeerauto niet te boven gaat.

2.5.Niet in geschil tussen partijen is dat het draaiplateau door de fabrikant is aangebracht. Tussen partijen is uitsluitend in geschil hoe de tegemoetkoming moet worden toegepast.

2.6.Belanghebbende heeft gesteld dat het aanbrengen van het draaiplateau in dit geval alleen is geschied om de bestelauto bruikbaar te maken als kampeerauto en dat de waarde daarvan is toe te rekenen aan de recreatieve functie en dus, gezien de tekst van de tegemoetkoming, buiten de grondslag van de heffing moet blijven.

2.7. Het draaiplateau is door de fabrikant aangebracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur in zoverre terecht, gelet op de tekst van artikel 9, negende lid, Wet BPM, de waarde van het draaiplateau voor de heffing van BPM in de cataloguswaarde begrepen. De rechtbank is van oordeel dat een redelijke uitleg van de tegemoetkoming niet leidt tot een interpretatie als door belanghebbende wordt verdedigd. De rechtbank leidt uit de tekst van de tegemoetkoming af dat is gepoogd een objectieve norm te geven voor het buiten de heffing laten van recreatieve voorzieningen. Voorzieningen die, objectief gezien, niet specifiek het recreatieve doel van de auto dienen maar die evenzeer voorkomen bij gelijksoortige bestelauto’s die niet als kampeerauto zijn ingericht, vallen dan niet onder de tegemoetkoming. Ter zitting heeft de inspecteur onbestreden gesteld dat ook bestelauto’s die niet zijn ingericht als kampeerauto soms worden voorzien van een draaiplateau, bijvoorbeeld bestelauto’s van werklieden die zo gemakkelijk hun gereedschap achter de stoelen kunnen bereiken. Belanghebbende heeft bovendien erkend dat het draaiplateau ook wel in bestelauto’s wordt gemonteerd om voor minder valide personen het in - en uitstappen te vergemakkelijken. Gelet hierop is het draaiplateau niet specifiek bedoeld om de recreatieve doelstellingen van de tot kampeerauto omgebouwde (bestel)auto te dienen en valt het niet onder de tegemoetkoming.

2.8.Voor dat geval stelt belanghebbende dat er ten onrechte onderscheid wordt gemaakt voor de heffing van BPM of de fabrikant of een dealer het draaiplateau aanbrengt in de bestelauto.

2.8.1.De rechtbank stelt voorop dat zij de juistheid van een wettelijke regeling in beginsel niet mag beoordelen. Gelet op artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb 1822, 10 en Stb 1829, 28), dient de rechter volgens de wet recht te spreken en mag de rechter in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen.

2.8.2. De rechter kan echter wel beoordelen of een Wet in strijd is met Internationale verdragen. De stelling van belanghebbende komt er op neer dat de Wet in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling dat is vastgelegd in artikel 14 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) of artikel 26 van het Internationale verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

2.8.3.Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een met artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR strijdige ongelijke behandeling, moet worden vooropgesteld dat die bepalingen niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Hierbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398). Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is (EHRM 10 juni 2003, nr. 27 793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003/52.2).

2.8.4.De onderhavige bepaling is blijkens de geschiedenis van haar totstandkoming (MvA, Kamerstukken II 1992/93, 22 868, nr. 7, blz. 16-17.) overgenomen van de gelijke bepaling uit Wet Bijzondere verbruiksbelasting. Uit de wetsgeschiedenis blijkt ook dat het achteraf aanbrengen van accessoires zoals stuurbekrachtiging, elektrische raambediening en dergelijke veelal duurder is dan wanneer zij tijdens het productieproces door de fabrikant worden aangebracht, zodat per saldo geen financieel voordeel wordt verkregen. Niet is gesteld of gebleken dat dat bij het draaiplateau anders is. Blijkbaar heeft de wetgever geoordeeld dat gezien de prijsverschillen, de situatie waarbij accessoires door de fabrikant worden aangebracht niet gelijk is aan de situatie dat deze door anderen worden aangebracht. Met dat oordeel, dat niet van redelijke grond ontbloot is, is de wetgever gebleven binnen de hiervoor bedoelde ruime beoordelingsmarge. De stelling van belanghebbende kan niet worden gevolgd.

2.9.Al het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het gelijk is aan de inspecteur.

2.10.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en door deze en mr. M. Jansen, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 2/10/2009

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.