Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ9573

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
08-10-2009
Zaaknummer
997502-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het niet aanmelden van haar hondenfokkerij en het in bezit hebben van diergeneesmiddelen. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het opmaken van valse dierenpaspoorten. Zij heeft namelijk valselijk in de dierenpaspoorten vermeld dat de honden door een dierenarts waren geënt en door de dierenarts klinisch waren onderzocht. De rechtbank legt aan verdachte in totaal een geldboete op van € 9.000,= waarvan € 4.000,= voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Wetsverwijzingen
Diergeneesmiddelenwet
Honden- en kattenbesluit 1999
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JDW 2009/32

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 997502-08

vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 7 oktober 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. Stassen, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 september 2009, waarbij de officier van justitie, mr. Melssen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met anderen een hondenfokkerij heeft gehad terwijl die niet was aangemeld bij de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) danwel dat zij samen met anderen een hondenfokkerij heeft gehad terwijl niet aan de eisen van het Honden- en Kattenbesluit werd voldaan;

Feit 3: samen met anderen de diergeneesmiddelen Primodog, Eurican en DA2PV12-LCI voorhanden heeft gehad;

Feit 4: samen met anderen dierenpaspoorten heeft vervalst door valselijk in de dierenpaspoorten aan te tekenen dat de dierenarts een klinisch onderzoek had verricht en dat de hond door een dierenarts was gevaccineerd/geënt danwel dat verdachte gebruik heeft gemaakt van deze vervalste dierenpaspoorten.

3 De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding.

De verdediging heeft betoogd dat de tenlastelegging partieel nietig dient te worden verklaard nu feit 4 onvoldoende feitelijk is omschreven. Volgens de raadsman van verdachte is onduidelijk op welke dierenpaspoorten de tenlastelegging precies doelt.

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging moet worden gelezen in samenhang met het procesdossier en dat voldoende duidelijk is dat deze is toegespitst op de paspoorten die bij verdachte en bij de getuigen in beslag zijn genomen en die door de officier van justitie aan het dossier zijn toegevoegd. De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding voldoende feitelijk omschreven is en ook overigens aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering voldoet.

De dagvaarding is daarom geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte samen met verdachte [mededader 1] en verdachte [mededader 2] een hondenfokkerij heeft gehad zonder dat deze inrichting was aangemeld bij de Minister van LNV. Zij baseert zich daarbij op het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat er geen registratie van de hondenfokkerij bekend is en de verklaringen van verdachte en haar medeverdachten. De omstandigheid dat een dubbele bedrijfsregistratie op één UBN-nummer (fiscale) problemen zou opleveren voor verdachte doet daar volgens de officier van justitie niet aan af.

De verklaring van verdachte [mededader 1] dat hij niet wist dat de hondenfokkerij niet was geregistreerd acht de officier van justitie onaannemelijk.

Feit 3

De officier van justitie acht eveneens bewezen dat verdachte samen met haar echtgenoot [mededader 1] entstoffen in voorraad heeft gehad. Zij heeft daarbij verwezen naar de lijst met in beslag genomen goederen, de processen-verbaal met de beschrijvingen van de entstoffen en de registraties van de diergeneesmiddelen in combinatie met de aangetroffen injectienaalden en entstofstickers. De omstandigheid dat de houdbaarheidsdatum van de entstoffen zou zijn overschreden, heeft volgens de officier van justitie geen consequenties voor de status ex artikel 29 van de Diergeneesmiddelenwet.

Gelet op de onderlinge verhoudingen binnen het bedrijf is de officier van justitie van mening dat verdachte dit feit samen met verdachte [mededader 1] heeft gepleegd.

Feit 4

Tot slot acht de officier van justitie bewezen dat verdachte zich samen met verdachte [mededader 1] schuldig heeft gemaakt aan het valselijk opmaken van dierenpaspoorten door ten onrechte aan te tekenen dat een dierenarts klinisch onderzoek heeft verricht en heeft geënt. Getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] verklaren over de onjuistheid van de dierenpaspoorten die zij hebben gekregen bij de aankoop van hun hond. Tevens zijn bij de doorzoeking op het bedrijf diverse dierenpaspoorten aangetroffen waaruit blijkt dat deze op eenzelfde manier zijn ingevuld. Verdachten hebben hierover geen opheldering gegeven. Zij verklaren inconsistent, bijvoorbeeld over welke dierenarts de entingen heeft gedaan en de klinische onderzoeken heeft verricht.

