Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ8857

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
31-08-2009
Datum publicatie
01-10-2009
Zaaknummer
09/918
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schenkingsrecht

Belanghebbende heeft samengewoond met een inmiddels geliquideerde drugscrimineel (Y). Belanghebbende heeft verklaard dat zij (middels zeggenschap over de aandelen in een vennootschap) midden jaren 90 grond van Y heeft gekregen. Er wordt schenkingsrecht nagevorderd. De rechtbank concludeert tot omkering van de bewijslast omdat belanghebbende onjuiste informatie heeft verstrekt en ziet geen enkel verband tussen die verkrijging en de gezamenlijke huishouding van belanghebbende en Y zodat sprake is van een schenking waarover schenkingsrecht verschuldigd is. De rechtbank acht echter het uitgangspunt van de inspecteur dat de schenking in onderhavig jaar heeft plaatsgevonden, niet redelijk. De navorderingsaanslag wordt vernietigd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-2080 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/918

Uitspraakdatum: 31 augustus 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiseres], wonende te [plaatsnaam] (België),

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Oost-Brabant, kantoor ’s-Hertogenbosch,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.De inspecteur heeft met dagtekening 2 december 2008 aan belanghebbende voor het jaar 1990 een navorderingsaanslag recht van schenking opgelegd ten bedrage € 96.510 wegens verkrijging uit een schenking ter waarde van € 181.512 van [Y] (aanslagnummer [nummer]).

1.2. Belanghebbende heeft hiertegen bij brief van 26 november 2008, bij de inspecteur ingekomen op 28 november 2008, bezwaar gemaakt.

1.3. Belanghebbende heeft bij brief van 27 februari 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar door de inspecteur. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

1.4. De inspecteur heeft op 7 mei 2009 uitspraak gedaan en de aanslag gehandhaafd.

1.5. Het beroep wordt, ingevolge artikel 6:20, lid 1 van de Awb, geacht mede te zijn gericht tegen de uitspraak op bezwaar.

1.6. De inspecteur heeft de conceptuitspraak bij brief van 28 mei 2009 aan de rechtbank doen toekomen. Belanghebbende heeft bij brief van 29 mei 2009 stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2009 te Breda. Tijdens deze zitting zijn daarbij gezamenlijk behandeld de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de procedurenummers 09/918, 09/919, 09/921, 09/922, 09/923, 09/166.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbendes gemachtigden [namen], verbonden aan Jaeger Advocaten Belastingkundigen te Amsterdam, alsmede namens de inspecteur, [namen].

1.8. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. De inspecteur heeft zonder bezwaar van de wederpartij een aantal stukken overgelegd. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende, geboren [datum] 1969, is ongehuwd en moeder van een kind geboren op [datum] 2001. Belanghebbende heeft sinds februari 1998 geen eigen inkomen meer gehad. Daarvoor was zij in dienstbetrekking werkzaam.

2.2 Vanaf [datum] 1997 woont belanghebbende op het adres [adres] te [plaatsnaam]. Volgens het bevolkingsregister woonde belanghebbende daar van [datum] 1999 tot en met [datum] 2003 samen met [Y] (hierna [Y]). [Y] was gedurende de periode [datum] 1998 tot [datum] 2000 gedetineerd. Vanaf [datum] 1999 had [Y] regelmatig weekendverlof en van [datum] 1999 tot [datum] 2000 was [Y] thuis onder electronisch toezicht. Op [datum] 2000 is [Y] in vrijheid gesteld. In oktober 2000 is [Y] in preventieve hechtenis genomen.

2.3. Op [datum] 2003 is belanghebbende verhuisd naar het adres [adres] te [plaatsnaam] (België). [Y] heeft op 28 oktober 2003 het woonadres te [plaatsnaam] verlaten zonder een adres achter te laten.

2.4.In de maand september 1999 is door een onderzoeksteam van de Politie Haaglanden onderzoek gedaan naar een criminele organisatie die XTC pillen produceerde en verhandelde. In dat kader is een strafrechtelijk onderzoek geopend tegen [Y], waaruit is gebleken dat [Y] leiding gaf aan een criminele organisatie, welke zich onder andere bezighield met het vervaardigen en verkopen van XTC pillen. Op 20 juli 2001 is [Y], die op [datum] 2000 was aangehouden, door de Rechtbank te 's-Gravenhage schuldig bevonden aan een aantal strafbare feiten. In hoger beroep is [Y] op 12 april 2002 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage eveneens schuldig bevonden aan een aantal strafbare feiten. [Y] heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. [Y] is op [datum] 2004 (voordat de Hoge Raad arrest had gewezen) geliquideerd te [plaatsnaam] (België).

