Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ8782

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
30-09-2009
Zaaknummer
08/5579
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ2835, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is van oordeel dat artikel 14a van de Wet BPM in strijd is met artikel 49 van het EG-verdrag nu het voornoemde artikel niet leidt tot een tijdsevenredige heffing zoals bedoeld in het arrest van het HvJ EG Van de Coevering (C-242/05) van 27 juni 2006. Dit gelet op het feit dat hij voor het gebruik van een niet in Nederland geregistreerde leaseauto met Luxemburgs kenteken (hierna: de auto) een volledige heffing van BPM is verschuldigd en het verzoek om een teruggaaf van BPM voor het naar het buitenland overbrengen van de auto extra administratieve lasten met zich meebrengt. Daarnaast stelt belanghebbende dat er voor het gebruik van de auto zowel in Nederland als in Luxemburg registratierechten verschuldigd zijn, hetgeen tot een dubbele belastingheffing leidt. Vaststaat dat de auto aan belanghebbende voor een periode langer dan 14 dagen ter beschikking staat. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende de auto feitelijk duurzaam gebruikt in Nederland, nu de inspecteur onweersproken heeft gesteld dat belanghebbende verklaard heeft de auto zowel zakelijk als privé te gebruiken en hij een leasecontract voor de duur van 3 jaar is aangegaan. Gelet op het voorgaande, en met inachtneming van het arrest Van de Coevering, levert naar het oordeel van de rechtbank een volledige heffing van BPM bij de registratie van de auto, in samenhang met de teruggave regeling van artikel 14a BPM voornoemd, geen strijd op met artikel 49 van het EG-Verdrag.

De grief van belanghebbende inzake de extra administratieve lasten van de teruggave regeling leidt niet tot een ander oordeel, nu de voorziene duur van de leaseovereenkomst niet zodanig kort is dat er gesproken kan worden van overdreven moeilijk na te komen verplichtingen. Overigens wordt een buitenlandse leasemaatschappij niet anders behandeld dan een binnenlandse leasemaatschappij, nu deze eveneens de BPM dient voor te financieren en zij te maken heeft met dezelfde administratieve lasten bij een verzoek om teruggaaf zoals vermeld in het voornoemde artikel. De stelling van belanghebbende dat er sprake is van dubbele belastingheffing leidt ook niet tot een ander oordeel, nu dit het gevolg is van het ontbreken van een harmonisatie op het gebied van registratierechten voor auto’s in de EU.

Wetsverwijzingen
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 49
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 14a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-2109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/5579

Uitspraakdatum: 2 september 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[naam eiser], wonende te [plaatsnaam],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Zuid, kantoor Roermond,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft aan belanghebbende d.d. 23 juli 2008 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [nummer]) belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM opgelegd naar een bedrag van € 32.270, alsmede bij beschikking een boete van € 16.135.

De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 3 november 2008 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 2 december 2008, ontvangen bij de rechtbank op 3 december 2008, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 145. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting door de enkelvoudige belastingkamer heeft plaatsgevonden op 24 juni 2009 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbendes gemachtigde, [naam], alsmede namens de inspecteur, [namen].

Naar aanleiding van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank besloten de zaak te verwijzen naar de meervoudige belastingkamer. Partijen hebben aan de rechtbank schriftelijke toestemming gegeven de zaak zonder nadere mondelinge behandeling af te doen.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is op 10 maart 2008 en op 1 april 2008 op de openbare weg in [plaatsnaam] aangetroffen gebruikmakend van een personenauto, merk Landrover, type [X], voertuigidentificatienummer [nummer], met Luxemburgs kenteken [kenteken] (hierna: de auto). De auto stond niet in Nederland geregistreerd en belanghebbende was evenmin in het bezit van een vrijstellingsvergunning.

2.2. Tijdens de aanhouding op 10 maart 2008 is belanghebbende zowel mondeling als schriftelijk geïnformeerd over de relevante BPM-wetgeving. Bij de aanhouding door de controleambtenaren op 1 april 2008 heeft belanghebbende verklaard dat hij de auto zowel zakelijk als privé heeft gebruikt. Uit een overgelegde leaseovereenkomst blijkt dat belanghebbende de auto voor drie jaar heeft geleased bij een Luxemburgse leasemaatschappij.

2.3. Ter zake van de tweede aanhouding is aan belanghebbende een naheffingsaanslag alsmede een boete opgelegd, ten bedrage van € 32.270 respectievelijk € 16.135.