Gelet op de bijzonderheden omtrent de paspoorten in combinatie met de overige bevindingen tijdens het onderzoek is de officier van justitie van mening dat er in het geheel geen dierenarts aan te pas is gekomen, noch bij de entingen, noch bij het klinisch onderzoek terwijl dit wel op de dierenpaspoorten staat vermeld.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Allereerst heeft de raadsman betoogd dat alleen verdachte verantwoordelijk is voor de hondenfokkerij en dat de medeverdachten niet als medeplegers kunnen worden aangemerkt. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte medische klachten had op de dag dat ze werd verhoord door de politie maar dat zij desondanks verklaringen heeft afgelegd. Deze verklaringen zijn ook niet door verdachte ondertekend. Gezien haar toestand kan aan de juistheid van deze verklaringen worden getwijfeld zodat deze niet mee kunnen worden genomen voor het bewijs.

Feit 1

De raadsman heeft aangevoerd dat er geen sprake is geweest van het opzettelijk niet registreren van de hondenfokkerij. In het uiterste geval is er volgens hem sprake geweest van het nalaten van een louter administratieve verplichting.

Feit 3

De raadsman heeft betoogd dat verdachte niet wist dat de flesjes met entstoffen in het kastje in de keuken stonden. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat de houdbaarheidsdatum al minimaal twee jaar verstreken was zodat deze vloeistoffen niet meer geschikt zijn voor de functies van een diergeneesmiddel en dus niet meer kan worden gesproken van een diergeneesmiddel in de zin van artikel 1 van de Diergeneesmiddelenwet. Het ging volgens de raadsman om afval nu de Europese Afvalstoffenwetgeving bepaalt dat geneesmiddelen waarvan de houdbaarheidsdatum is overschreden onder afval vallen. De verdediging is van mening dat vrijspraak dient te volgen.

Feit 4

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de valsheid in geschrift nu er geen sprake is van dierenpaspoorten volgens het wettelijke model. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat de entingsbewijzen niet vals waren nu op geen enkele wijze kan worden aangetoond dat de dieren waarvoor entstofstickers zijn afgegeven niet zouden zijn geënt danwel dat deze dieren niet klinisch zouden zijn onderzocht. Dat de entstofstickers wellicht niet op de juiste wijze zijn afgegeven, bijvoorbeeld zonder naam en adres van de dierenarts, maakt de stickers nog niet vals, hooguit onvolledig. Blijkens verklaringen van getuige [getuige 4] kwam er wel degelijk een dierenarts. Verdachte wist niet beter dan dat dit een bevoegde en kundige dierenarts was. Ten aanzien van de nog niet volledig ingevulde dierenpaspoorten stelt de raadsman dat niet kan worden bewezen dat er een oogmerk was om deze te gaan gebruiken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 15 april 2008 aan de [adres] honden heeft gefokt. De pups werden vervolgens verkocht, met name via www.marktplaats.nl. Zij geeft toe dat zij heeft geprobeerd haar bedrijf te registreren bij de Minister van LNV, maar dat dit niet is gelukt. De verbalisanten hebben ook geconstateerd dat de hondenfokkerij aan de [adres] niet stond geregistreerd bij de Minister.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte een hondenfokkerij heeft gehad welke niet was aangemeld bij de Minister van LNV.

De verklaring van verdachte dat zij heeft geprobeerd om zich aan te melden maar dat dit niet is gelukt omdat zij geen gebruik wilde maken van het UBN-nummer van het bedrijf van haar man doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Op het moment dat bleek dat een tweede UBN-nummer op eenzelfde adres niet mogelijk was, is het de welbewuste keuze van verdachte geweest om zonder dat de registratie tot stand was gekomen toch honden te fokken. Verdachte heeft daarmee in strijd met de wet gehandeld.

medeplegen

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte dit feit alleen heeft gepleegd of samen met anderen. Daartoe stelt de rechtbank het volgende vast.