2.5. Op 26 januari 2001 is door de rechter-commissaris machtiging verleend tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: het sfo) tegen [Y] en belanghebbende. Uit het sfo is gebleken dat [Y] voorafgaand aan en tijdens het sfo samenwoonde met belanghebbende en dat belanghebbende geld van [Y] ontving voor haar uitgaven. De inspecteur heeft navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 1999 en 2000 opgelegd waarbij de stortingen zijn aangemerkt als inkomsten uit andere arbeid. Deze aanslagen zijn door Hof ’s-Hertogenbosch bij uitspraken van 8 april 2008, nr. 06/00160 (1999) en 06/00161 (2000) vernietigd. Tegen deze uitspraken van het Hof is geen beroep in cassatie ingesteld. Op 23 november 2005 heeft de inspecteur dezelfde bedragen aangemerkt als schenkingen van [Y] aan belanghebbende en aanslagen schenkingsrecht opgelegd. Deze rechtbank heeft deze aanslagen bij uitspraken van 1 april 2009 vernietigd.

Artikel 47 AWR

2.6.1.De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 7 november 2005 informatie gevraagd teneinde te kunnen bepalen hoeveel belanghebbende in de jaren 2001 tot en met 2004 aan schenkingen heeft verkregen van [Y]. Daartoe vroeg hij om toezending van alle bank- en girobescheiden van rekeningen ten name van belanghebbende of waarvan zij medegerechtigd was, opgave van alle sieraden, personenauto’s en andere vermogensbestanddelen die [Y] aan haar had gegeven of ter beschikking gesteld en een kopie van het huurcontract van de woning te [plaatsnaam]. Tevens vroeg hij welke vermogensbestanddelen belanghebbende had gekregen in verband met het overlijden van [Y].

2.6.2.Belanghebbende heeft gereageerd bij brief van 16 november 2005. Daarin deelde zij, kort weergegeven, onder meer mee

-dat haars inziens geen sprake was van schenkingen;

-dat de bank- en girobescheiden bij huiszoekingen in beslag waren genomen en zich bij de belastingdienst en/of politie bevonden;

-dat de auto’s en sieraden zijn beschreven in het proces-verbaal van de in beslagname;

-dat zij niet over het huurcontract beschikte;

-dat zij in verband met het overlijden van [Y] geen enkel vermogensbestanddeel had ontvangen.

2.6.3.Bij brief van 28 november 2005 herhaalde de inspecteur het verzoek om bank- en giroafschriften, gaf hij een opsomming van de auto’s die ten name van belanghebbende of haar stiefmoeder stonden en verzocht hij om gegevens over de financiering van die auto’s, vroeg hij om alle bescheiden met betrekking tot de inrichting van de woning in [plaatsnaam], hoe belanghebbende vanaf 2001 in haar levensonderhoud voorzag en vroeg hij waarom belanghebbende een vordering had ingediend bij de notaris die de afwikkeling van de erfenis van de heer [X] verzorgde.

2.6.4.Bij brief van 27 december 2005 gaf belanghebbende aan dat andere medewerkers van de inspecteur reeds over de bank- en giroafschriften beschikten en over een dossier met uitgebreide correspondentie inzake de auto’s. Daarnaast verzocht belanghebbende aan te geven waarom zij informatie moest verstrekken over de huur, inboedel en haar inkomen in België, en waarop de informatie over de vordering op [X] was gestoeld.

2.6.5.Bij brief van 16 januari 2006 verwees de inspecteur naar het dossier over de auto’s, concludeerde hij dat de auto’s op naam van de stiefmoeder in feite van belanghebbende waren en dat het haast niet anders kon of belanghebbende had het geld daarvoor van [Y] gekregen. Hij vroeg nogmaals om bescheiden over de financiering van de inboedel, het huurcontract en informatie over het levensonderhoud. Bij brief van 23 januari 2006 zond de inspecteur aan belanghebbende de relevante bepalingen uit de Successiewet toe.