3. Geschil

3.1. In geschil is of de aanslag BPM naar een juist bedrag is vastgesteld en verder is in geschil of er terecht een boete is opgelegd. De inspecteur beantwoordt beide vragen bevestigend en belanghebbende ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij hieraan het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

3.3. Belanghebbende stelt dat artikel 14a Wet BPM in strijd is met artikel 49 van het EG-Verdrag, nu het onderhavige artikel niet voorziet in een tijdsevenredige heffing als bedoeld in arrest van het Hof van Justitie van de EG (HvJ EG) van 27 juni 2006 nr. C-242/05 (Van de Coevering), aangezien de BPM in beginsel vóór aanvang van het gebruik van de auto in Nederland volledig wordt geheven en de BPM pas op het moment dat de auto weer buiten Nederland wordt gebracht op grond van artikel 14a Wet BPM kan worden teruggevraagd. Daarnaast dient belanghebbende voor het terugvragen van de BPM op grond van het onderhavige artikel extra administratieve werkzaamheden te verrichten. Tot slot stelt belanghebbende dat er sprake is van dubbele belastingheffing, nu de buitenlandse leasemaatschappij ook in het buitenland een registratiebelasting verschuldigd is.

Inspecteur

3.4. De inspecteur voert aan dat artikel 14a Wet BPM niet in strijd is met artikel 49 van het EG-Verdrag, nu een Nederlandse leasemaatschappij de BPM tevens dient voor te financieren en evenals belanghebbende administratieve werkzaamheden dient te verrichten indien zij een auto naar het buitenland wil brengen om de BPM te kunnen terugvragen.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging of vermindering van de naheffingsaanslag en vernietiging van de boete. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 5, lid 2 van de Wet BPM wordt met betrekking tot – voor zover te dezen van belang - een niet geregistreerde personenauto de belasting geheven van degene die de auto feitelijk ter beschikking heeft.

4.2. Voor wat betreft de naheffing van BPM is in artikel 12b van de Wet BPM bepaald dat ingeval van constatering van het gebruik van de weg met een personenauto waarvoor de belasting die is verschuldigd ter zake van het in artikel 1, vijfde of zevende lid, genoemde feit niet is betaald, de belasting kan worden nageheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft. Het tijdstip van aanvang van het gebruik van de weg wordt daarbij gesteld op het tijdstip van constatering.

4.3. Het HvJ EG heeft in de zaak Van de Coevering (C-242/05) als volgt beslist:

“ De artikelen 49 EG tot en met 55 EG verzetten zich tegen een nationale regeling van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan van een in die lidstaat wonende natuurlijke persoon die een in een andere lidstaat geregistreerd voertuig huurt, bij de aanvang van het gebruik van deze auto op de weg van de eerstgenoemde lidstaat voldoening van de volle registratiebelasting wordt gevorderd, zonder dat rekening wordt gehouden met de duur van het gebruik van dat wegennet en zonder dat de betrokkene aanspraak kan maken op vrijstelling of teruggaaf, wanneer die auto niet is bestemd voor duurzaam gebruik in eerstgenoemde lidstaat en daar ook niet feitelijk duurzaam wordt gebruikt. “

4.4. Naar aanleiding van het arrest Van de Coevering, heeft Nederland de BPM, kort weegegeven, als volgt aangepast:

- Vrijstelling wordt verleend voor auto’s die zijn geregistreerd in het buitenland en die voor een periode van ten hoogste twee weken in Nederland ter beschikking staan van een inwoner van Nederland (art. 3a Uitvoeringsbesluit BPM);

- Teruggaaf van BPM kan worden verleend bij uitvoer van een auto uit Nederland (artikel 14a van de Wet BPM). De leden 2 en 3 van dit artikel luiden als volgt:

“2. Teruggaaf van de belasting wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag verleend voor in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende Europese Economische Ruimte geregistreerde personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s waarvoor de belasting is geheven ter zake van de aanvang van het gebruik in Nederland met dat motorrijtuig van de weg door een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam, indien het motorrijtuig niet langer feitelijk ter beschikking staat van de in Nederland wonende natuurlijke persoon of het in Nederland gevestigde lichaam en het motorrijtuig weer buiten Nederland is gebracht. De teruggaaf wordt verleend aan de degene van wie de belasting ingevolge artikel 5, tweede lid, is geheven. “

“3. De teruggaaf, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt uitsluitend verleend indien de belasting is betaald ter zake van de registratie van het motorrijtuig of de tenaamstelling van het kenteken, dan wel de aanvang van het gebruik in Nederland met het motorrijtuig van de weg, op of na 16 oktober 2006.

4.5. Vaststaat dat de auto aan belanghebbende voor een periode langer dan 14 dagen ter beschikking staat. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende de auto feitelijk duurzaam gebruikt in Nederland, nu de inspecteur onweersproken heeft gesteld dat belanghebbende verklaard heeft de auto zowel zakelijk als privé te gebruiken en hij een leasecontract voor de duur van 3 jaar is aangegaan. Gelet op het voorgaande, en met inachtneming van het arrest Van de Coevering, levert naar het oordeel van de rechtbank een volledige heffing van BPM bij de registratie van de auto, in samenhang met de teruggaveregeling van artikel 14a BPM voornoemd, geen strijd op met artikel 49 van het EG-Verdrag.

4.6. Belanghebbendes stelling dat de Nederlandse teruggaveregeling administratieve lasten met zich meebrengt, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat, afgaande op het leasecontract, de voorziene tijd van het gebruik van de auto in Nederland niet zodanig kort is dat gesproken kan worden van overdreven moeilijk na te komen verplichtingen.

4.7. Voor zover belanghebbende stelt dat hij, door de auto te leasen bij een buitenlandse leasemaatschappij, slechter af is dan andere BPM – plichtigen volgt de rechtbank hem niet. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat een Nederlandse leasemaatschappij eveneens de BPM dient voor te financieren en ook dezelfde administratieve lasten heeft in verband met het terugvragen van de BPM bij het overbrengen van de leaseauto naar het buitenland. Derhalve kan niet worden gezegd dat een binnenlandse lease-maatschappij anders behandeld wordt dan een buitenlandse leasemaatschappij. Voor beide situaties geldt ook dat, indien de leasemaatschappij de BPM niet voldoet, de feitelijk gebruiker van de auto die BPM verschuldigd is. Ook op dat punt is dus sprake van gelijke behandeling.

4.8. De enkele stelling van belanghebbende dat sprake is van dubbele belastingheffing, nu de buitenlandse leasemaatschappij in het buitenland eveneens registratiebelasting verschuldigd is naast de door belanghebbende verschuldigde BPM in Nederland kan belanghebbende niet baten. Dat is dan het gevolg van het ontbreken van een harmonisatie op het gebied van de registratiebelastingen voor auto’s in de EU. Nu er geen Europese regeling is, mogen de lidstaten zelf de voorwaarden vaststellen voor de registratie van voertuigen die op hun grondgebied in het verkeer zijn – met inachtneming van de grondregels uit het EG-verdrag. Gezien de jurisprudentie van het HvJ EG acht de rechtbank buiten twijfel dat het een lidstaat is toegestaan een registratiebelasting, zoals de belasting van personenauto's en motorrijwielen, te heffen over een voertuig dat ter beschikking van één van zijn inwoners is gesteld door een in een andere lidstaat gevestigde vennootschap, wanneer dit voertuig hoofdzakelijk is bestemd voor duurzaam gebruik in eerstgenoemde lidstaat of daar feitelijk duurzaam wordt gebruikt (vgl. onder meer: HvJ EG van 21 maart 2002, Cura Anlagen GmbH-Auto Service Leasing GmbH, C-451/99, Jurispr. blz. I 3193, punt 42; beschikking van HvJ EG van 30 mei 2006, Leroy, C-435/04, Jurispr. 2006, bladzijde I-04835, punt 14; beschikking van HvJ EG van 27 juni 2006, Van de Coevering, C-242/05, Jurispr. 2006, bladzijde I-05843, punt 24)

4.9. Gelet op de in onderdeel 4.5 genoemde overweging is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur, nu de berekening van de verschuldigde BPM verder niet in geschil is, terecht en naar een juist bedrag een naheffingsaanslag BPM in de zin van artikel 12b van de Wet BPM heeft opgelegd.

4.10. Met betrekking tot de vergrijpboete is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur terecht een boete van 50% heeft opgelegd nu belanghebbende reeds twee maal op de hoogte is gebracht van de relevante BPM-wetgeving en belanghebbende derhalve bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat ten onrechte geen BPM werd afgedragen. De rechtbank acht het standpunt van belanghebbende dat geen BPM verschuldigd is, niet pleitbaar gezien de duidelijke tekst van het arrest Van de Coevering. Hetgeen belanghebbende heeft gesteld, leidt niet tot een ander oordeel.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr.drs. M.G.J.M. van Kempen, voorzitter, mr. W. Brouwer en mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren , rechters, en door de voorzitter en mr. M.H. van Heel, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 16 september 2009

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.