Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ7675

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
15-09-2009
Datum publicatie
15-09-2009
Zaaknummer
208507 KG ZA 09-508
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Kort geding ter voorkoming van sluiting van koffieshops in Roosendaal en Bergen op Zoom. De koffieshophouders hadden niet de burgemeesters maar de gemeenten moeten dagvaarden. Bovendien moet de gevraagde voorziening door de terzake gespecialiseerde bestuursrechter worden gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 208507 / KG ZA 09-508

Vonnis in kort geding van 15 september 2009

in de zaak van

1. [AK],

handelend onder de naam ‘Liberty 2’ Koffie- en Theehuisje,

wonende te Roosendaal,

2. [FM],

handelend onder de naam Koffieshop International,

wonende te Bergen op Zoom,

3. [CA],

handelend onder de naam Kinky Corner,

wonende te Bergen op Zoom,

4. [AB] en [MB],

beiden handelend onder de naam vennootschap onder firma Koffieshop ‘Miami’,

wonende te Bergen op Zoom respectievelijk Halsteren,

5. [MD],

handelend onder de naam Koffieshop ‘Sahara’,

wonende te Rotterdam,

6. [BQ],

handelend onder de naam Koffieshop ‘Christiana’,

wonende te Roosendaal,

eisers,

advocaat mr. H.E.C.M. Nieland te Bergen op Zoom,

tegen

1. DE BURGEMEESTER VAN DE GEMEENTE BERGEN OP ZOOM,

zetelend te Bergen op Zoom,

2. DE BURGEMEESTER VAN DE GEMEENTE ROOSENDAAL,

zetelend te Roosendaal,

gedaagden,

advocaat mr. B.J.P.G. Roozendaal te Breda.

Eisers zullen hierna tezamen ‘de koffieshophouders’ genoemd worden. De gedaagden zullen samen worden aangeduid als ‘de burgemeesters’.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de op 4 september 2009 uitgebrachte dagvaarding;

- de producties 1 tot en met 14 van de koffieshophouders;

- de producties 1 tot en met 4 van de burgemeesters;

- de mondelinge behandeling ter zitting van 11 september 2009;

- de pleitnota van mr. Nieland;

- de pleitnota van mr. Roozendaal.

1.2. Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt in dit kort geding uitgegaan van de navolgende feiten:

- Eisers 1 en 6 exploiteren een koffieshop in de gemeente Roosendaal. Eisers 2 tot en met 5 exploiteren een koffieshop in de gemeente Bergen op Zoom. In deze koffieshops worden softdrugs verkocht.

- Sinds 2005 voeren de burgemeesters van Bergen op Zoom en Roosendaal een identiek beleid inzake de verkoop van softdrugs in hun gemeenten. Dit beleid is neergelegd in de Nota Cannabisbeleid 2005 en gewijzigd in de Nota Cannabisbeleid 2007. Dit beleid komt er kort gezegd op neer dat de verkoop van softdrugs in de shops van de koffieshophouders onder stringente voorwaarden wordt gedoogd.

- Na het voeren van een inspraakprocedure hebben de burgemeesters op 3 maart 2009 een nieuw cannabisbeleid vastgesteld, neergelegd in de Nota Cannabisbeleid 2009. Dit beleid komt er kort gezegd op neer dat vanaf 16 september 2009 de verkoop van softdrugs in de gemeenten Bergen op Zoom en Roosendaal niet meer wordt gedoogd en dat de verkoop van softdrugs zal leiden tot een sluiting van het betreffende lokaal voor de duur van 5 jaren.

3. Het geschil

3.1. De koffieshophouders vorderen dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de burgemeesters zal verbieden om uitvoering te geven aan de sanctie tot sluiting voor de duur van 5 jaar na geconstateerde overtreding van de Nota Cannabisbeleid 2009 na 16 september 2009 (nl. verkoop van softdrugs) tot dat in hoogste instantie door de bestuursrechter is beslist op de na 16 september 2009 aan de koffieshophouders te geven voor bezwaar/beroep vatbare beslissing, subsidiair dat de voorzieningenrechter zal bepalen dat de burgemeesters hebben te gehengen en te gedogen dat ook na 16 september 2009 door de koffieshophouders softdrugs worden verkocht totdat in hoogste instantie door de bestuursrechter is beslist op de na 16 september 2009 aan de koffieshophouders te geven voor bezwaar/beroep vatbare beslissing, één en ander met veroordeling van de burgemeesters in de kosten van deze procedure.

3.2. De burgemeesters voeren gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Aan hun vorderingen leggen de koffieshophouders de stellingen ten grondslag dat zij zich niet kunnen verenigen met het nieuwe beleid van de burgemeesters, dat zij dit beleid ter toetsing willen voorleggen aan de bestuursrechter, dat zij daartoe een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit moeten uitlokken door de verkoop van softdrugs voort te zetten, dat zij dan het risico van sluiting van hun etablissement voor de duur van 5 jaren lopen en dat zij aldus belang hebben bij de gevraagde voorzieningen. Ter zitting is daaraan toegevoegd dat zij in de uitspraak d.d. 5 juli 2006 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), gepubliceerd onder LJN: AY0332, de bevestiging lezen dat zij zich eerst dienen te wenden tot de civiele rechter.

4.2. De voorzieningenrechter constateert om te beginnen dat de vorderingen ingesteld zijn tegen de burgemeesters van Bergen op Zoom en Roosendaal in hun hoedanigheid van het bestuursorgaan dat op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd is tot sluiting van etablissementen waar softdrugs worden verkocht. In het burgerlijk procesrecht kunnen echter alleen natuurlijke personen en rechtspersonen als procespartij optreden. Indien een partij bij de burgerlijke rechter een procedure wil starten tegen een bestuursorgaan, dient hij zich dan ook te richten tot de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort. In dit geval betekent dit dat de koffieshophouders hun vorderingen moeten richten tegen de gemeente Bergen op Zoom en tegen de gemeente Roosendaal. Aangezien de koffieshophouders echter geen rechtspersonen hebben gedagvaard, zullen zij niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.3. Overigens hadden de koffieshophouders ook niet-ontvankelijk verklaard moeten worden indien zij wel de juiste partijen hadden gedagvaard. Anders dan ter zitting namens de koffieshophouders is gesteld, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de genoemde uitspraak van de AbRS geen verplichting worden gelezen om de handelwijze van een bestuursorgaan ter toetsing aan de burgerlijke rechter voor te leggen, maar wordt daarin slechts terloops gewezen op de mogelijkheid om het handelen van een bestuursorgaan te laten toetsen door de burgerlijke rechter. Weliswaar is de burgerlijke rechter bevoegd om kennis te nemen van een vordering inzake de verbindendheid van het nieuwe beleid van de burgemeesters, welke problematiek ook de inzet was van het geding dat heeft geleid tot de betreffende uitspraak van de AbRS, echter de verbindendheid van het nieuwe beleid van de burgemeesters hebben de koffieshophouders niet tot inzet van déze procedure gemaakt; dat beleid willen zij uitdrukkelijk door de bestuursrechter laten beoordelen. Zij vragen thans slechts een voorziening strekkende tot schorsing van de werking van de te verwachten bevelen tot sluiting. Deze voorlopige voorziening kan echter alleen de bestuursrechter treffen, zodra de koffieshophouders van de burgemeester een besluit tot sluiting van hun etablissement hebben gekregen én zij daartegen een rechtsmiddel aanwenden. Vanwege de taakverdeling tussen enerzijds de terzake gespecialiseerde bestuursrechter en anderzijds de burgerlijke rechter als restrechter moet de bestuursrechtelijke procedure, die door de burgerlijke rechter wordt aangemerkt als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, als de voorliggende voorziening worden aangemerkt. Voor de burgerlijke rechter resteert daarmee geen taak meer.

4.4. Vanwege de niet-ontvankelijkverklaring zullen de koffieshophouders worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden begroot op een bedrag van euro 1.078,-, samengesteld uit euro 262,- aan betaald vastrecht en een bedrag van euro 816,- aan advocaatkosten conform het liquidatietarief.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart eisers niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

veroordeelt eisers in de kosten van het geding, voorzover gevallen aan de zijde van de gedaagden, tot op heden begroot op eur 1.078,-;

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Vincent en in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Baar in het openbaar uitgesproken op 15 september 2009.