2.6.6.Bij brief van 1 februari 2006 weigerde belanghebbende informatie te verschaffen over de kosten van de inboedel en herhaalde zij dat van schenkingen geen sprake was. Voor de voorziening in het levensonderhoud verwees zij naar eerdere correspondentie.

2.6.7.Bij brief van 10 juli 2006 zond de inspecteur een brief aan de (nieuwe) gemachtigde van belanghebbende. Daarin schreef hij: “Aangezien u als nieuwe gemachtigde in deze zaak optreedt zal ik voor de laatste keer een opstelling maken van alle openstaande zaken en verzoek ik u de vragen te willen beantwoorden en de desbetreffende stukken te overleggen.” Vervolgens vroeg hij informatie over de stortingen op bankrekeningen in 1999 en 2000 (onderwerpen van de in 2.5. vermelde aanslagen recht van schenking), de financiering van de auto’s en van de inboedel, het huurcontract van de woning in België, hoe belanghebbende in haar levensonderhoud voorzag en informatie over een door belanghebbende opgerichte BV. Tevens gaf hij aan dat belanghebbende zich, volgens de officier van justitie, als schuldeiser bij de erfgenamen van [X] had gemeld.

2.6.8.Belanghebbende heeft hierop gereageerd bij brief van 10 augustus 2006. Voor zover te dezen van belang gaf zij aan dat:

-de auto’s ten name van de stiefmoeder niet van belanghebbende waren;

-[Y] een auto op naam van belanghebbende had gezet maar dat feitelijk slechts sprake was van ter beschikking stellen;

-zij geen enkele aanspraak had op de inboedel in België;

-zij als anti-kraakwacht fungeerde voor de woning in België;

-de relevantie van de vraag over levensonderhoud niet duidelijk was;

-zij nooit een vordering had ingediend bij de erven [X].

2.6.9.Bij brief van 14 augustus 2006 vroeg de inspecteur om een verklaring van de eigenaar van de inboedel en van de woning. Tevens concludeerde hij dat niet was voldaan aan de verplichtingen om informatie te verschaffen omdat nog steeds werd geweigerd stukken over te leggen. Bij brief van 22 augustus 2006 vroeg hij belanghebbende nadere informatie over een door belanghebbende verkochte Mercedes met kenteken [kenteken].

2.6.10.Bij brief van 18 september 2006 gaf belanghebbende aan niet in staat te zijn de door de inspecteur gevraagde stukken inzake de inboedel, de woning en de auto’s over te leggen omdat zij daarover niet beschikte. Tevens vroeg zij naar de relevantie van de vragen over de verkochte Mercedes.

2.6.11.Bij brief van 24 augustus 2007 deelde de inspecteur belanghebbende onder meer mede dat hij in het kader van een internationaal rechtshulpverzoek stukken in België had ingezien, gaf hij een overzicht van zijn bevindingen, vroeg hij een groot aantal stukken en overzichten op over de jaren 1990 tot en met augustus 2007, informatie over buitenlandse vennootschappen en de gerechtigdheid van belanghebbende daarin en over de wijze waarop belanghebbende na het overlijden van [Y] in haar levensonderhoud had voorzien.

2.6.12.Bij brief van 14 september 2007 gaf belanghebbende aan met een inhoudelijke reactie op de vragen te willen wachten tot de stukken uit België bekend waren. Belanghebbende heeft met betrekking tot een aantal onderwerpen wel een toelichting gegeven.

2.6.13.Bij brief van 15 november 2007 heeft de inspecteur nadere toelichting verstrekt over de informatie uit België en belanghebbende voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld de gevraagde informatie aan te leveren. Belanghebbende heeft geen nadere informatie verstrekt.

2.6.14In februari 2008 ontving belanghebbende aangiftebiljetten schenkingsrecht voor onder meer het onderhavige jaar. Bij brief van 19 februari 2008 heeft belanghebbende aangegeven wat zij uit de brieven van 16 januari 2006, 24 augustus 2007 en 15 november 2007 afleidde en welke schenkingen er volgens de inspecteur zouden zijn geweest en heeft zij de aangiftebiljetten ingevuld en ondertekend geretourneerd met een toelichting dat van schenkingen geen sprake was.

