Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ9877

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
13-08-2009
Datum publicatie
09-10-2009
Zaaknummer
08 / 4283 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft het recht op ZW-uitkering voor de werknemer van eiseres geweigerd omdat het (nodig) hebben van een voorziening, in casu orthopedische schoenen, op grond van artikel 35 van de Wet WIA geen aanspraak op de no risk polis artikel 29b van de ZW doet ontstaan. Overgangsrecht Wet REA niet van toepassing. De wetgever heeft met het vervallen van de Wet REA en de invoering van de WIA bewust gekozen om een beperkter aantal doelgroepen onder werking van de no risk polis te laten vallen dan het geval was toen de term arbeidsgehandicapte daarvoor leidend was. Beroepen op vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel kunnen evenmin slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 08 / 4283 ZW

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

Audi Centrum Tilburg B.V.,

gevestigd te Tilburg, eiseres,

gemachtigde [naam persoon],

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Zwolle),

verweerder.

1. Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 augustus 2008 (bestreden besluit), inzake de weigering van een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) aan een werknemer van eiseres, [naam persoon] (werknemer).

Werknemer heeft toestemming verleend voor kennisneming van medische gegevens door eiseres.

Het beroep is behandeld ter zitting van 18 juni 2009, waarbij namens eiseres haar gemachtigde en mr. W.F. van den Beld (kantoorgenoot van gemachtigde) aanwezig was en namens verweerder [naam persoon]. Werknemer is niet verschenen.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Werknemer is vanaf 1 november 1995 werkzaam geweest bij autobedrijf Van Mossel Valkenswaard B.V.

Bij besluit van 2 november 2007 heeft verweerder aan werknemer een persoonlijke voorziening toegekend bestaande in een vergoeding van de kosten van orthopedische werkschoenen omdat werknemer structureel functionele beperkingen heeft die deze voorziening in het werk noodzakelijk maken.

Met ingang van 1 april 2008 is werknemer een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan met eiseres.

Op 3 april 2008 heeft werknemer zich ziek gemeld en heeft eiseres voor haar werknemer een ZW-uitkering aangevraagd. In de ziekteaangifte geeft eiseres aan dat werknemer arbeidsgehandicapt of structureel functioneel beperkt is, omdat hij in aanmerking komt voor een voorziening voor behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid.

Bij primair besluit van 29 april 2008 heeft verweerder geweigerd per 3 april 2008 uitkering krachtens de ZW toe te kennen. Daartoe heeft verweerder overwogen dat werknemer niet arbeidsgehandicapt was toen hij dienst trad bij zijn werkgever.

Op 21 mei 2008 heeft eiseres tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Op 31 juli 2008 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres met een gewijzigde motivering ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder, zakelijk weergegeven, overwogen dat weliswaar sprake is van een dienstbetrekking bij een nieuwe werkgever, maar dat het recht op ZW-uitkering moet worden geweigerd omdat het (nodig) hebben van een voorziening op grond van artikel 35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geen aanspraak op de no risk polis van de ZW doet ontstaan.

2.2 Eiseres heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat een werknemer die een voorziening toegekend heeft gekregen ook onder het regime van artikel 29b van de ZW behoort te vallen ondanks dat dit thans (nog) niet expliciet is vermeld in de tekst van het betreffende wetsartikel. De vraag komt wel expliciet voor op het ziekteaangifteformulier en het is niet de doelstelling van de wetgever (als vervolg op de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten; Wet REA) geweest om deze bijzondere categorie werknemers van de no risk polis uit te sluiten. Eiseres wijst op een tekst van de website van verweerder waaruit naar haar mening blijkt dat als gevolg van het toekennen van een voorziening een status “structureel functioneel beperkt” aan de orde is waardoor de betreffende medewerker onder artikel 29b van de ZW valt.

Voorts beroept eiseres zich op het gelijkheidsbeginsel. In volstrekt identieke gevallen wordt door UWV kantoren Apeldoorn (bedoeld zal zijn: Amsterdam) en Almere wel ziekengeld toegekend aan een geplaatste werknemer met een voorziening, aldus eiseres. Ter zitting heeft eiseres’ gemachtigde hieraan toegevoegd dat het recht op een ZW-uitkering enerzijds bestaat omdat een aan werknemer toegekende voorziening valt onder het begrip “uitkering” van artikel 29b, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW en anderzijds omdat werknemer onderdeel uitmaakt van de doelgroep die is genoemd in artikel 29b, tweede lid, van de ZW.

2.3 Van toepassing zijn de wettelijke bepalingen zoals die golden op de datum thans in geding, 3 april 2008.

In artikel 29b, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW is bepaald dat de werknemer die onmiddellijk voorafgaand aan een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3, 4 of 5, recht had op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen,vanaf de eerste dag van zijn ongeschiktheid tot werken recht heeft op ziekengeld over perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte die zijn aangevangen in de vijf jaren na aanvang van de dienstbetrekking.

In artikel 29b, tweede lid, van de ZW is bepaald dat het eerste lid van overeenkomstige toepassing is op de werknemer die, onmiddellijk voorafgaand aan een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3, 4 of 5, naar het oordeel van de Centrale organisatie werk en inkomen een structurele functionele beperking had en voor wiens ondersteuning bij arbeidsinschakeling het college van burgemeester en wethouders, onmiddellijk voorafgaand aan die dienstbetrekking, op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet werk en bijstand, verantwoordelijk was.

In artikel 90, eerste lid, aanhef en onder b, van de ZW is bepaald dat als werknemer in de zin van artikel 29b, eerste lid, wordt, naast de werknemers bedoeld in dat lid, eveneens aangemerkt de persoon die voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 1.4, onderdeel G, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen arbeidsgehandicapte was op grond van artikel 2 van de Wet REA, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de dag waarop dat artikel vervalt op grond van artikel 2.10 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, voor de duur van de toekenning van de voorziening en vijf jaar na die periode voor de arbeidsgehandicapte, bedoeld in dat artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet REA.

2.4 Aan de rechtbank ligt de vraag voor of verweerder met het bestreden besluit terecht de weigering van ZW-uitkering aan werknemer met ingang van 3 april 2008 heeft gehandhaafd. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat werknemer op 1 april 2008 een nieuwe dienstbetrekking bij eiseres is aangegaan en dat werknemer bij besluit van 2 november 2007 een voorziening ingevolge artikel 35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend heeft gekregen voor een vergoeding van orthopedische schoenen. Uitsluitend is in geding de vraag of de werknemer van eiseres onder de reikwijdte van artikel 29b van de ZW valt.

Allereerst zal de rechtbank de vraag beantwoorden of het overgangsrecht van toepassing is. De personen aan wie een voorziening is toegekend die strekt tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid of een subsidie voor met die voorziening verband houdende kosten zijn verstrekt, zijn, op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de - inmiddels vervallen - Wet REA, arbeidsgehandicapt. Deze personen komen ingevolge het overgangsrecht (artikel 90, eerste lid, aanhef en onder b, van de ZW) in aanmerking voor de no risk polis voor een beperkte periode. De Wet REA is op 29 december 2005 ingetrokken. De voorziening van de werknemer is aan hem toegekend op 2 november 2007. Dit is ruim na de intrekking van de Wet REA. Nu de voorziening niet ten tijde van het inwerking zijn van de Wet REA is toegekend, is de werknemer niet aan te merken als een arbeidsgehandicapte en het overgangsrecht is dus in dit geval niet van toepassing. De vraag aan het begin van deze alinea moet derhalve negatief beantwoord worden.

Met partijen is de rechtbank van oordeel dat werknemers die een voorziening toegekend hebben gekregen als bedoeld in artikel 35 van de Wet WIA niet expliciet zijn genoemd in artikel 29b van de ZW. Eiseres is echter van mening dat het in de lijn van de wet ligt en door de wetgever ook is bedoeld om werknemers als de onderhavige onder de werking van artikel 29b ZW te laten vallen.

De rechtbank overweegt dat de wetgever in artikel 29b van de ZW de voorwaarden voor het recht op ziekengeld limitatief heeft opgesomd en daar werknemers als in dit geval niet bij heeft betrokken. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de no risk polis tot doel het aannemen of behouden van (gedeeltelijk arbeidsgeschikte) werknemers met een verhoogd ziekterisico te stimuleren.

Eén van de doelgroepen waarvoor de no risk polis van toepassing is, zijn de werknemers die direct voor dat zij in dienst traden een uitkering ontvingen ingevolge de WIA. De werknemer van eiseres heeft niet direct voorafgaand aan zijn indiensttreding bij eiseres een WIA-uitkering ontvangen. Aan de werknemer is voorafgaand aan zijn indiensttreding bij eiseres wel een voorziening toegekend ingevolge artikel 35 WIA. In tegenstelling tot eiseres is de rechtbank van oordeel dat de term ‘uitkering’ in artikel 29b, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW niet zodanig moet worden uitgelegd danwel opgerekt dat daaronder ook een voorziening te scharen is.

Evenmin behoort de werknemer van eiseres onder de groep personen als bedoeld in artikel 29b, tweede lid, van de ZW. Dit betreft de gemeentelijke doelgroep met een indicatiestelling van de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI). Door eiseres is niet gesteld en ook niet anderszins aannemelijk gemaakt dat de werknemer voor de arbeidsinschakeling onder verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders viel en door de CWI structureel functioneel beperkt werd geacht.

