Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ7679

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23-07-2009
Datum publicatie
15-09-2009
Zaaknummer
08 / 5505 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstandsuitkering voor de duur van een maand met 20% wegens niet deelnemen aan een traject. Betrokkene heeft niet aangetoond dat zij meer medische beperkingen had dan de reeds bekende psychische klachten, zodat voorafgaand aan het opleggen van de maatregel geen nader medisch onderzoek diende te worden verricht. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat het traject begint met een diagnosefase waarin aan de hand van medisch en psychologisch onderzoek wordt onderzocht wat de mogelijkheden van betrokkene zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 08 / 5505 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

[naam eiser],

wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde mr. A.P.G.M. Schreurs,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 november 2008 (bestreden besluit) inzake de verlaging van haar bijstandsuitkering met 20% gedurende één maand.

Het beroep is behandeld ter zitting van 9 juni 2009, waarbij aanwezig waren de gemachtigde van eiseres en namens verweerder [naam persoon] en [naam persoon].

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres ontvangt een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Bij besluit van 2 november 2006 is eiseres, op basis van een advies van Pluspunt Eindhoven B.V. (Pluspunt) van 15 maart 2006, tot 1 juli 2007 ontheven van de arbeidsverplichting ‘naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden’. Voorts is in dit besluit aan eiseres onder meer de verplichting opgelegd om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling. Eiseres heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.

In februari en juni 2008 hebben tussen verweerder en eiseres, in het kader van een tussenonderzoek, gesprekken plaatsgevonden. Op basis van deze gesprekken is op 19 juni 2008 een trajectplan opgesteld en naar eiseres verzonden, welk plan vervolgens door eiseres is ondertekend. In dit plan is vastgelegd dat er sprake is van factoren die de inschakeling naar (reguliere) arbeid belemmeren, maar dat er desondanks toch mogelijkheden kunnen zijn voor eiseres om te gaan werken, mits er rekening wordt gehouden met haar belemmeringen. Afgesproken is om eiseres aan te melden voor het traject “Op stap naar werk” (het traject). In de eerste maand van het traject zal bekeken worden wat de mogelijkheden van eiseres zijn. Tot slot is eiseres in het trajectplan gewaarschuwd dat het niet voldoen aan de haar opgelegde verplichtingen tot gevolg kan hebben dat haar uitkering wordt verlaagd.

Op 9 juli 2008 heeft een voorlichtingsbijeenkomst van het traject plaatsgevonden. Eiseres heeft deze bijeenkomst bijgewoond.

Vervolgens heeft eiseres geweigerd het contract met de uitvoerder van het traject, WSD, te ondertekenen en is zij op 1 augustus 2008 niet gestart met het traject. Zij heeft aangegeven te ziek te zijn om aan het traject deel te nemen.

Bij besluit van 20 augustus 2008 (primair besluit) heeft verweerder eiseres een maatregel opgelegd, inhoudende dat haar uitkering met ingang van 1 augustus 2008 voor de duur van één maand met 20% wordt verlaagd. De reden hiervoor is dat eiseres niet heeft deelgenomen aan het traject en aldus de haar opgelegde arbeidsverplichtingen op grond van artikel 9 van de WWB niet is nagekomen.

Eiseres heeft op 27 augustus 2008 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder overeenkomstig het advies van de Bezwaarschriftencommissie van 22 oktober 2008 de bezwaren van eiseres, voor zover gericht tegen de oplegging van de verplichting tot meewerken aan het trajectplan en het vaststellen van het trajectplan, niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft de bezwaren van eiseres die zijn gericht tegen het opleggen van een maatregel ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat eiseres weliswaar niet in staat is om te werken, doch de verplichting opgelegd heeft gekregen gebruik te maken van een door verweerder aangeboden voorziening. Uit het advies van de psychologe van eiseres volgt niet dat het volgen van een dergelijk traject niet van haar verlangd kan worden. Nu eiseres weigert deel te nemen aan het traject, blijft verweerder op het standpunt dat terecht en op goede gronden de uitkering van eiseres is verlaagd.

2.2 Eiseres heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat zij vanwege lichamelijke en psychische klachten niet in staat is om aan het traject deel te nemen. Ter onderbouwing van haar stelling heeft zij informatie van haar internist en haar psychologe overgelegd. Eiseres meent dat verweerder niet zonder medisch onderzoek tot het opleggen van een maatregel had mogen overgaan. Tot slot geeft eiseres aan dat verweerder niet dan wel onvoldoende is ingegaan op de in het bezwaarschrift aangevoerde argumenten. Daarin heeft eiseres aangevoerd dat de medische informatie die aan het besluit ten grondslag ligt verouderd is.

2.3 Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien belanghebbende de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen niet of niet voldoende nakomt het college de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB dient te verlagen. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verlagen van de bijstand vast, bedoeld in artikel 18, tweede lid.

De gemeenteraad heeft deze nadere regels gesteld bij de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand (Afstemmingsverordening).

In artikel 10 van de Afstemmingsverordening is bepaald dat gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

1. Eerste categorie:

Het niet nakomen van gemaakte afspraken in het kader van de arbeidsverplichtingen, zoals opgenomen in de beschikking en/of een trajectplan.

2. Tweede categorie:

a. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid

b. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.

In artikel 11 van de Afstemmingsverordening is bepaald dat de verlaging wordt vastgesteld op:

1. 20 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie;

2. 100 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie.

2.4 De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiseres zich niet richt tegen de niet-ontvankelijkheid van haar bezwaren, voor zover gericht tegen de oplegging van de verplichting tot het meewerken aan het trajectplan en het vaststellen van dit plan. In geschil is aldus enkel de vraag of verweerder terecht een maatregel van 20% gedurende een maand heeft opgelegd wegens het niet deelnemen aan het traject.

De rechtbank overweegt dat uit de productbeschrijving van het traject blijkt dat dit traject bedoeld is voor deelnemers met een grote afstand tot de arbeidsmarkt met een grote diversiteit in mogelijkheden en belemmeringen. De eerste maand van het traject wordt de diagnosefase genoemd. In deze fase wordt een drietal modules ingezet, waarna duidelijk wordt hoe het individuele traject er na de proeftijd uit moet zien. Deze modules zijn medische fitness, psychologische ondersteuning en arbeid. Wat betreft de psychologische ondersteuning wordt beschreven dat, wanneer een deelnemer al contacten heeft met een psycholoog of GGZ, deze reeds bestaande zorg uiteraard voortgezet zal worden en ondersteuners uitdrukkelijk bij het traject zullen worden betrokken. Arbeid kan onderdeel uitmaken van de diagnosefase, maar is geen verplichting. Het is mogelijk dat arbeid nog niet vanaf het begin deel kan uitmaken van het traject, omdat medische of psychische belemmeringen nog een te grote invloed hierop hebben. Dan zal in de eerste fase eerst aandacht besteed worden aan de (twee) componenten. Na de periode van één maand volgt een proeftijdbeoordeling. Er dient dan een medisch advies te zijn ten aanzien van de vervolgstappen op medisch vlak. De psycholoog geeft zijn advies over de mogelijke en noodzakelijke psychologische ondersteuning. Ook ten aanzien van de component arbeid komt een advies over de eerste inschatting aan arbeidsmogelijkheden.

Het traject kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een voorziening in de zin van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB.

Eiseres heeft gesteld dat zij door ziekte niet per 1 augustus 2008 heeft kunnen deelnemen aan het traject, zodat er geen sprake is van verwijtbaar gedrag. Ter onderbouwing van haar stelling heeft eiseres in bezwaar een schrijven van haar psychologe van 25 juni 2008 overgelegd. In beroep heeft eiseres hieraan een schrijven van haar psychologe van

26 september 2008 en van haar internist van 15 oktober 2008 toegevoegd. Ten aanzien van laatstgenoemd schrijven overweegt de rechtbank dat hieruit geenszins blijkt dat eiseres op

1 augustus 2008 niet in staat was aan het traject deel te nemen, doch enkel dat zij zich in

juni 2008 bij deze internist heeft gemeld met hyperventilatie en een milde hypothyreoïdie, waarvoor zij voor verdere begeleiding is terugverwezen naar de huisarts. Wat betreft de informatie van de psychologe van eiseres overweegt de rechtbank dat door verweerder wordt erkend dat, zoals de psychologe van eiseres in haar laatstgenoemde schrijven heeft gesteld, eiseres niet in staat is om te werken. Dit feit betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiseres per 1 augustus 2008 niet in staat was aan het traject deel te nemen. De door de psychologe in haar schrijven van 25 juni 2008 benoemde psychische klachten zijn verweerder bekend. Er is echter naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat deze klachten op of omstreeks 1 augustus 2008 dusdanig verergerd waren dat eiseres hierdoor niet aan het traject kon deelnemen. De rechtbank overweegt daarbij dat het traject bestaat uit een diagnosefase waarin aan de hand van medisch en psychologisch onderzoek wordt bekeken wat de mogelijkheden voor eiseres zijn. Daarbij wordt de behandelende sector betrokken.

Het standpunt van eiseres dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door een maatregel op te leggen zonder voorafgaand medisch onderzoek en zelf zonder nader overleg met de behandelaar van eiseres, onderschrijft de rechtbank niet. Zoals al eerder is overwogen, is verweerder op de hoogte van de psychische klachten van eiseres. Slechts indien eiseres aantoonbaar meer medische beperkingen had dan waarmee verweerder rekening heeft gehouden, was een nader onderzoek aangewezen. Nu dit onvoldoende is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten geen medisch onderzoek te laten verrichten naar de (on)mogelijkheid om op 1 augustus 2008 met het traject te kunnen starten.

Voor zover gesteld wordt dat aan het besluit van verweerder verouderde medische gegevens, namelijk het rapport van Pluspunt van 15 maart 2006, ten grondslag liggen, merkt de rechtbank op dat deze gegevens de basis vormen voor het besluit van verweerder om eiseres aan te melden voor het traject. Zoals hiervoor is overwogen, is in geding enkel het besluit om eiseres een maatregel op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres, door de weigering deel te nemen aan het traject, verwijtbaar heeft gehandeld in strijd met de haar opgelegde verplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de WWB, zodat verweerder gehouden was de bijstand te verlagen. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder had moeten afzien van het opleggen van een maatregel.

2.5 Gelet op het vorenstaande wordt het beroep ongegrond verklaard.

2.6 Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. D.H. Hamburger, rechter, en door deze en mr. S. Constant, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2009.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: