Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BK0006

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
13-10-2009
Zaaknummer
08/3900
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-2251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/3900

Uitspraakdatum: 1 april 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiseres], wonende te [plaatsnaam] (België),

eiseres,

en

de ontvanger van de Belastingdienst Oost-Brabant/kantoor Tilburg,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder ontvanger.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2000 een aanslag recht van schenking opgelegd ten bedrage van € 41.332 wegens verkrijging uit schenking van € 87.125 van [Y] (aanslagnummer [nummer]), alsmede bij beschikking een boete van € 20.666. Belanghebbende heeft het verschuldige bedrag niet betaald.

1.2.Belanghebbende heeft, ingevolge artikel 6:12 van de Awb, op 18 juni 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de fictieve weigering van de inspecteur om uitspraak te doen op haar bezwaar tegen de aanslag recht van schenking over het jaar 1999. Na het instellen van beroep door belanghebbende en het indienen van een verweerschrift door de inspecteur, heeft de inspecteur op 11 oktober 2007 alsnog uitspraak op bezwaar gedaan. In deze uitspraak op bezwaar is de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gegaan.

1.3.Met toepassing van artikel 10, lid 1, letter e en artikel 15 van de Invorderingswet 1990 (hierna: Invorderingswet) is op 16 april 2008 een dwangbevel uitgevaardigd. De akte van betekening is op 17 april 2008 aangetekend verzonden. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (hierna: Kostenwet), is een bedrag van € 4.163 betekeningskosten in rekening gebracht.

1.4.Belanghebbende heeft bij brief van 5 mei 2008 bezwaar gemaakt tegen de aan haar in rekening gebrachte betekeningskosten.

1.5.Bij brief van 22 augustus 2008, ontvangen bij de rechtbank op 25 augustus 2008 tekent belanghebbende beroep aan tegen het niet doen van uitspraak door de ontvanger.

1.6.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2009 te Breda. Tijdens deze zitting zijn daarbij gezamenlijk behandeld de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de procedurenummers 07/2562, 07/2563, 08/3900, 08/3901 en 09/166. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbendes gemachtigden [namen], verbonden aan Jaeger Advocaten Belastingkundigen te Amsterdam, alsmede namens de inspecteur, [namen].

1.8.Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

Het uitstel voor het betalen van de aanslagen schenkingsrecht over 1999 en 2000 en de daarbij vastgestelde boetes is op 17 oktober 2007 ingetrokken. Belanghebbende heeft na 17 oktober 2007 niet opnieuw om uitstel van betaling voor deze aanslagen verzocht.

3.Geschil

3.1.In geschil is of terecht betekeningskosten van € 4.163 in rekening zijn gebracht en of het dwangbevel rechtmatig aan belanghebbende is uitgevaardigd. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de ontvanger bevestigend.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daar ter zitting aan hebben toegevoegd verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vermindering van de betekeningskosten tot nihil. De ontvanger concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.Vaststaat dat de ontvanger niet binnen de in artikel 7:10, eerste lid Awb gestelde termijn uitspraak op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft gedaan noch binnen die termijn belanghebbende heeft meegedeeld dat hij de termijn waarin hij uitspraak zal doen heeft verlengd. In zoverre is het beroep derhalve gegrond. Nu belanghebbende de rechtbank heeft verzocht om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op het bezwaar te beslissen zal de rechtbank de zaak zelf afdoen.

4.2.Ter zake van het in rekening brengen van kosten van het verrichten van werkzaamheden voor de invordering van bedragen door de zorg van een inzake de rijksbelastingen bevoegde ambtenaar op grond van de bepalingen van de hier van toepassing zijnde Kostenwet, geldt als voorwaarde dat belanghebbende in de gelegenheid is geweest om kennis te nemen van zijn belastingschuld en de mogelijkheid heeft gehad deze te voldoen. Niet in geschil is dat belanghebbende heeft kennisgenomen van de aanslagen en beschikkingen, deze heeft kunnen voldoen en het verschuldigde niet heeft betaald. Belanghebbenden is derhalve in gebreke gebleven het verschuldigde tijdig te betalen als bedoeld in artikel 1 van de Kostenwet. Gesteld noch gebleken is dat de betekeningskosten niet in overeenstemming zijn met het bepaalde in de Kostenwet. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de beschikking betekeningskosten dan terecht en tot een juist bedrag is vastgesteld. De beschikking moet daarom in bezwaar worden gehandhaafd.

4.3.Voor zover belanghebbende klaagt dat de uitvaardiging van het dwangbevel in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is, overweegt de rechtbank dat dit een invorderingskwestie betreft. In zoverre staat geen beroep bij de belastingkamer van de rechtbank open. Dit aangezien het besluit tot uitvaardiging geen besluit als bedoeld in artikel 26 van de AWR is. Ingevolge artikel 17 van de Invorderingswet staat tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel verzet open bij de civiele rechter.

4.4.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep tegen het niet doen van uitspraak gegrond, maar wordt de beschikking gehandhaafd.

5.Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de ontvanger te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De zaken met de procedurenummers 08/3900 en 08/3901 beschouwt de rechtbank als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). Voor een veroordeling in de kosten van bezwaar ziet de rechtbank geen aanleiding nu de beschikking betekeningskosten wordt gehandhaafd en derhalve een onrechtmatig besluit als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb ontbreekt.

Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). De rechtbank zal in deze zaak en in de zaak met procedurenummer 08/3901 een proceskostenvergoeding toekennen van (€ 644 : 2 =) € 322.

6.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-handhaaft de beschikking betekeningskosten; en

-veroordeelt de ontvanger in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 322 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden.

Aldus gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, en door de voorzitter en mr. M.S.J. Pijnenburg- Braspenning, griffier ondertekend.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.