De rechtbank deelt de mening van eiseres, dat de wetgever door intrekking van de Wet REA en inwerkingtreding van de nieuwe wettelijke situatie het “oude regime” ten tijde van de Wet REA heeft willen handhaven, niet. In de Memorie van Toelichting van het wetsvoorstel Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, Tweede Kamer, 2004-2005, 30 118, nr. 3, p. 56 is opgenomen:

“Bovenstaande veranderingen met betrekking tot de Wet REA leiden in veel gevallen tot een besparing op de lasten. Dit hangt samen met het beperken van de doelgroep. … De no risk polis is de enige regeling waarbij zich zowel een opwaarts als een neerwaarts effect voordoet. Het opwaartse effect bestaat uit het vergroten van de doelgroep van uitsluitend nieuwe dienstverbanden naar nieuwe én bestaande dienstverbanden. … Anderzijds doet zich een neerwaarts effect voor, omdat voor de no risk polis de doelgroep beperkt wordt van arbeidsgehandicapten naar personen met een WGA/WAJONG uitkering, Wsw-geïndiceerden, en personen waarvoor gemeente verantwoordelijk is en die indicatie van CWI hebben.”

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de wetgever met het vervallen van de Wet REA en de invoering van de WIA bewust gekozen heeft om een beperkter aantal doelgroepen onder werking van de no risk polis te laten vallen dan het geval was toen de term arbeidsgehandicapte daarvoor leidend was.

De conclusie tot zover is derhalve dat de werknemer niet onder de werking van artikel 29b van de ZW valt.

2.5 Voorts heeft eiseres een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Eiseres stelt dat zij door de informatie op de website van verweerder, informatiefolders en het aanvraagformulier voor een ZW-uitkering het gerechtvaardigd vertrouwen heeft verkregen dat de werknemer in aanmerking zou komen voor een ZW-uitkering.

Er zijn bijzondere gevallen denkbaar waarin strikte toepassing van dwingendrechtelijke bepalingen zodanig in strijd komt met algemene rechtsbeginselen, dat die toepassing op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Daarvan kan sprake zijn wanneer vanwege het tot beslissen bevoegde orgaan ten aanzien van de belanghebbende uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd inlichtingen zijn verstrekt of mededelingen zijn gedaan die gerechtvaardigde verwachtingen hebben opgewekt. Daarvan is in dit geval echter niet kunnen blijken.

Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat uit de informatiefolders, het aanvraagformulier en de door eiseres aangehaalde informatie van de website van verweerder niet expliciet blijkt dat in het onderhavige geval recht op uitkering ingevolge de ZW zou bestaan. In de informatiefolders staat voorts vermeldt dat aan de uitgave geen rechten kunnen worden ontleend. En tenslotte heeft voor het aanvraagformulier te gelden dat weliswaar de mogelijkheid wordt geboden om aan te kruisen dat “de werknemer in aanmerking komt voor een voorziening voor behoud, herstel en bevordering van de arbeidsgeschiktheid”, maar hierbij geenszins wordt gesuggereerd dat in dat geval recht op een ZW-uitkering zou bestaan. Overigens zijn er gevallen denkbaar die in deze groep werknemers vallen en in tegenstelling tot de werknemer wél recht hebben op een ZW-uitkering. De informatie waaraan eiseres stelt het vertrouwen te hebben ontleend, is - kortom - dermate algemeen en weinig specifiek dat zij daaraan geen rechtens te erkennen vertrouwen heeft kunnen ontlenen.

Ook is niet gesteld of gebleken, dat de door eiseres genoemde informatiefolders, de website en het aanvraagformulier voor eiseres gedragsbepalend zijn geweest bij het in dienst nemen of houden van structureel functioneel beperkte werknemers.

2.6 Voorts heeft eiseres een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Eiseres heeft gesteld dat in volstrekt identieke gevallen door verweerders kantoren te Amsterdam en Almere werknemers met een toegekende voorziening wel recht hebben op een ZW-uitkering. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres twee besluiten overgelegd, afkomstig van de hiervoor genoemde kantoren. Verweerder heeft erkend dat de door eiseres genoemde gevallen identiek zijn, maar heeft gesteld dat deze beslissingen onjuist zijn en sprake is van incidenten.

Gezien de in het dossier aanwezige (e-mail)correspondentie tussen de verschillende kantoren van verweerder en de door eiseres overgelegde besluiten, moet aan eiseres worden toegegeven dat de uitvoeringspraktijk, zeker in de eerste tijd na de inwerkingtreding van de nieuwe arbeidsongeschiktheidswetgeving ten aanzien van artikel 29b van de ZW, niet eenduidig is geweest. Dit betekent evenwel niet dat in het onderhavige geding een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan slagen.

Hierbij overweegt de rechtbank voorts dat enkele, incidentele, foutieve toepassingen van onderhavige bepaling door een uitvoeringsinstantie er niet toe kan leiden dat, met een beroep op het gelijkheidsbeginsel, alle andere aanvragen op een met de wet strijdige wijze afgehandeld zouden moeten worden. De rechtbank neemt daarbij mede in ogenschouw dat het thans door verweerder blijkens de stukken in deze kwestie ingenomen standpunt, na correspondentie met het hoofdkantoor te Amsterdam, ook door het hoofdkantoor als juist wordt geoordeeld.

Het door eiseres gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel kan derhalve niet slagen.

2.7 De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

2.8 Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, rechter, en door deze en mr. M.A. de Rooij, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2009.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: