Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ7466

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
20-07-2009
Datum publicatie
17-09-2009
Zaaknummer
09/26
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende bezit een recht van erfpacht op een pand dat zowel voor zakelijke als voor woondoeleinden wordt gebruikt. In geschil is of in het jaar 2004 het woongedeelte voor belanghebbende een eigen woning vormt, meer specifiek of de waardeveranderingen van het woongedeelte belanghebbende grotendeels aangaan.

De erfpachtakte stamde uit 1993 en kende een looptijd van 15 jaar. In deze akte is niets vastgelegd over de toerekening van enige waardevermeerdering. In 2009 is een nieuwe erfpachtakte tot stand gekomen, waarin deze toerekening wel is vastgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de akte uit 1993 niet dat belanghebbende in 2004 recht had op een vergoeding voor enige waardeontwikkeling van de onroerende zaak (los van vergoedingen voor aangebrachte verbeteringen). De nadien, in 2009, door de rentmeester afgegeven schriftelijke verklaring noch de nieuwe akte uit 2009 brengen hierin verandering, nu deze documenten niet in 2004 zijn opgemaakt en bovendien in strijd zijn met hetgeen is overeengekomen in de akte uit 1993.

Slotsom is derhalve dat belanghebbende in 2004 een regulier erfpachtrecht bezat, dat gelet op de parlementaire geschiedenis moet worden gelijkgesteld met een huurrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2009/23.5
V-N 2009/59.2.3
FutD 2009-1991
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/26

Uitspraakdatum: 20 juli 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [adres],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Roosendaal,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 27 november 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende over het jaar 2004 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.952.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2009 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [naam gemachtigde], verbonden aan DRV Accountants en Belastingadviseurs te Roosendaal, alsmede namens de inspecteur, [naam inspecteur].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.Volgens de notariële akte van 15 oktober 1993 hebben belanghebbende en zijn echtgenote het recht van erfpacht op het woonhuis met schuur, erf en ondergrond, plaatselijk bekend als [straatnaam] te [adres] (hierna: de onroerende zaak), verkregen voor een duur van 15 jaar.

2.2.In circa tweederde deel van de onroerende zaak exploiteert belanghebbende als eenmanszaak een vergader- en cursusoord. In het resterende deel van de onroerende zaak (hierna: het woongedeelte) woont belanghebbende met zijn gezin. Belanghebbende heeft na verkrijging van het recht van erfpacht de onroerende zaak gerestaureerd; de kosten daarvan zijn deels als ondernemingskosten, deels als privé-uitgaven aangemerkt.

2.3.In 2004 bedroeg de canon € 14.748, waarvan belanghebbende in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2004 een bedrag van € 9.832 in aftrek heeft gebracht bij de post “winst uit onderneming” en een bedrag van € 4.916 als “kosten ter zake van de eigen woning” heeft aangemerkt. De inspecteur heeft als saldo van de inkomsten uit eigen woning van € 4.278 (waarin is begrepen het bedrag van € 4.916) niet in aftrek toegelaten.

2.4.In geschil is of het woongedeelte van het pand voor belanghebbende een eigen woning is als bedoeld in artikel 3.111 Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB). Beslissend daarvoor is het antwoord op de vraag of de waardeveranderingen van dit woongedeelte belanghebbende grotendeels aangaan.

2.5.Op 2 januari 2008 heeft de enkelvoudige belastingkamer van de rechtbank Breda uitspraak gedaan in de procedure van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2003, bekend onder procedurenummer 07/2360. In die procedure was eveneens in geschil of belanghebbende een deel van de erfpachtcanon als kosten ter zake van de eigen woning in aftrek kon brengen. De rechter heeft dat beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Een afschrift van de uitspraak inzake 07/2360 is aan deze uitspraak gehecht.

2.6.Tegen voornoemde beslissing is belanghebbende in hoger beroep gegaan bij gerechtshof Den Bosch. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

2.7.Belanghebbende verwijst ter motivering van het onderhavige beroep naar de procedure over het jaar 2003. Als aanvulling op deze motivering heeft belanghebbende een erfpachtakte van 29 mei 2009 overgelegd.

2.8.Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting blijkt dat met betrekking tot de feiten en omstandigheden waarover in de procedure met nummer 07/2360 is geoordeeld, in 2004 geen veranderingen zijn opgetreden. Voor zover belanghebbendes betoog gelijk is aan procedurenummer 07/2360, herhaalt de rechtbank de overwegingen die dienaangaande zijn gemaakt, zodat belanghebbendes betoog in zoverre faalt.

2.9.Belanghebbende stelt aanvullend dat hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.111 van de Wet IB 2001, omdat hij een economisch belang heeft aangaande de onroerende zaak en de waardeveranderingen hem voor meer dan 50% aangaan. Daartoe wijst belanghebbende op het bepaalde in de erfpachtakte van 29 mei 2009 en op een taxatierapport van J.J.W.M.G. Monden, als taxateur verbonden aan JM Taxaties te Etten-Leur, die de woning per 29 november 2006 heeft getaxeerd op € 527.000.

2.10.In de erfpachtakte van 29 mei 2009 is vastgelegd, voor zover in onderhavig geschil van belang:

“A. OVEREENKOMST EN UITGIFTE ERFPACHT REGISTERGOED

1.“Eigenaar heeft vandaag met erfpachter een overeenkomst inzake de uitgifte in erfpacht van een perceel inclusief het recht van opstal en de verkoop van de opstallen gesloten, waarbij eigenaar heeft verkocht en erfpachter heeft gekocht het hierna onder A.2 omschreven erfpachtrecht, zulks als voortzetting van de tussen partijen bestaande erfpachtsovereenkomst.”

2.Ter uitvoering van de hiervoor onder A.1 vermelde overeenkomst geeft eigenaar bij deze uit aan erfpachter, die bij deze aanvaardt, ieder voor de onverdeelde helft:

het recht van erfpacht voor dertig jaren, ingaande een januari tweeduizend negen en eindigende per een januari tweeduizendnegenendertig van het perceel […] plaatselijk bekend [straatnaam] [adres],

B. KOOPPRIJS EN KWIJTING

1.De verkoopprijs van het erfpachtsrecht bedraagt nihil.

De verkoopprijs van het aandeel van eigenaar inzake de opstallen bedraagt

tweehonderdvijftigduizend euro (€ 250.000,00).

[…]

ARTIKEL 10

Bij het eindigen van het erfpachtrecht en het daarin begrepen opstalrecht, treedt de eigenaar van rechtswege in de eigendom van de thans aanwezige en door en voor rekening van de erfpachter op de met het erfpachtrecht belaste onroerende goederen gestichte opstallen en aangebrachte werken en beplantingen onder de verplichting voor de eigenaar om binnen drie maanden daarna aan de gewezen erfpachter te vergoeden de waarde die in onderling overleg zal worden vastgesteld en bij gebreke aan eenstemmigheid daarover door twee deskundigen, waarvan ieder der partijen er elk één aanwijzen.”

2.11.Belanghebbende stelt dat de door hem in het verleden gedane investeringen voor herstelwerkzaamheden aan de onroerende zaak van ƒ 600.000 zodanig groot zijn, dat de waardeveranderingen hem grotendeels aangaan. Het belang bij de waardeveranderingen blijkt volgens belanghebbende ook uit de koopsom voor het aandeel van de eigenaar in de opstallen van € 250.000 zoals deze is overeengekomen in bovengenoemde erfpachtakte in relatie tot de taxatiewaarde per 29 november 2006 van € 527.000.

2.12.Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit het bepaalde in de erfpachtakte van 1993 in elk geval niet voort dat de waardeveranderingen van het woongedeelte belanghebbende grotendeels aangaan. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij beëindiging van het erfpachtrecht recht had op een vergoeding van de waardeontwikkeling van de onroerende zaak zelf, naast de vergoeding van de waarde van door belanghebbende aan de onroerende zaak aangebrachte verbeteringen, aangebrachte werken en/of beplantingen. De verklaring van de rentmeester dat het steeds de bedoeling van partijen is geweest om na afloop van de erfpachtovereenkomst een vergoeding daarvoor overeen te komen, brengt hierin geen verandering, nu deze verklaring niet in 2004, maar pas op 7 juli 2009 is afgegeven en deze verklaring bovendien in strijd is met hetgeen is overeengekomen in de akte.

2.13.Met betrekking tot de koopsom van € 250.000 overweegt de rechtbank als volgt. Noch uit de akte van 29 mei 2009, noch uit enig ander stuk blijkt hoe de prijs van € 250.000 tot stand is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is er in elk geval niet uit af te leiden dat de waardeveranderingen van de onroerende zaak belanghebbende reeds vóór 29 mei 2009 grotendeels aangingen. De nieuwe erfpachtakte brengt geen verandering in het feit dat belanghebbende in 2004 slechts een regulier erfpachtrecht bezat dat, op grond van de memorie van toelichting bij de Wet IB (MvT, Kamerstukken II 1998/1999, 26.727, nr. 3 blz. 144-147) moet worden gelijkgesteld met een huurrecht zodat in het onderhavige jaar de eigenwoningregeling toepassing mist.

2.14.Gelet op het bovenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.15.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en door deze en

mr. M.M. Dondorp-Loopstra, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 3 augustus 2009

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.