Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ9996

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
13-10-2009
Zaaknummer
07/2563
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/2563

Uitspraakdatum: 1 april 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiseres], wonende te [plaatsnaam] (België),

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Oost-Brabant/kantoor Tilburg,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2000 een aanslag recht van schenking opgelegd ten bedrage van € 41.332 wegens verkrijging uit schenking van € 87.125 van [Y] (aanslagnummer [nummer]), alsmede bij beschikking een boete van € 20.666.

1.2.Belanghebbende heeft hiertegen bij brief van 30 november 2005, bij de inspecteur ingekomen op 1 december 2005, bezwaar gemaakt.

1.3.Belanghebbende heeft, ingevolge artikel 6:12 van de Awb, op 18 juni 2007 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de fictieve weigering van de inspecteur om uitspraken te doen op haar bezwaar.

1.4. Na het instellen van beroep door belanghebbende en het indienen van een verweerschrift door de inspecteur, heeft de inspecteur op [datum] 2007 alsnog in één geschrift uitspraken op bezwaar gedaan en de aanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.5.Het beroep wordt, ingevolge artikel 6:19, lid 1 van de Awb, geacht mede te zijn gericht tegen de uitspraken op bezwaar.

1.6.Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2009 te Breda. Tijdens deze zitting zijn daarbij gezamenlijk behandeld de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de procedurenummers 07/2562, 07/2563, 08/3900, 08/3901 en 09/166. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbendes gemachtigden [namen], verbonden aan Jaeger Advocaten Belastingkundigen te Amsterdam, alsmede namens de inspecteur, [namen].

1.8.Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. Belanghebbende heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij de pleitnota van de inspecteur behorende bijlagen. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.Belanghebbende, [geboren op datum] 1969, is ongehuwd en moeder van een kind geboren op [datum] 2001. Belanghebbende heeft sinds februari 1998 geen eigen inkomen meer gehad.

2.2.Vanaf [datum] 1997 woont belanghebbende op het adres [adres] te [plaatsnaam]. Volgens het bevolkingsregister woonde belanghebbende daar van [datum] 1999 tot en met [datum] 2003 samen met [Y] (hierna [Y]). [Y] was gedurende de periode [datum] 1998 tot [datum] 2000 gedetineerd. Vanaf [datum] 1999 had [Y] regelmatig weekend verlof en van [datum] 1999 tot [datum] 2000 had [Y] electronisch toezicht. Op [datum] 2000 is [Y] in vrijheid gesteld. Op [datum] 2000 is [Y] in preventieve hechtenis genomen.

2.3.Op [datum] 2003 verhuisde belanghebbende naar de het adres [adres] te [plaatsnaam] (België). [Y] vertrekt op 28 oktober 2003 uit [plaatsnaam], zonder een adres achter te laten.

2.4.In de maand september 1999 is door een onderzoeksteam van de Politie Haaglanden onderzoek gedaan naar de criminele organisatie die XTC pillen produceerde en verhandelde. In dat kader is een strafrechtelijk onderzoek geopend tegen [Y], waaruit is gebleken, dat [Y] leiding gaf aan een criminele organisatie, welke zich onder andere bezighield met het vervaardigen en verkopen van XTC pillen. Op [datum] 2001 is [Y], die op [datum] 2000 was aangehouden, door de Rechtbank te 's-Gravenhage schuldig bevonden aan een aantal strafbare feiten. In hoger beroep is [Y] op 12 april 2002 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage eveneens schuldig bevonden aan een aantal strafbare feiten. [Y] heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. [Y] is op [datum] 2004 (voordat de Hoge Raad arrest had gewezen) geliquideerd te [plaatsnaam] (België).

2.5.Op 26 januari 2001 is door de rechter-commissaris machtiging verleend tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: het sfo) tegen [Y] en belanghebbende. Uit het sfo is gebleken, dat [Y] voorafgaand aan en tijdens het sfo samenwoonde met belanghebbende. Door belanghebbende werd verklaard, dat zij geen eigen inkomsten had en dat zij geld kreeg van [Y]. Met dat geld was belanghebbende volgens haar verklaring in staat dure gebruiksgoederen, zoals auto's, en een woonhuis in België te kopen. Uitgaven voor het gezamenlijke huishouden met [Y] werden betaald via bankrekeningen van belanghebbende.

2.6.Uit het proces-verbaal van het sfo blijkt, dat op 8 juli 2002 door de officier van justitie is besloten tot niet verdere vervolging van belanghebbende, die op [datum] 2000 was aangehouden als verdachte van heling. Het tegen haar gerichte sfo is dientengevolge met ingang van 8 juli 2002 gesloten. Na sluiting van het sfo tegen belanghebbende zijn er geen onderzoeken meer gedaan in dat kader.

2.7.Tijdens het sfo zijn onder andere afschriften van ten name van belanghebbende staande Belgische en Nederlandse bankrekeningen aangetroffen (hierna: de bankrekeningen). Op de bankrekeningen zijn in de jaren 1999 en 2000 contante stortingen gedaan ad in totaal

ƒ 81.787 (in 1999) en ad in totaal ƒ 192.000 (in 2000).

2.8.De inspecteur heeft op 26 april 2004 twee navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 1999 en 2000 opgelegd aan belanghebbende waarbij hij de onder 2.7 vermelde bedragen heeft aangemerkt als inkomsten uit andere arbeid. Deze aanslagen zijn door Hof ’s-Hertogenbosch bij uitspraken van 8 april 2008, nr. 06/00160 (1999) en 06/00161 (2000) vernietigd. Tegen de uitspraken van het Hof is geen beroep in cassatie ingesteld. Op 23 november 2005 heeft de inspecteur dezelfde bedragen aangemerkt als schenkingen van [Y] aan belanghebbende en twee aanslagen schenkingsrecht opgelegd met een boete van 50% van de verschuldigde belasting.

3.Geschil

3.1.In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag recht van schenking en de boete terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

3.2.Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daar ter zitting aan hebben toegevoegd verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, de aanslag en de boete. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

4.1In de periode 1999 en 2000 was [Y] het grootste gedeelte van de tijd gedetineerd. Niet in geschil is dat [Y] en belanghebbende reeds daarvoor (en ook daarna) een gezamenlijke huishouding voerden, die voor zover mogelijk ook over de periode 1999 en 2000 is voortgezet. Uit deze relatie is in 2001 een kind geboren. In de periode dat [Y] gedetineerd was bracht hij zijn weekendverlof bij belanghebbende door in hun gezamenlijke woning. Ook toen hij onder electronisch toezicht stond verbleef hij samen met belanghebbende in het door hen gehuurde huis.

4.2In verband met die gezamenlijke huishouding verstrekte [Y] met enige regelmaat gelden aan belanghebbende om de huur, gas elektra en andere lopende zaken te kunnen betalen. Eerder verklaarde de inspecteur niet te weten waar het geld vandaan kwam. In zijn brief van 10 juli 2006 oppert hij de mogelijkheid dat belastingplichtige inkomsten heeft genoten uit een voor hem onbekende bron. In zijn brief van 14 augustus 2006 acht de inspecteur niet aannemelijk dat de gelden van [Y] afkomstig zijn omdat hij in die periode was gedetineerd. Ter zitting is echter gebleken dat ook de inspecteur nu aannemelijk acht dat de gelden die zijn gestort op de onder 2.7. vermelde rekeningen van [Y] afkomstig zijn.

4.3Voor het aannemen van een schenking dient aan de volgende eisen te zijn voldaan: verarming van de schenker, verrijking van de begiftigde en een bevoordelingsbedoeling. Uit de stukken blijkt dat de bedragen die op de bankrekening zijn gestort zijn gebruikt voor het gemeenschappelijk huishouden van belanghebbende en [Y] (blz. 15 sfo) en dat daarvan onder meer de huur voor de woning van belanghebbende en [Y] werd betaald. De rechtbank hecht geloof aan het betoog van belanghebbende dat [Y] de op deze rekening gestorte gelden heeft verstrekt ter bekostiging van de huishouding. De inspecteur leidt uit de hoogte van de betaalde bedragen af dat dit schenkingen zijn geweest van [Y] aan belanghebbende ‘als zekerheid voor later’. Gezien het milieu waarin belanghebbende en [Y] verkeerden, de bedragen die daarin omgingen (in het sfo is het door [Y] verkregen wederrechtelijk voordeel berekend op € 1.220.561) en de luxueuze levensstijl waarvan melding wordt gemaakt op onder meer pagina 23 van het sfo, acht de rechtbank aannemelijk dat voor [Y] een bedrag aan huishoudelijke uitgaven van ƒ 192.000 op jaarbasis niet abnormaal hoog was. Daaraan doet niet af dat het bedrag in 2000 aanmerkelijk hoger was dan dat in 1999: in 2000 was [Y] immers – in tegenstelling tot het jaar 1999 - het grootste deel van het jaar thuis en zullen de kosten van de gezamenlijke huishouding reeds daardoor ook hoger zijn geweest dan in 1999. Aannemelijk is dan ook dat [Y] deze gelden heeft verstrekt om belanghebbende in staat te stellen om de gezamenlijke huishouding overeenkomstig hun plaats in de samenleving te kunnen voeren. Uit niets is gebleken dat [Y] met die gelden belanghebbende heeft willen bevoordelen. De inspecteur heeft dit ook op geen enkele manier aannemelijk gemaakt. Het feit dat de bedragen in de ogen van de inspecteur hoog zijn en het gegeven dat belanghebbende eraan overhield, acht de rechtbank onvoldoende voor de conclusie dat sprake is geweest van een bevoordelingsbedoeling. Niet van belang is dat de gelden die belanghebbende heeft ontvangen wellicht afkomstig waren uit een misdrijf.

4.4.Het primaire standpunt van de inspecteur wordt derhalve afgewezen. Voor dit geval heeft de inspecteur zich ter zitting op interne compensatie beroepen en gesteld dat [Y] de koopsom voor de BMW Cabrio ter grootte van ƒ 153.210 aan belanghebbende heeft geschonken. Belanghebbende heeft onderhandeld over de aanschaf van de auto en na aankoop is het kenteken op naam gesteld van [naam], de stiefmoeder van belanghebbende. Dit zijn voor de inspecteur aanwijzingen dat de auto eigendom is van belanghebbende en dat daarmee sprake is van een schenking.

4.5.Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de kosten voor aanschaf van de auto tot de normale kosten van de huishouding behoren en dat deze auto diende ter vervanging van een eerder verkochte Mercedes en ook deels uit die opbrengst is gefinancierd. Daarnaast betoogt belanghebbende (ter zitting) dat zij geen eigenaar is geworden van de auto maar dat de auto economisch gezien eigendom was van [Y] en dat de auto op naam van haar moeder werd gesteld vanwege de ongewisse situatie waarin [Y] en belanghebbende verkeerden, dat de tenaamstelling van het kentekenbewijs geen bewijs van eigendom is en de omstandigheid dat zij de onderhandelingen bij aanschaf heeft gevoerd niet meebrengt dat zij ook eigenaar is geworden.

4.6.De Rechtbank is van oordeel dat het er niet toe doet wie eigenaar is geworden van de auto. Gezien de levensstandaard van belanghebbende en [Y] is de aanschaf van de auto onder de voor hen normale kosten van de huishouding te rangschikken. De inspecteur heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat [Y] belanghebbende heeft beoogd te bevoordelen met de aanschaf van die auto. De rechtbank acht, gezien de onderlinge relaties en het criminele milieu waarin belanghebbende en [Y] blijkbaar verkeerden, niet aannemelijk dat belanghebbende bij verbreking van de relatie de auto zou hebben meegekregen. Veeleer is aannemelijk dat belanghebbende als onderhandelaar en haar stiefmoeder als degene op wier naam de auto is gesteld naar voren zijn geschoven in verband met de detentie en dreiging van strafrechtelijke sancties die [Y] boven het hoofd hingen. Van een verrijking van belanghebbende, een verarming van [Y] en een bevoordelingsbedoeling is dan ook niet gebleken.

4.7.Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5.Proceskosten

5.1.De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De zaken met de procedurenummers 07/2562 en 07/2563 beschouwt de rechtbank als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).

5.2.Belanghebbende heeft verzocht om een integrale kostenvergoeding vanwege de onbehoorlijke processuele opstelling van de inspecteur. In beginsel dient voor de hoogte daarvan te worden aangesloten bij de normering in het Besluit maar onder bijzondere omstandigheden kan daarvan worden afgeweken.

Voor wat betreft de aanslag:

5.2.1.De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de inspecteur de onderhavige aanslag bewust in strijd met het recht heeft opgelegd. Uit dien hoofde is er derhalve geen reden voor afwijking van het Besluit.

5.2.2.Belanghebbende heeft bij brief van 1 juni 2007 verzocht om spoedig uitspraken op bezwaar te doen. De wettelijke termijn voor het doen van uitspraak was toen reeds ruimschoots verstreken. De inspecteur heeft ter zitting aangegeven dat hij met de uitspraken heeft gewacht omdat hij anders belanghebbende niet meer op grond van artikel 47 AWR kon verplichten informatie te verstrekken. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur, door aldus bewust de wettelijke termijn voor het doen van uitspraken aan zijn laars te lappen, niet behoorlijk heeft gehandeld. Voor zover belanghebbende door deze handelwijze van de inspecteur meer kosten heeft gemaakt dan zij zou hebben gemaakt indien tijdig uitspraak was gedaan, acht de rechtbank - in afwijking van het besluit - een integrale kostenvergoeding op zijn plaats. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende extra kosten heeft moeten maken voor de brieven van de gemachtigde van 1 juni, 11 juni en 5 juli 2007 aan de belastingdienst en van 5 juli 2007 aan het arrondissementsparket en eventuele met die brieven samenhangende besprekingen.

5.2.3.De verzoeken van de inspecteur aan de rechtbank om de zaken aan te houden totdat het Gerechtshof in Den Bosch over de inkomstenbelastingzaak had beslist, acht de rechtbank op zichzelf niet onrechtmatig. De daaruit voor belanghebbende voortvloeiende (extra) kosten vallen derhalve onder het forfait van het Besluit.

5.2.4.De rechtbank is van oordeel dat het procesverloop in de beroepsfase ook overigens geen integrale vergoeding of hogere vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand dan die volgens het Besluit rechtvaardigt.

Voor wat betreft de boete

5.2.5.Vaststaat dat de inspecteur de onderhavige betalingen zowel heeft belast als inkomsten uit andere arbeid als als schenkingen. Blijkbaar achtte ook de inspecteur niet duidelijk wat de fiscale aard (zo daarvan al sprake was) van de bedragen was. De inspecteur moet dan van meet af aan hebben beseft dat belanghebbende, door de bedragen niet als schenkingen aan te geven, op zijn minst een pleitbaar standpunt innam zodat er geen reden was voor het opleggen van een boete. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur, door desalniettemin een boete op te leggen, niet behoorlijk heeft gehandeld en dat dit een integrale vergoeding rechtvaardigt van de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand die belanghebbende heeft gemaakt voor het bezwaar en beroep tegen de boete.

5.2.6.De rechtbank zal belanghebbende in de gelegenheid stellen de onder 5.2.2 en 5.2.5 vermelde kosten nader te specificeren en de beslissing over de proceskostenvergoeding aanhouden.

6.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar, de aanslag en de boete;

-gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt; en

-houdt de beslissing over de proceskosten aan.

Aldus gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, en door de voorzitter ondertekend. De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.