[mededader 1] heeft verklaard dat hij een stuk of 50 moederhonden verzorgt en dat hij nog wat doet in de handel in honden . In zijn tweede verhoor zegt hij dat hij zijn vrouw helpt met de verzorging van de honden, dat hij de honden voert en dat hij de hokken uitdoet . Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat zij een hondje heeft gekocht bij [mededader 1]. Zij heeft toen gesproken met [voornaam mededader]. Hij liet haar de hondjes zien en wist te vertellen dat de pup 8 weken oud was. De vrouw van [mededader 1] (de rechtbank begrijpt: verdachte) heeft vervolgens de entingspapieren gehaald. Ook getuige Elissen-Schreuders heeft bij [mededader 1] een hondje gekocht. Hij heeft haar de hondjes laten zien in de schuur en verteld wat het hondje moest kosten. Verdachte heeft bij de politie bevestigd dat haar man de verkoop van de honden regelt en dat zij de papierwinkel doet . De getuige [getuige 1] heeft een pup gekocht waarbij zowel de heer [mededader 1] als zijn vrouw betrokken waren . Op een visitekaartje dat bij hem in beslag is genomen , staat “[namen daders]” en “in- en verkoop” met daarbij afbeeldingen van een paard en van een hond

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte het feit samen met haar man heeft gepleegd. Het bedrijf is eigendom van verdachte, maar zij en haar man waren beiden actief binnen het bedrijf en hadden daarin een taakverdeling. Voor het medeplegen door [mededader 2] is onvoldoende bewijs.

betrouwbaarheid verklaringen verdachte

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van verdachte zoals zij deze bij de politie heeft afgelegd onbetrouwbaar zijn gezien de omstandigheden waaronder deze zijn afgelegd. De rechtbank is van oordeel dat voorzichtigheid moet worden betracht bij het gebruik van de verklaringen van verdachte bij de politie voor het bewijs. Verdachte had ten tijde van de verhoren medische klachten en zij heeft de verklaringen niet ondertekend. Echter, de processen-verbaal van de verklaringen zijn wel op ambtseed opgemaakt en de delen van de verklaringen die de rechtbank heeft gebruikt voor het bewijs worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank acht die delen van de verklaringen dan ook niet onbetrouwbaar.

opzet

Of verdachte het feit al dan niet opzettelijk heeft gepleegd doet niet ter zake aangezien het feit een overtreding betreft (ingevolge artikel 3 van het Honden- en Kattenbesluit juncto artikel 56 van de gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren juncto artikel 1 sub 4 en artikel 2 lid 4 van de Wet op de Economische Delicten). De rechtbank passeert daarom het verweer van de raadsman dat het feit niet opzettelijk is gepleegd.

Feit 3

Op 27 maart 2008 zijn in de toenmalige woning van verdachte aan de [adres] 36 flacons met entstoffen aangetroffen in de koelkast in de aanbouw . Het ging om 20 volle flesjes Primodog (registratienummer Nl 8048) en 8 volle flesjes Eurican en 8 volle flesjes DA2PV12-LCI (registratienummer NL 9447) . Deze entstoffen zijn UDD diergeneesmiddelen in de zin van artikel 29 van de Diergeneesmiddelenwet en mogen alleen door dierenartsen worden gebruikt en geleverd .

De rechtbank is van oordeel dat op grond van deze feiten en omstandigheden wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte en haar man deze diergeneesmiddelen voorhanden hebben gehad. De stelling van verdachte ter zitting dat de flesjes in een oud nachtkastje lagen, is onjuist. Uit het beslagnummer, in combinatie met de situatieschets blijkt dat ze in een koelkast stonden. Aangezien verdachte en haar man allebei in het huis woonden moeten -nu uit feiten of omstandigheden niet anders blijkt- zij hebben geweten dat deze volle flesjes met entstoffen in hun koelkast stonden. Gezien de grote hoeveelheid aangetroffen volle flesjes entstof acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat het een slordigheid van de dierenarts betreft, ongeloofwaardig.

diergeneesmiddel

De raadsman heeft aangevoerd dat de entstoffen de uiterste houdbaarheidsdatum hadden overschreden en dat het daarom geen diergeneesmiddelen meer zouden zijn maar afvalstoffen.

De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat deze substanties op zich bestemd zijn om te worden gebruikt voor de in artikel 1 van de Diergeneesmiddelenwet genoemde aanwendingen bij dieren en daarom vallen onder de definitie van diergeneesmiddel opgenomen in dat artikel. Het enkele feit dat de houdbaarheidsdatum is verstreken maakt dat niet anders. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de middelen die in de koelkast zijn aangetroffen wel degelijk diergeneesmiddelen zijn in de zin van artikel 1 van de Diergeneesmiddelenwet.

Tot slot overweegt de rechtbank dat de middelen misschien in juridische zin ook als “afval” kunnen of moeten worden aangemerkt nu de uiterste houdbaarheidsdatum is overschreden, maar dat dit niet uitsluit dat het ook nog steeds diergeneesmiddelen zijn.

Feit 4

De rechtbank stelt voorop dat het blijkens de tenlastelegging niet gaat om het vervalsen van officiële dierenpaspoorten volgens een wettelijk voorgeschreven model, maar om het vervalsen in een geschrift van verklaringen over klinisch onderzoek en inenting door een dierenarts. Die verklaringen zijn in dit geval gegoten in de vorm van een boekje met als opschrift “dierenpaspoort”. Hierna zal de rechtbank ook deze term gebruiken.

Bij verdachte aan de [adres] is een dierenpaspoort aangetroffen met nummer 528-31-S108711 . Op dit dierenpaspoort zijn nog geen gegevens van het huisdier ingevuld. Wel staat er al met pen in geschreven dat het een hond betreft en staat er al in geschreven “vader…., moeder…., …… voor de …keer ontwormd met Dolthene. Er is ruimte opengelaten om de naam van de vader en de moeder van de hond in te vullen, de datum van de ontworming en het aantal keren dat de hond is ontwormd. In dit boekje staat genoteerd dat er een klinisch onderzoek heeft plaatsgevonden en dat de hond is geënt. De sticker van de entstof is ook in het boekje geplakt en voorzien van een handtekening. De datum van het klinisch onderzoek, de entingsdatum en de naam, het adres en de stempel van een dierenarts ontbreken. In het huis van verdachte zijn daarnaast diverse vellen met entstofstickers aangetroffen . Op het bureau in het kantoor/keuken van het woonhuis is een vel met entstofstickers met batchnummer 1BEQ aangetroffen . Deze stickers komen overeen met de entstofsticker die is gebruikt in het dierenpaspoort 528-31-S108711 .

Op grond van deze feiten en omstandigheden staat voor de rechtbank vast dat dit dierenpaspoort dat bij verdachte is aangetroffen vooraf is ingevuld terwijl nog niet bekend was bij welke hond dit dierenpaspoort zou gaan behoren. In het dierenpaspoort staat dus in strijd met de waarheid vermeld dat een klinisch onderzoek heeft plaatsgevonden en dat een enting is toegediend.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat op de dierenpaspoorten die in beslag zijn genomen bij getuigen [getuige 1] , [getuige 2] [getuige 3] dezelfde handtekening is gebruikt als op het dierenpaspoort met nummer 528-31-S108711 . Daarnaast staat op de dierenpaspoorten van [getuige 1], Van de Horst en [getuige 3] ook geen naam, adres of stempel van de dierenarts vermeld.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat de dierenpaspoorten die in beslag zijn genomen bij getuigen [getuige 1] [getuige 2]t inderdaad van haar bedrijf afkomstig zijn omdat er een sticker op de voorkant zit of in ieder geval heeft gezeten. Zij zegt dat de handtekeningen in de boekjes afkomstig zijn van dierenarts [naam arts] uit Poppel, die al vele jaren voor haar de onderzoeken en inentingen deed en voor het laatst in februari 2008 is geweest. Echter, de handtekening waarvan verdachte zegt dat het de handtekening van [naam arts] is, komt niet overeen met de handtekening die onder de verklaring van [naam dierenarts] staat . Opvallend daarbij is dat verdachte spreekt over [naam arts], terwijl deze dierenarts blijkens zijn stempel [naam dierenarts met andere voornaam] heet.

Bij verdachte aan de [adres] zijn ook nog diverse andere dierenpaspoorten aangetroffen zoals het Europese dierenpaspoort met nummer 528-31-S107875 . De rechtbank stelt vast dat in dit dierenpaspoort dezelfde handtekening is gebruikt als in de onder de getuigen in beslag genomen dierenpaspoorten. Tevens is geen naam of stempel van de dierenarts in het dierenpaspoort geplaatst terwijl er wel staat vermeld dat een klinisch onderzoek heeft plaatsgevonden en er een entstofsticker in het boekje is geplakt. Op het bureau in het kantoor/keuken van het woonhuis van verdachte is een vel met entstickers Virbagen Puppy 2b Virbac Ch-B nr. 184 N aangetroffen . Deze stickers komen overeen met de entstofsticker die is gebruikt in het dierenpaspoort met nummer 528-31-S107875 .

Het dierenpaspoort doc 61 nummer 6 is ook bij verdachte thuis in beslag genomen . De rechtbank stelt vast dat in dit dierenpaspoort dezelfde handtekening is gebruikt als in de onder de getuigen in beslag genomen dierenpaspoorten. Tevens staat in dit paspoort een stempel van dierenarts [naam dierenarts met andere voornaam] d.d. 30-1-2003 welke stempel ook staat vermeld in het dierenpaspoort doc 20 d.d. 25-3-2005. Deze stempel kan echter niet door dierenarts [naam dierenarts met andere voornaam] zijn gezet aangezien hij die stempel in verband met een verhuizing sinds 1979 niet meer gebruikt . Ook de handtekening waarvan verdachte zegt dat deze van [naam arts] afkomstig is, komt niet overeen met de handtekening die bij de stempel staat vermeld. In het huis van verdachte zijn volle flesjes entstoffen Eurican DA2PvPl2-Lci exp. datum 16-4-2006 aangetroffen . De entstofstickers van deze flesjes komen overeen met de entstofsticker die is gebruikt in het dierenpaspoort met nummer doc 61 nummer 6 . Op de volle flesjes met entstof was het batchnummer weggekrast en ook op de sticker in het boekje was dit het geval . Tevens zijn op het bureau in het kantoor/keuken van het woonhuis van verdachte entstofstickers NOBIVAC L+DHPPI met batchnummer 75080 A en 005307 A aangetroffen . Deze stickers komen overeen met de entstofstickers die zijn gebruikt in het dierenpaspoort doc 61 nummer 6 .

Het dierenpaspoort doc 61 nummer 11 is eveneens bij verdachte thuis in beslag genomen . De rechtbank stelt vast dat in dit dierenpaspoort dezelfde handtekening is gebruikt als in de onder de getuigen in beslag genomen dierenpaspoorten. Tevens is geen naam of stempel van de dierenarts in het dierenpaspoort geplaatst terwijl er wel staat vermeld dat een klinisch onderzoek heeft plaatsgevonden en er entstofstickers in het boekje zijn geplakt. Op het bureau in het kantoor/keuken van het woonhuis is een vel met entstickers Virbagen Puppy 2b Virbac Ch-B nr. 184 N aangetroffen . Deze stickers komen overeen met de entstofsticker die is gebruikt in het dierenpaspoort doc 61 nummer 11 .

Tot slot is het Europese dierenpaspoort met nummer 528-31-A898.461 bij verdachte thuis in beslag genomen . De rechtbank stelt vast dat in dit dierenpaspoort dezelfde handtekening is gebruikt als in de onder de getuigen in beslag genomen dierenpaspoorten. Tevens is geen naam of stempel van de dierenarts in het dierenpaspoort geplaatst terwijl er wel staat vermeld dat een klinisch onderzoek heeft plaatsgevonden en er een entstofsticker in het boekje is geplakt. Op het bureau in het kantoor/keuken van het woonhuis van verdachte zijn entstickers NOBIVAC L+DHPPI met batchnummer 75080 A en 005307 A aangetroffen . Deze stickers komen overeen met de entstofstickers die zijn gebruikt in het dierenpaspoort 528-31-A898.461 .

Tot slot heeft verdachte bij de politie verklaard dat zij sommige honden zelf ent . Hoewel verdachte dit ter zitting heeft ontkend, wordt de verklaring van de verdachte bij de politie ondersteund door het grote aantal injectienaalden, de vellen met entstofstickers en de volle en lege flesjes met entstoffen die zijn aangetroffen bij verdachte in de woning .

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte ter zitting dat de handtekeningen in de dierenpaspoorten afkomstig zijn van [naam dierenarts] kennelijk leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te bemantelen. De rechtbank zal deze verklaring dan ook gebruiken voor het bewijs.

Al het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het valselijk opmaken van dierenpaspoorten. Zij heeft namelijk valselijk in de dierenpaspoorten vermeld dat de honden door een dierenarts waren geënt en door de dierenarts klinisch waren onderzocht.

dierenpaspoorten als bewijs van enig feit

De rechtbank is van oordeel dat de dierenpaspoorten geschriften zijn die bestemd zijn om tot enig bewijs te dienen nu deze dierenpaspoorten worden voorzien van entingsgegevens en gegevens over klinische onderzoeken door een dierenarts. Verdachte kan met de ingevulde dierenpaspoorten aantonen dat zij de honden heeft laten enten en klinisch heeft laten onderzoeken. Het enkele valselijk opmaken van de dierenpaspoorten met dit oogmerk is voldoende om die gedraging als valsheid in geschrift aan te merken (HR 25 april 2006, LJN: AV1628). Dat sprake is van het oogmerk om de dierenpaspoorten als echt en onvervalst te gebruiken staat ook vast, aangezien zij werden opgemaakt om mee te geven bij de verkoop van de honden.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Primair

in de periode 1 januari 2007 tot en met 15 april 2008 te Udenhout, gemeente Tilburg,

tezamen en in vereniging met een ander bedrijfsmatig, een aantal pups ten verkoop in voorraad heeft gehad en heeft afgeleverd en heeft gefokt

ten behoeve van de verkoop terwijl die activiteiten niet werden verricht in een bij de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij als zodanig aangemelde bedrijfsinrichting;

3.

op 27 maart 2008 te Udenhout, gemeente Tilburg, opzettelijk, tezamen en in vereniging met een ander diergeneesmiddel(en) als bedoeld in artikel 29 van de

Diergeneesmiddelenwet, te weten "Primodog" (registratienummer NL 8048) en

"Eurican en DA2PV12-LCI" (registratienummer NL 9447), voorhanden heeft gehad;

4.

in de periode 1 januari 2007 tot en met 27 maart 2008 te Udenhout, gemeente Tilburg,

dierenpaspoorten - zijnde geschriften die (telkens) bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt (telkens) met het oogmerk om

het als echt en onvervalst te gebruiken, immers heeft verdachte valselijk in voornoemde paspoorten aangetekend dat de dierenarts een klinisch onderzoek heeft verricht en dat deze (klinisch onderzochte) honden door een dierenarts zijn geënt/gevaccineerd voor

hondenziekte en/of parvo levend (verzwakt) en/of met een ander type vaccin;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen zij bewezen acht aan verdachte op te leggen een geldboete van € 9.000,= waarvan € 4.000,= voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat bij de bepaling van de strafmaat rekening dient te worden gehouden met de hercontroles waarbij is gebleken dat de hondenfokkerij aan alle wettelijke verplichtingen voldoet en met het blanko strafblad van verdachte. Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging betoogd dat gezien de geringe impact van de administratieve omissie van het niet melden kan worden volstaan met een louter voorwaardelijke sanctie.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het niet aanmelden van haar hondenfokkerij. Door het niet melden van de inrichting is de hondenfokkerij minder zichtbaar geweest voor de toezichthoudende instanties. Hierdoor heeft verdachte de geldende regelgeving gemakkelijker kunnen omzeilen waardoor er situaties zijn ontstaan die slecht waren voor de leefomstandigheden van de dieren en ongewenst waren voor de kopers van de pups. Verdachte heeft ook diverse diergeneesmiddelen voorhanden gehad. Het bezit van deze diergeneesmiddelen is verboden omdat toepassing buiten een dierenarts om gevaar voor de gezondheid van mens of dier of schade aan het milieu kan opleveren. Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het opmaken van valse dierenpaspoorten. Vooral dit laatste feit neemt de rechtbank verdachte ernstig kwalijk.

Verdachte heeft namelijk in de dierenpaspoorten genoteerd dat de honden waren geënt en klinisch waren onderzocht door een dierenarts terwijl dit niet het geval was. Zij heeft de dierenpaspoorten voorzien van een handtekening en een entstofsticker en de dierenpaspoorten vervolgens meegegeven bij de verkoop van de pups. Hiermee wilde zij de kopers van de pups doen geloven dat de honden door een dierenarts waren geënt en medisch waren onderzocht terwijl dit in werkelijkheid niet het geval was. Deze handelwijze van verdachte heeft ervoor gezorgd dat zij dierenartskosten heeft bespaard waardoor zij op een uit concurrentieoverwegingen aantrekkelijke verkoopprijs uit kon komen.

Daarnaast hebben de pups een verhoogd risico gelopen op ziekten zoals Parvo en hondenziekte. Deze ziekten worden veroorzaakt door een virus, zijn bijzonder besmettelijk en hebben vaak fatale gevolgen voor de hond. Het is dan ook niet zonder reden dat de wetgever omtrent deze entingen regels heeft gesteld.

Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en met het feit dat uit hercontrole is gebleken dat verdachte zich thans wel aan de geldende regelgeving houdt.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een geldboete van € 1000,= voor feit 1 en een geldboete van € 8000,= voor de feiten 3 en 4 noodzakelijk is. De rechtbank ziet wel aanleiding om een deel daarvan, te weten € 4000,= voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24, 24c, 27, 47, 57, 62, 91 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2, 6 en 87 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 56 en 131 van de Gezondheidswet voor Dieren, de artikelen 1, 2, 3, 8, 12, 21, 26 en 33 van het Honden- en Kattenbesluit 1999 en de artikelen 2, 29, 31 en 65 van de Diergeneesmiddelenwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de dagvaarding geldig;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 56 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

feit 3: Medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 31 van de Diergeneesmiddelenwet;

feit 4: Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

T.a.v. feit 1 primair

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 1000,=;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen;

T.a.v. [feiten 3 en 4]

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 8000,=, waarvan € 4000,= voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen voor het onvoorwaardelijke deel en 25 dagen voor het voorwaardelijke deel;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze geldboete niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde geldboete naar rato van € 50,= per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. Prenger, voorzitter, mr. Van Kralingen en mr. Breeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Fleskens, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 oktober 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

Primair

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2007 tot

en met 15 april 2008 te Udenhout, gemeente Tilburg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

al dan niet opzettelijk,

bedrijfsmatig, een aantal honden en/of pups ten verkoop in voorraad heeft

gehad en/of heeft afgeleverd en/of in bewaring heeft gehad en/of heeft gefokt

ten behoeve van de verkoop en/of de aflevering van de nakomelingen, terwijl

die activiteiten niet werden verricht in een bij de Minister van Landbouw,

Natuurbeheer en Visserij als zodanig aangemelde bedrijfsinrichting, asiel

en/of pension;

artikel 3 lid 1 Honden- en kattenbesluit 1999 jo

art 2 lid 1 Honden- en kattenbesluit 1999

1.

subsidiair

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2007 tot

en met 27 maart 2008, althans op of omstreeks 27 maart 2008, te Udenhout,

gemeente Tilburg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

al dan niet opzettelijk - in een bij de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en

Visserij als zodanig aangemelde bedrijfsinrichting -, asiel en/of pension, een

aantal honden (en/of pups) heeft gehouden ten behoeve van de in artikel 2,

eerste lid van het Honden- en kattenbesluit genoemde activiteiten, terwijl

de huisvesting van deze dieren, niet overeenkomstig voornoemd Besluit

geschiedde, aangezien

* de voor een/de hond(en)/pups met de desbetreffende schofthoogte beschikbare

vloeroppervlakte in vierkante meters (telkens) niet gelijk was aan het produkt

van het aantal honden + 1 en 1,0 (artikel 12, tweede lid onder)

en/of

* de vloer(en) van het/de binnenverblijf/-ven (telkens) niet van

vloeistofdicht en/of stroef materiaal was/waren (artikel 8, derde lid) en/of

* de door de dierenarts opgemaakte en/of afgegeven schriftelijke bewijzen van

inenting die betrekking had/hadden op de inenting(en) die overeenkomstig het

eerste of tweede lid van artikel 21 van het Besluit was/waren aangebracht

en/of waarop diens naam en praktijkadres en de inentingsdatum stond vermeld,

niet gedurende de periode dat desbetreffende hond(en) in de bedrijfsinrichting

of in het asiel verbleef/verbleven in de inrichting werd(en) bewaard (artikel

21, vijfde lid) en/of

* niet binnen 8 weken nadat aanmelding van de inrichting overeenkomstig dit

Besluit had plaatsgevonden, door of namens degene die op de inrichting

verantwoordelijk is voor de in artikel 2, eerste lid van het Besluit genoemde

activiteiten, een register werd bijgehouden waarin de inentingsbewijzen van de

in de inrichting aanwezige honden en/of het aanmeldingsbewijs (als bedoeld in

artikel 5, derde lid van het Besluit) en/of een kopie van het bewijs van

vakbekwaamheid van de beheerder van de inrichting was/waren opgenomen (artikel

26, eerste lid) en/of

* niet gedurende drie jaar na het tijdstip dat een/de hond(en) niet meer

binnen de inrichting aanwezig was/waren een kopie van het inentingsbewijs van

de desbetreffende hond(en) in een afgescheiden onderdeel van het in artikel

26, eerste lid van het Besluit bedoelde register werd bewaard (artikel 26,

tweede lid);

art 3 lid 2 Honden- en kattenbesluit 1999

3.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2007 tot

en met 27 maart 2008 te Udenhout, gemeente Tilburg,

al dan niet opzettelijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, (een) diergeneesmiddel(en) als bedoeld in artikel 29 van de

Diergeneesmiddelenwet, te weten "Primodog" (registratienummer NL 8048) en/of

"Eurican en DA2PV12-LCI" (registratienummer NL 9447), voorhanden en/of in

voorraad heeft gehad;

art 31 lid 1 Diergeneesmiddelenwet

art 29 lid 1 Diergeneesmiddelenwet

4.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2007 tot

en met 27 maart 2008 te Udenhout, gemeente Tilburg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een of meer (kopieën van) dierenpaspoort(en) - zijnde een geschrift(en)

dat/die (telkens) bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, (telkens) met het oogmerk om

het als echt en onvervalst te gebruiken, immers heeft verdachte (en/of haar

mededader(s)) valselijk in voornoemde paspoorten aangetekend dat de dierenarts

een klinisch onderzoek heeft verricht en/of dat deze (klinisch onderzochte)

hond/en (vervolgens) door een/deze dierenarts is/zijn geënt/gevaccineerd voor

hondenziekte en/of parvo levend (verzwakt) en/of althans met een ander type

vaccin;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2007 tot

en met 27 maart 2008 te Udenhout, gemeente Tilburg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt, althans gebruik heeft doen of

laten maken, van (een) valse of vervalste dierenpaspoort(en)

(elk) zijnde (een) geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van

enig feit te dienen, als ware(n) die/dat geschrift(en) (telkens) echt en

onvervalst en/of (telkens) opzettelijk die/dat geschrift(en) hebben/heeft

afgeleverd, althans doen of laten afleveren en/of voorhanden hebben/heeft

gehad, terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en) of

redelijkerwijze moest(en) vermoeden, dat die/dat geschrift(en) (telkens)

bestemd waren/was voor zodanig gebruik, bestaande die valsheid of vervalsing

hierin dat (telkens) valselijk in dat/die paspoorten stond vermeld dat de hond

(pup) klinisch was onderzocht en ingeënt/gevaccineerd door een dierenarts

en bestaande dat opzettelijk gebruik maken, althans gebruik doen of laten

maken en/of dat opzettelijk afleveren, althans doen of laten afleveren en/of

dat opzettelijk voorhanden hebben (voor zodanig gebruik) hierin, dat verdachte

en/of verdachtes mededader(s) (telkens) dat/die valse of vervalste paspoorten

aan (een) koper(s)/afnemer(s) van (een) hond(en) heeft/hebben afgeleverd,

althans doen of laten afleveren en/of verstrekken en/of doen toekomen;

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht