Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ7857

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
03-08-2009
Datum publicatie
17-09-2009
Zaaknummer
07/4978
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een aantal aandeelhouders (BV’s) van een failliete BV neemt van die BV, met toestemming van de curator, een vordering over voor ƒ 1. Na een procedure wordt de vordering nagenoeg geheel geïnd. De rechtbank oordeelt dat de overdrachtsprijs van ƒ 1 zakelijk was en niet was ingegeven door het aandeelhouderschap van de overnemers van de vordering. Zulks zou anders zijn, indien op het moment van verkoop voorzienbaar was dat de vordering een positief saldo zou opleveren. Op het voordeel behaald met het geïnde bedrag is dan de deelnemingsvrijstelling voor de vennootschapsbelasting niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/53.2.1
FutD 2009-1972
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/4978

Uitspraakdatum: 3 augustus 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [adres eiseres],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Roosendaal,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2003 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 8.755.319.

1.2. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 oktober 2007 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 22 november 2007, ontvangen bij de rechtbank op 23 november 2007, beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2009 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende in de persoon van haar bestuurders [namen bestuurders], vergezeld van de gemachtigde [naam gemachtigde], verbonden aan Van Oers Accountants en Belastingadviseurs te Roosendaal, alsmede namens de inspecteur, [naam inspecteur]. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is voor 75,2% aandeel[A]der in [A] B.V. ([A]). De overige aandelen (24,8%) zijn in handen van [B] B.V.

2.2. Op 1 maart 1993 heeft [A] een slibverwerkingsovereenkomst gesloten met het waterschap [X]. Voor de financiering van de slibverwerkingsinstallatie heeft [A] kredietovereenkomsten gesloten met ING Bank N.V. en (thans) Fortis Bank N.V. (banken) tot een totaalbedrag van ƒ 43.000.000.

2.3. De slibverwerkingsinstallatie is in 1994 in gebruik genomen maar lag regelmatig stil doordat de waterschappen vervuild slib aanleverden. Hierdoor kwam [A] medio 1995 in liquiditeitsproblemen, waarop belanghebbende een deel van de schuld (afgerond ƒ 2.300.000) van [A] aan de banken heeft overgenomen en haar aandelen in [A] met het stemrecht heeft verpand aan de banken.

2.4. In 1996 heeft [A] verzocht om arbitrage inzake het geschil met de waterschappen over het vervuilde slib en de (financiële) consequenties. Voor de exploitatiejaren 1994 en 1995 is de vordering van [A] op de waterschappen (vordering) op ƒ 25.873.169 begroot.

2.5. Op 20 maart 1997 is [A] failliet verklaard. Begin april 1997 hebben de banken hun vorderingen ingediend bij de curator, [naam curator], (de curator) neerkomend op afgerond ƒ 43.000.000, exclusief rente en kosten.

2.6. Op 18 november 1997 is een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen de banken, belanghebbende, de stichting administratiekantoor aandelen in [eiseres] B.V., [Y] B.V., [Z] B.V., [bestuurders] en de curator. Hierbij is onder meer het volgende overeengekomen:

“Artikel 1 – Overdracht vorderingen op de Schappen

1.1 De Curator verkoopt hierbij en draagt over aan [eiseres], welke hierbij van de Curator koopt en aanvaardt alle rechten en vorderingen welke de Curator heeft, voortvloeiende uit of in verband met:

1)alle tussen [A] en de Schappen gesloten contracten, waaronder begrepen (eventuele) vorderingen op grond van wanprestatie en/of onrechtmatige daad en/of eventuele rechten om zekere rechtshandelingen te vernietigen en/of nietig te verklaren;

(…)

Bedoelde rechten en vorderingen zullen hierna worden aangeduid als de “Vorderingen”.

(…)

1.3 De koopprijs voor de Vorderingen (de “Koopprijs”) bedraagt NLG 1,-- welke Koopprijs op heden in contanten is voldaan en waarvoor de Curator hierbij volledige kwijting verleent.

(…)

Artikel 3 – Incasso der Vorderingen

3.1. [eiseres] heeft, zolang zij haar verplichtingen onder deze Overeenkomst nakomt, het exclusieve recht de Vorderingen te incasseren. Zij heeft daarbij de vrijheid zulks te doen op de naar haar oordeel meest effectieve wijze, met dien verstande dat zij gehouden is het er toe te leiden dat in geen geval een of beide Banken op enigerlei wijze wordt betrokken in enige procedure inzake (een deel van) de Vorderingen. [eiseres] heeft jegens de Banken geen enkele verplichting om tot incasso over te gaan en het staat haar te allen tijde vrij een eventueel aangevangen incasso te staken. In dat geval is [eiseres] gehouden om op verzoek van de Banken de Vorderingen aan de Banken om niet over te dragen.

(…)

Artikel 4 – Verdeling der opbrengsten

4.1. Alle bedragen welke op welke wijze dan ook zullen worden geïncasseerd van of in verband met de Vorderingen (deze bedragen hierna te noemen “de Opbrengsten”) zullen worden verdeeld als volgt:

Uit de Opbrengsten zullen eerst de in de periode vanaf heden gemaakte out of pocket expenses verband houdende met het incasso van de Vorderingen worden vergoed aan diegenen die deze hebben gemaakt of voorgeschoten. In dit verband zijn onder out of pocket expenses te verstaan alle aan anderen dan de Aandeelhouders en/of enige natuurlijke of rechtspersoon met wie één of meer der Aandeelhouders in een groep of anderszins verbonden is, betaalde bedragen. Het alsdan resterende deel van de Opbrengsten zal worden verdeeld op basis van 50% voor de Banken en 50% voor [eiseres].”

2.7. Ten aanzien van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst verklaart de curator in zijn brief van 7 december 2001 het volgende:

“Slechts indien de uitkomst van de arbitrage dit bedrag [ƒ 43.000.000] zou overschrijden had ik er belang bij om niet mee te werken aan de overdracht van de vordering voor ƒ 1, welk bedrag u in dit verband moet zien als een symbolisch bedrag. Vanuit de optiek van de boedel waren er voor mij geen redenen om mij hiertegen te verzetten.

Bij een en ander heeft de brief van 10 juli 1997 van [eiseres] BV een rol gespeeld. In die brief staat immers dat de inzet van de arbitrage tegen de waterschappen maximaal ƒ 54 miljoen is, waarop de kosten in mindering strekken, zodat per saldo nimmer meer zou worden ontvangen dan de banken, inclusief rente, te vorderen zouden hebben.”

2.8. Bij tussenvonnis van 24 januari 2000 heeft het Nederlands Arbitrage Instituut bepaald dat de waterschappen bij wijze van voorlopige schadevergoeding een bedrag van ƒ 4.000.000 aan belanghebbende zullen betalen. In het eindvonnis van 22 december 2000 heeft het Nederlands Arbitrage Instituut de vordering vastgesteld op ƒ 42.079.000, exclusief proceskosten en wettelijke rente. Dit vonnis is, na afronding van de appel -en bodemprocedure, op 7 augustus 2003 definitief geworden.

2.9. Belanghebbende heeft in 2000 uit hoofde van de vordering een bedrag van ƒ 51.134.298 (€ 23.203.732) van de waterschappen ontvangen. Hiervoor is in 2000 een voorziening gevormd van ten bedrage van ƒ 27.908.161 (€ 12.664.171).

2.10. Belanghebbende heeft over 2003 aangifte vennootschapsbelasting gedaan naar een belastbare winst van € 2.865.768 negatief. Dit bedrag is als volgt bepaald:

Resultaat gewone bedrijfsvoering € 255.608

Bij: bijzondere baten € 9.542.795

Fiscale winst € 9.798.403

Af:

vrijval van de voorziening (ƒ 21.029.552) € 9.542.795

deelnemingsvrijstelling (ƒ 6.878.607) € 3.121.376

€ 12.664.171

Belastbare winst-/- € 2.865.768

2.11. Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur de belastbare winst met € 12.664.171 gecorrigeerd en vastgestel op € 9.798.403. De aanslag is, met inachtneming van nog te verrekenen verliezen van € 1.043.084, opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 8.755.319.

3. Geschil

3.1. In geschil is de vraag of de winst op de vordering onder de deelnemingsvrijstelling in de zin van artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 valt, zoals belanghebbende stelt doch de inspecteur betwist.

Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord is in geschil de aftrek van de in het kader van het incasso van de vordering door belanghebbende gemaakte kosten gedurende de jaren 2000 tot en met 2003.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken Voor hetgeen partijen ter zitting hieraan hebben toegevoegd wordt verwezen naar het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbare winst van primair negatief € 2.865.768 en subsidiair € 6.677.027. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de verkoop van de vordering door [A] aan belanghebbende voor ƒ 1 moet worden gekwalificeerd als een winstuitdeling aan belanghebbende omdat de objectieve waarde van de vordering ten tijde van de verkoop meer dan ƒ 1 bedroeg.

4.2. Bij de beoordeling van dit standpunt van belanghebbende stelt de rechtbank voorop dat alleen dan sprake is van een uitdeling van winst aan een aandeelhouder indien een bewuste vermogensverschuiving plaatsvindt van de vennootschap naar de aandeelhouder als zodanig, leidende tot een verarming van de vennootschap waarbij de onttrekking van vermogen plaatsvindt uit winst of winstreserves, dan wel uit binnen afzienbare tijd te behalen winst.

4.3. Op belanghebbende rust de last om deze stelling aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank is zij hierin niet geslaagd. Niet valt in te zien dat [A] met de verkoop van de vordering aan belanghebbende voor ƒ 1 de bedoeling had belanghebbende in haar kwaliteit van aandeelhouder te bevoordelen. Zulks zou anders zijn, indien op het moment van verkoop voorzienbaar was dat de vordering een positief saldo zou opleveren. De enkele omstandigheid dat de directe aandeelhouders van belanghebbende de kennis en expertise bezaten om de vordering te kunnen incasseren is onvoldoende om aannemelijk te achten dat de waterschappen in de lopende arbitrageprocedure in het ongelijk zouden worden gesteld en de vordering zou worden toegewezen. Hierbij moet tevens in aanmerking worden genomen dat bij de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat uit de opbrengst eerst de gemaakte out of pocket expenses verband houdende met het incasso van de vordering worden vergoed. De omvang van de incassokosten stond op het moment van verkoop geenszins vast, evenmin als de uiteindelijke uitkomst van de procedure, namelijk toekenning van de vordering tot het door [A] gevorderde bedrag. Hieruit volgt dat het op het moment van de verkoop niet voorzienbaar was dat de vordering een positief saldo zou opleveren. De verkoopprijs van ƒ 1 kan naar het oordeel van de rechtbank als zakelijk worden aangemerkt. Bij de vaststellingsovereenkomst waren tevens de banken en de curator van [A] betrokken. Nu deze partijen niet met belanghebbende zijn gelieerd, valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien waarom die partijen in strijd met hun eigen belangen en de belangen van de crediteuren van [A] zouden instemmen met een bevoordeling door [A] van belanghebbende. Ook de omstandigheid dat de mede-aandeelhouder van [A] niet meegedaan heeft met de incasso van de vordering en akkoord gegaan is met de overdracht van de vordering voor ƒ 1 duidt op zakelijkheid van de overdrachtsprijs.

4.4. Nu reeds op grond van het hiervoor onder 4.3. overwogene geen sprake is van een winstuitdeling valt de waardestijging van de vordering niet onder de deelnemingsvrijstelling.

4.5. Ten aanzien van de aftrek van de in het kader van het incasso van de vordering door belanghebbende gemaakte kosten gedurende de jaren 2000 tot en met 2003 oordeelt de rechtbank als volgt. Nu belanghebbende een fiscale winst van € 9.798.403 heeft aangegeven en haar eigen vermogen per 31 december 2003 met eenzelfde bedrag is toegenomen, kan de rechtbank belanghebbende niet volgen in haar betoog dat de belastbare winst tot een te hoog bedrag zou zijn vastgesteld. Uit de vermogensopstelling vloeit voort dat bij de vaststelling van de winst op de vordering op het bedrag van € 9.542.795 de gemaakte kosten reeds in mindering zijn gebracht.

4.6. Op grond van al het vorenstaande is het gelijk aan de zijde van de inspecteur en moet het beroep ongegrond worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr A.A. den Hartog en mr. M.M. de Werd, rechters, en door de voorzitter en mr. M.J. van Balkom, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 11 augustus 2009

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.