Grond in [plaatsnaam] en [plaatsnaam]; vordering [X]

2.7.Tot de stukken behoort een akte van [datum] 1990 waarbij [A] een woonhuis aan de [adres] te [plaatsnaam] verkoopt aan [K], een vennootschap opgericht naar het recht van de Bahamas, voor een prijs van ƒ 400.000.

2.8.Tot de stukken behoort een akte van 7 oktober 1991 waarbij [B] een perceel boomgaard met schuur te [plaatsnaam] verkoopt aan [L], een vennootschap opgericht naar het recht van de Bahamas, voor een prijs van ƒ 200.000.

2.9.Tot de stukken behoren twee “trust agreements” tussen [broer Y], broer van [[C] waarbij de laatste wordt aangesteld als trustee van [L] en [K]. Blijkens een proces-verbaal van 11 april 2006 heeft [C], gedomicilieerd in Zwitserland, onder meer het volgende verklaard:

In de loop van 1996 werd ik gecontacteerd door [M] met de vraag om 2 vennootschappen op de BAHAMA’s in orde te stellen omdat deze vennootschappen in het handelsregister op de Bahama’s geschrapt waren. (…) Ik kan u verklaren dat ik voorafgaandelijk van [broer Y] (…) de bewuste aandelencertificaten van beide vennootschappen overhandigd had gekregen. (…) Nadat ik als directeur dan aangesteld was geworden (…) werd ik dan verzocht, vermoedelijk door [M], om beide vermelde grondstukken te verkopen. (…) Met uitzondering van een overboeking op rekening van (…) waarvan [broer Y] directeur was, (…) werden alle andere gelden door [broer Y] in contanten opgenomen.

2.10.Bij akten van 20 september 2000 hebben [K] en [L] de in 2.7 en 2.8. vermelde onroerende zaken verkocht aan [A] voor een prijs van in totaal ƒ 2.000.000. [A] heeft over deze transacties onder meer het volgende verklaard:

Het is inderdaad juist dat ik in de loop van 2000 gronden aankocht van [eiseres]. (…) Toen ik [eiseres] eerder bij toeval ontmoette die bewuste vrijdag of zaterdag in 2000, raakten wij in gesprek en zo vernam ik dat zij haar stukken grond wilde verkopen. Ik stemde ermee in om de gronden aan te kopen. (…) Er werd toen onderling niets opgemaakt. (…) In verband met de grond gelegen te [plaatsnaam] kan ik u verklaren dat ik dat stuk grond in de jaren 1990 zelf had verkocht aan een Zwitserse vennootschap. (...) Het is inderdaad juist dat ik in 2000 dus hetzelfde stuk grond in [plaatsnaam] terug aankocht wat eerder door mij verkocht was geworden.

2.11.Blijkens een proces-verbaal van de Gerechtelijke dienst te Hasselt (België) heeft [broer Y], broer van [Y], op 16 februari 2006 onder meer het volgende verklaard:

Wel was ik ervan op de hoogte dat mijn broer via tussenkomst van (…) de aankoop van de villa te [plaatsnaam], [adres] had geregeld. (…) Het was de bedoeling dat [Y] dan achteraf het eigendomsrecht van de villa op naam van hem en [eiseres] (belanghebbende) zou laten overzetten, of aan een rechtspersoon aan hen gekoppeld. (…) In ieder geval had [Y] mij (…) gevraagd om in Zwitserland (…) een som geld te gaan ophalen. Volgens [Y] mij vertelde hadden hij en [eiseres] blijkbaar vennootschappen verkocht (...) Dat geld diende om de aankoop van de villa in [plaatsnaam] te bekostigen. (…) Ik wens dus uitdrukkelijk te verklaren dat de woning in [plaatsnaam] wel degelijk werd aangekocht met geld van [Y] en [eiseres].

2.12.Op 9 november 2005 heeft belanghebbende tegen de Federale politie te Hasselt (België) onder meer het volgende verklaard:

In verband met de omstandigheden waarin de villa [adres] te [plaatsnaam] werd aangekocht verklaar ik het volgende.

De villa werd aangekocht met geld afkomstig van een gedane verkoop van gronden in 2000 aan de heer [D] (…). Deze [D] kocht in de loop van 2000 namelijk van mij percelen grond die gelegen waren in [plaatsnaam] en te Leidsendam. (…) Er werd omgerekend 2 miljoen Nederlandse Gulden betaald voor aankoop van deze gronden. De gronden zelf waren mijn eigendom. Zij stonden op naam van 2 vennootschappen of maatschappijen, waarvan één de naam [K], betrof. Het betrof voor zover ik mijn herinner een Zwitserse vennootschap. Ik had de gronden op mijn beurt midden jaren ’90 van [Y] bekomen. (…)

Gezien [Y] in de periode van de verkoop van deze gronden opnieuw problemen had met de Nederlandse justitie en ik als partner van [Y] in Nederland eveneens aan hem werd gelinkt, werden door [Y] de nodige schikkingen genomen om het geld na de verkoop van de gronden te laten vastzetten, volgens mij in Zwitserland. (…)

Door (…) zodat de villa op naam van de Engelse vennootschap of holding [N] werd aangekocht met mijn geld. (…) In ieder geval was het dus zo dat de bezitter van de aandelen van de holding [N] logischerwijze ook eigenaar is van de villa. Na aankoop van de villa werden noch [Y] of ik (…) in het bezit gesteld van deze aandelen. (…) Volgens [Y] was het allemaal netjes geregeld op die manier. Eveneens werd er toen een soort huurovereenkomst opgesteld tussen [N] en mijn persoon waardoor ik in feite gratis tot eind 2004 in de villa mocht blijven wonen.. (…) Ik weet pertinent zeker dat [Y] (…) de druk enorm had opgevoerd om de aandelen in ons bezit te krijgen. Nooit hebben [Y] of ik echter de aandelen in handen gehad. Ik weet ook niet waar zich de aandelen thans bevinden. (...) Ik verklaar u nogmaals dat ik tot op de dag van vandaag de aandelen van [N] niet in mijn bezit heb gekregen en dat ik ook niet weet waar deze zich bevinden. Samengevat komt het er op neer dat (…) nog steeds over de aandelen beschikken van [N] waardoor zij het recht van eigendom van de villa kunnen opeisen.

(…)

Tevens kan nog een ander belangrijk gebeuren een rol hebben gespeeld in de dood van [Y]. Enkele dagen na de begrafenis van [Y] werd ik op verzoek van de advocaat van [Y], met name [M], op diens kantoor in Rotterdam uitgenodigd. (…) Ik verklaar u uitdrukkelijk dat ik tot op de dag van het gesprek (…) nooit iets had gehoord van één of andere lening tussen [Y] en [X]. (...) Enkele weken later (…). Ik werd toen in het bezit gesteld van het originele document aangaande een leningsovereenkomst tussen [Y] en [X]. Wat later, na de moord op [X], ben ik op zekere dag (…) naar het kantoor gereden van [broer X], de broer van [X]. (…) Ik heb het origineel van dit document nog in mijn bezit. Ik weet echter niet wat ik ermee moet aanvangen. (...)

2.13.Tot de stukken behoort een kopie van een leningovereenkomst van maart 1996 tussen [P] te Panama en [X], voor een bedrag van ƒ 1.250.000, met een rente van 12% per jaar ingaande 31 maart 2004. Tussen partijen is niet in geschil dat dit de vordering is waarmee belanghebbende, na de liquidaties van [X] en [Y], naar [broer X] is gegaan.

2.14.Aan belanghebbende zijn de volgende navorderingsaanslagen schenkingsrecht opgelegd die tijdens het onderzoek ter zitting gezamenlijk zijn behandeld:

Jaar Bedrag en rechtsgrond van de aanslag

1990: € 96.510 wegens verkrijging van het pand in [plaatsnaam]

1991: € 44.382 wegens verkrijging van de grond in [plaatsnaam]

1998: € 15.602 wegens verkrijging van een Mercedes

2001: € 554.043 wegens verkrijging van de woning in [plaatsnaam]

2003: € 24.599 wegens verkrijging van een Mercedes

2004: € 1.612.515 wegens verkrijging van de vordering op [X]

3. Geschil

3.1. In geschil is

-of belanghebbende heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 47 AWR en zoniet, of dat leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast;

-of de navorderingsaanslag voor het jaar 1990 terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

3.2. Belanghebbende stelt dat zij aan de verplichtingen ex artikel 47 AWR heeft voldaan. De tweede vraag beantwoordt zij ontkennend. De inspecteur is de tegengestelde mening toegedaan.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daar ter zitting aan hebben toegevoegd verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en van de navorderingsaanslag. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Bewijslast

4.1. De inspecteur heeft aangenomen dat sprake is geweest van een schenking in 1990. In zijn brief van 24 augustus 2007 heeft hij nadere informatie gevraagd over [K], over de grond in [plaatsnaam], waarop inmiddels bouwwerkzaamheden waren aangevangen en over alle vermogensbestanddelen die belanghebbende gedurende de jaren 1990 tot en met de datum van het overlijden van [Y] had verkregen.

4.2. Uit de onder 2.12. vermelde verklaring die belanghebbende in België heeft afgelegd, blijkt dat zij de grond c.q. de zeggenschap over de aandelen [K] midden jaren 90 van [Y] heeft verkregen. Belanghebbende heeft dat ter zitting ook niet ontkend. Naar het oordeel van de rechtbank was de vraagstelling van de inspecteur in de brief van 24 augustus 2007 zo ruim en duidelijk geformuleerd, dat belanghebbende als antwoord daarop alle haar bekende informatie over [K] en de grond in [plaatsnaam] had moeten verstrekken. Als antwoord op de vragen van de inspecteur heeft belanghebbende in de brief van 14 september 2007 vermeld zich niet bewust te zijn van enige bevoegdheid binnen [K]. Die informatie acht de rechtbank evident in strijd met de door belanghebbende afgelegde verklaring in België. Het gegeven dat belanghebbende na de verkoop aan [A] geen zeggenschap in [K] meer had, neemt immers niet weg dat zij die, blijkens haar eerdere verklaring, wel heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende die nadere informatie had moeten verstrekken en dat zij, door dat niet te doen, in strijd heeft gehandeld met de verplichtingen van artikel 47 AWR.

4.3. Artikel 27 e AWR bepaalt dat de rechtbank het beroep ongegrond verklaart indien niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 47 AWR, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. De rechtbank is van oordeel dat deze (zware) sanctie op het niet voldoen aan de inlichtingenplicht in dit geval gerechtvaardigd is nu belanghebbende als enige uitsluitsel kon geven over de gebeurtenissen rond [K] en de grond in [plaatsnaam] en de inspecteur zich redelijkerwijze op het standpunt kon stellen dat die informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing - in het bijzonder de heffing van recht van schenking - ten aanzien van belanghebbende.

4.4. Naar het oordeel van de rechtbank is met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, niet gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist was.

4.5. Alsdan moet de rechtbank nog beoordelen of de inspecteur de aanslag in redelijkheid kon vaststellen zoals hij heeft gedaan.

4.6. Voor het aannemen van een schenking dient aan de volgende eisen te zijn voldaan: verarming van de schenker, verrijking van de begiftigde en een bevoordelingsbedoeling.

4.7. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat belanghebbende en [Y] jarenlang hebben samengewoond. Indien twee mensen samenwonen en een gezamenlijke huishouding voeren, is het niet ongebruikelijk dat inkomen of vermogen van de ene partner wordt gebruikt voor de andere partner. Dat geldt zeker in situaties zoals deze, waarbij de ene partner wel inkomen en vermogen heeft en de andere partner niet. Indien de vermogende partner dan aan de ander geld, een woning of bijvoorbeeld een auto ter beschikking stelt, zal dat in het algemeen niet geschieden uit vrijgevigheid, maar gebeurt dat in het kader van de gezamenlijke huishouding. Van een schenking als bedoeld in de Successiewet is dan geen sprake. Dit is anders indien de vermogende partner de ander in staat stelt vermogen op te bouwen zonder direct verband met de gezamenlijke huishouding. Dan zal wel sprake kunnen zijn van vrijgevigheid en dus van een schenking.

4.8. Belanghebbende heeft bij de politie in België aangegeven dat zij midden jaren 90 de grond in [plaatsnaam] van [Y] heeft gekregen. Blijkbaar kreeg zij toen de zeggenschap over de aandelen in [K] Die vennootschap was immers de formele eigenaar van de grond. Belanghebbende heeft niet aangegeven waarom zij de grond in [plaatsnaam] van [Y] heeft gekregen. De rechtbank ziet geen enkel verband tussen die verkrijging en de gezamenlijke huishouding van belanghebbende en [Y]. Nu er geen andere reden is aangevoerd of gebleken, acht de rechtbank aannemelijk dat [Y] heeft gehandeld uit vrijgevigheid. De overdracht van de zeggenschap in [K] is dan een schenking waarover schenkingsrecht verschuldigd is. Het uitgangspunt van de inspecteur dat sprake is geweest van een schenking, acht de rechtbank dan ook redelijk.

4.9. Belanghebbende heeft verklaard dat zij de grond midden jaren 90 van [Y] heeft gekregen. De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid van hetgeen belanghebbende daarover heeft verklaard, te twijfelen. Nu de navorderingsaanslag geheel op deze verklaring is gebaseerd, kan redelijkerwijze de schenking niet anders dan midden jaren 90 worden gesitueerd. Daarmee is ook in overeenstemming de vermelding door belanghebbende in de aangifte 1995. Er zijn verder geen stukken of verklaringen waaruit blijkt dat en wanneer belanghebbende exact de zeggenschap in [K] heeft gekregen. Uit de verklaringen van [C] en [broer Y] is echter af te leiden dat de zeggenschap over [K] in 1996 nog bij de familie [Y] lag. [broer Y] heeft toen immers een trust agreement met [C] gesloten. De navorderingsaanslag gaat echter uit van een schenking in 1990. De rechtbank is van oordeel dat er geen enkel aanknopingspunt is voor de conclusie dat belanghebbende al in 1990 de grond – dat wil zeggen de zeggenschap over [K] – heeft gekregen en acht het uitgangspunt van de inspecteur dat de schenking in dat jaar heeft plaatsgevonden, niet redelijk. Dit uitgangspunt wordt immers noch door de verklaring van belanghebbende in België, noch door enig ander gegeven ondersteund. In tegenstelling tot de inspecteur, acht de rechtbank bovendien wel relevant dat belanghebbende, door de inspecteur niet weersproken, heeft gesteld dat zij in 1990 nog geen affectieve relatie had met [Y] en dat zij dat door middel van getuigenbewijs kon aantonen.

4.10. Nu het jaar waarin de schenking heeft plaatsgevonden van wezenlijk belang is voor de heffing van schenkingsrecht, de aanslag uitgaat van een schenking in 1990 en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het aanslagbiljet in casu een onjuist jaar vermeldt, moet de aanslag op die grond worden vernietigd. Dat heeft dan tot gevolg dat er helemaal geen schenkingsrecht wordt geheven over deze schenking. De rechtbank is met de inspecteur van oordeel dat dit een onbevredigende uitkomst is, nu er onduidelijkheid over het jaar van schenking is ontstaan doordat belanghebbende in het geheel geen informatie heeft verstrekt. De inspecteur had deze uitkomst echter kunnen voorkomen door tot behoud van rechten ook aanslagen schenkingsrecht op te leggen over 1995 of een van de daarop volgende jaren, nu uit de verklaring van belanghebbende volgde dat de schenking in een van die jaren heeft plaatsgevonden.

4.11. Al het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is en dat de uitspraak op bezwaar en de navorderingsaanslag moeten worden vernietigd.

5. Proceskosten

5.1. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De zaken met de procedurenummers 09/918, 09/919, 09/921, 09/922, 09/923 en 09/166 beschouwt de rechtbank als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). De rechtbank ziet geen reden om af te wijken van de normen in dit Besluit. De vergoeding wordt dan bepaald op € 161 voor de bezwaarfase (bezwaarschrift) plus € 644 voor de beroepsfase (beroepschrift en mondelinge behandeling) maal factor 1,5 wegens meer dan drie samenhangende zaken met toepassing van factor 1 wegens de moeilijkheidsgraad van de zaak. De totale vergoeding is dan

€ 1.207,50 waarvan 1/6e deel of € 201,25 betrekking heeft op deze zaak.

6. Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar, alsmede de navorderingsaanslag;

-gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze vergoedt; en

-veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van € 201,25 proceskosten en wijst de Staat aan als rechtspersoon die dit bedrag moet voldoen.

Aldus gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers- van Dooren, voorzitter, mr. M.L. Weerkamp en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Es-Hinnen, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 4 september 2009

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.