Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ6702

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
19-08-2009
Datum publicatie
02-09-2009
Zaaknummer
195914 HA ZA 08-1833
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Cessie ter incasso van een alimentatievordering van jongmeerderjarige kinderen aan hun moeder ter verrekening met een overbedelingsvordering. Alimentatievordering deels verjaard

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2009, 125
EB 2009, 81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

Team handelsrecht

zaaknummer / rolnummer: 195914 / HA ZA 08-1833

Vonnis van 19 augustus 2009

in de zaak van

[man],

wonende te Breda,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. H.C. Lenaerts,

tegen

[vrouw],

wonende te Breda,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. F.J.B.A. Duijnstee.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 maart 2009 en de daarin vermelde stukken

- de conclusie van antwoord in reconventie

- het proces-verbaal van comparitie van 25 mei 2009.

2. Het geschil

in conventie

De man vordert samengevat - veroordeling van de vrouw tot betaling van EUR 22.689,00, vermeerderd met rente en kosten.

in reconventie

De vrouw vordert samengevat - primair, indien haar beroep op verrekening in conventie slaagt, veroordeling van de man tot betaling van EUR 5.008,00 vermeerderd met kosten en subsidiair, indien haar beroep op verrekening in conventie niet slaagt, veroordeling van de man tot betaling van EUR 22.995,00, dan wel EUR 17.987,00 vermeerderd met kosten.

3. De beoordeling

in conventie en in reconventie

3.1. De vorderingen in conventie en in reconventie zullen gezamenlijk worden behandeld gelet op hun samenhang.

3.2. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van de overgelegde producties het volgende vast:

- Partijen zijn gehuwd geweest van 31 augustus 1979 tot 18 maart 1999 en hebben uit dit huwelijk drie kinderen, Ruben geboren op 21 september 1980 en Edgar en Arthur geboren op 21 juni 1982 (hierna tezamen te noemen: de kinderen). Op 27 januari 1999 hebben partijen een echtscheidingsconvenant gesloten.

- De vrouw is wegens overbedeling een bedrag van EUR 22.689,00 aan de man verschuldigd. De man heeft bij brief van 20 juni 2008 jegens de vrouw aanspraak gemaakt op betaling van dit bedrag.

- In artikel 1 lid 7 van het convenant is het volgende opgenomen:

“Partijen zijn aan een meerderjarig kind een bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud schuldig zolang het kind met redelijke resultaten en in overleg met partijen met een beroepsopleiding bezig is of studeert, doch uiterlijk tot het tijdstip waarop het kind de 25-jarige leeftijd bereikt.”

- De man heeft op 18 november 2001 een brief gezonden aan ieder van de kinderen met onder meer de volgende inhoud:

“(…) Ik behoud mij het recht voor de ouderbijdrage te wijzigen, indien er van jullie geen verslag afkomt over je studie, vorderingen, resultaten e.d.

Mijn voorstel is vervat in 3 punten:

1. Ik krijg maandelijks een zo objectief mogelijk, schriftelijk verslag/rapportage over de studievorderingen. Op deze wijze verandert er niets m.b.t. het bedrag van de bijdrage.

2. Blijf je in gebreke dan wordt de bijdrage verlaagd tot het ‘Groningse’ bedrag. De wijziging is met opschortende werking. Ik hanteer een termijn van 2 maanden waarbinnen je het opgeschorte bedrag alsnog tegemoet kunt zien, indien de rapportage naar tevredenheid mijnerzijds is.

3. Treedt er na 2 maanden geen verbetering op in de rapportage dan is de wijziging van het bedrag/bijdrage definitief.”

3.3. Door de vrouw wordt niet betwist dat zij aan de man een bedrag van EUR 22.689,00 verschuldigd is uit hoofde van overbedeling.

3.4. De vrouw beroept zich in conventie op verrekening. Zij voert daartoe aan dat de man achterstallige onderhoudsbijdragen aan de kinderen verschuldigd is. De kinderen hebben deze vordering op de man aan haar gecedeerd, welke vordering zij met de vordering van de man op haar wenst te verrekenen. Daarnaast stelt zij zich op het standpunt dat zij gedurende de periode waarin de man niet aan zijn alimentatieverplichting voldeed, in zijn plaats in het levensonderhoud van de kinderen heeft voorzien. De man dient volgens de vrouw op grond van ongerechtvaardigde verrijking hiervoor schadevergoeding aan haar te voldoen. Ook deze vordering brengt de vrouw in verrekening met de vordering van de man op haar. In reconventie stelt de vrouw de zelfstandige vorderingen in tot betaling van de achterstallige onderhoudsbijdragen en schadevergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking. De man betwist de vorderingen van de vrouw.

3.5. Om te kunnen vaststellen of de vrouw zich rechtsgeldig op cessie en verrekening kan beroepen, dient eerst vast te komen staan of de man achterstallige onderhoudsbijdragen verschuldigd is aan de kinderen, zodat de rechtbank dit onderwerp eerst zal bespreken. Vervolgens zal de rechtbank de cessie, de verrekening, de door de man gestelde verjaring en de ongerechtvaardigde verrijking behandelen.

3.6. Achterstallige onderhoudsbijdragen

3.6.1. De vrouw stelt dat de man niet heeft voldaan aan de uit hoofde van het echtscheidingsconvenant op hem rustende verplichting tot betaling van onderhoudsbijdragen aan de kinderen van partijen. Op grond van het convenant diende hij een bedrag van fl. 450,00 per maand per kind te voldoen. Hij heeft echter op eigen initiatief vanaf februari 2002 een lager bedrag voldaan. Op de man rust dan ook de verplichting tot het alsnog betalen van de achterstallige onderhoudsbijdragen, aldus de vrouw.

3.6.2. De man voert het verweer dat hij volledig aan zijn contractuele verplichting heeft voldaan en verwijst daartoe naar artikel 1 lid 7 van het convenant. Gelet op de slechte communicatie tussen hem en de kinderen heeft hij besloten nog slechts het bedrag dat hij volgens de Informatie Beheer Groep in het kader van studiefinanciering diende te voldoen aan de kinderen te betalen.

3.6.3. Daargelaten de vraag of het voordoen van de situatie zoals omschreven in deze bepaling de man van zijn betalingsverplichting zou ontslaan, is de rechtbank van oordeel dat het beroep van de man op artikel 1 lid 7 van het convenant niet slaagt. Ter zitting hebben partijen immers ieder voor zich aangegeven dat zij geen bezwaren hadden tegen de studiekeuzes van de kinderen en dat er geen sprake was van achterblijvende studieresultaten. Noch uit het tussen partijen gesloten convenant noch uit de wet vloeit een verplichting voor de onderhoudsgerechtigde voort om schriftelijk of mondeling verantwoording af te leggen dan wel verslag te doen van de studievoortgang. Het niet voldoen aan deze door de man zelfstandig aan de kinderen opgelegde eis, ontslaat de man dan ook niet van het onverkort nakomen van de op hem rustende onderhoudsverplichting. Dit brengt mee dat de man niet conform het convenant aan zijn onderhoudsverplichting heeft voldaan en hij de achterstallige termijnen in beginsel nog verschuldigd is.

3.7. Cessie

3.7.1. De vrouw grondt haar reconventionele vordering op cessie en stelt daartoe dat de kinderen van partijen hun vordering tot betaling van achterstallige onderhoudsbijdragen aan haar hebben gecedeerd. Volgens de vrouw staat het persoonlijke karakter van onderhoudsbijdragen niet aan cessie in de weg, voor zover het achterstallige termijnen betreft. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat de cessie moet worden begrepen als een cessie ter incasso. Indien haar reconventionele vordering wordt toegewezen, zal zij immers het bedrag waarop de kinderen recht hebben aan hen uitkeren ter aflossing van hun studieschuld.

3.7.2. Volgens de man staat het persoonlijke karakter van onderhoudsbijdragen wel degelijk in de weg aan cessie van achterstallige termijnen. Bovendien hebben de kinderen hun vordering nimmer bij hem opgeëist, maar heeft enkel de vrouw dat gedaan nadat hij zijn vordering jegens haar had ingesteld.

3.7.3. Allereerst acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor onder 3.6.3. overwogen, de vordering van de kinderen vast is komen staan. Er is dan ook geen sprake van een toekomstige vordering, die niet bepaalbaar is. De rechtbank is verder van oordeel dat in het onderhavige geval, waar het achterstallige onderhoudsbijdragen betreft, geen sprake is van een persoonlijk karakter van de vordering van de kinderen die overdracht van deze vordering in de weg zou staan. De kinderen hebben immers tijdens hun studie op andere wijze in (een deel van) hun levensonderhoud voorzien, kennelijk onder meer door het afsluiten van een lening. Op dit moment voorzien de kinderen zelf in hun eigen levensonderhoud. Bovendien begrijpt de rechtbank uit hetgeen de vrouw heeft aangevoerd dat de kinderen de door de vrouw krachtens de cessie ter incasso van de door haar – middels verrekening - van de man ontvangen en aan de kinderen af te dragen bedragen zullen aanwenden voor het aflossen van hun studieschulden.

3.7.4. Ten aanzien van het standpunt van de man dat de kinderen hun vordering niet hebben opgeëist, oordeelt de rechtbank dat partijen bij echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen dat de onderhoudsbijdrage aan de kinderen maandelijks door de man diende te worden voldaan. Door het enkele verstrijken van deze overeengekomen termijnen is de man steeds in verzuim geraakt. Ingebrekestelling is in dat geval niet nodig voor het opeisbaar worden van de vordering. Bovendien is opeisbaarheid van een vordering geen vereiste voor overdracht. Het vorenstaande brengt mee dat als vaststaand kan worden aangenomen dat de kinderen hun vordering op de man rechtsgeldig ter incasso aan de vrouw hebben gecedeerd.

3.8. Verrekening

3.8.1. De vrouw beroept zich ter zake de conventionele vordering van de man op verrekening met de door de kinderen aan haar gecedeerde vordering tot betaling van achterstallige onderhoudsbijdragen. Nu het achterstallige termijnen betreft, is volgens haar duidelijk om welk bedrag het precies gaat, zodat de vordering voldoende bepaalbaar is. Bovendien ontbreekt bij achterstallige termijnen het persoonlijke karakter van de vordering, zodat door verrekening geen vermenging met de vermogensrechtelijke afhandeling van het huwelijk van partijen plaatsvindt, aldus de vrouw.

3.8.2. Volgens de man is de alimentatievordering niet eenvoudig vast te stellen en onvoldoende bepaalbaar, zodat voor verrekening geen plaats is. Daarnaast stelt de man zich op het standpunt dat door verrekening ten onrechte vermenging zou plaats vinden van persoonlijke rechten van de kinderen met de vermogensrechtelijke afhandeling van de echtscheiding. Ten slotte voert de man aan dat de kinderen hun vordering nooit bij hem hebben opgeëist, zodat deze vordering nog niet voldoende vast staat en ook om die reden niet kan worden verrekend met zijn vordering.

3.8.3. Allereerst merkt de rechtbank op dat onderhoudsbijdragen in beginsel niet vatbaar zijn voor verrekening op grond van het feit dat deze uitkeringen niet aan hun bestemming, namelijk het voorzien in levensonderhoud, mogen worden onttrokken. Dit vloeit voort uit artikel 6:135 sub a BW en het feit dat vorderingen tot levensonderhoud niet vatbaar zijn voor beslag. Genoemd artikel bepaalt immers dat een schuldenaar niet bevoegd is tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig zou zijn. In dit geval betreft het echter de vrouw, in haar hoedanigheid van schuldenaar, die stelt bevoegd te zijn tot verrekening met de conventionele vordering van de man als haar wederpartij. Op de vordering van de man kan wel rechtsgeldig beslag worden gelegd. In zoverre staat artikel 6:135 sub a BW dan ook niet aan verrekening in de weg.

3.8.4. Vervolgens acht de rechtbank van belang dat artikel 6:127 lid 3 BW verrekening uitsluit indien de te verrekenen vordering en schuld in van elkaar gescheiden vermogens vallen. Van belang is derhalve beantwoording van de vraag of de schuld van de vrouw aan de man en de aan de vrouw gecedeerde vordering van de kinderen beiden tot het vermogen van de vrouw behoren.

3.8.5. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad bij arrest van 21 oktober 1983 (NJ 1984, 254) overweegt de rechtbank dat cessie ter incasso overdracht van de vordering van de oorspronkelijke schuldeiser aan een derde vereist, terwijl tevens een overeenkomst van lastgeving wordt gesloten, inhoudende dat de derde gehouden is de vordering op eigen naam te innen en vervolgens het geïnde bedrag af te dragen aan de oorspronkelijk schuldeiser. Het voorgaande brengt mee dat moet worden geoordeeld dat, nu de kinderen hun vordering op de man aan de vrouw hebben overgedragen ter incasso, deze vordering is overgegaan naar het vermogen van de vrouw. Hiermee is voldaan aan de vereisten van artikel 6:127 lid 3 BW dat de vrouw zowel schuldenaar als schuldeiser van de man is en dat haar vordering op en haar schuld aan de man niet in van elkaar gescheiden vermogens vallen. Artikel 6:127 BW staat in het onderhavige geval dan ook niet aan de bevoegdheid van de vrouw tot verrekening in de weg.

3.8.6. Anders dan de man is de rechtbank van oordeel dat de achterstallige onderhoudsbijdragen wel voldoende bepaalbaar zijn. Er is immers geen sprake van een toekomstige vordering, waarvan de omvang van onvoorspelbare gebeurtenissen in de toekomst afhankelijk is. Uit de door de vrouw overgelegde berekening, die door de man niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd is betwist, blijkt dat deze achterstallige onderhoudsbijdragen in totaal EUR 17.987,00 bedragen. Er is dan ook geen sprake van een onvoldoende bepaalbare dan wel een niet eenvoudig vast te stellen vordering.

3.8.7. Ten aanzien van het standpunt van de man dat de kinderen hun vordering niet hebben opgeëist, verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 3.7.4.

3.9. Verjaring

3.9.1. De man beroept zich op verjaring van de vordering voor zover deze ziet op betaling van onderhoudsbijdragen die betrekking hebben op de periode vòòr juni 2003.

3.9.2. De vrouw beroept zich op de eisen van redelijkheid en billijkheid en stelt daarnaast dat verjaring niet aan de bevoegdheid tot verrekening in de weg staat.

3.9.3. De rechtbank stelt vast dat de vrouw haar verweer dat de eisen van redelijkheid en billijkheid aan verjaring in de weg staan, niet nader met feiten en omstandigheden heeft onderbouwd, zodat dit verweer als onvoldoende gemotiveerd zal worden gepasseerd.

3.9.4. Hoewel juist is, zoals de vrouw betoogt, dat de na verjaring resterende natuurlijke verbintenis nog steeds voor verrekening vatbaar is, slaagt haar verweer in dit geval niet. Artikel 6:131 BW verlangt dat de bevoegdheid tot verrekening bestaat vòòr het verstrijken van de verjaringstermijn. Uitgangspunt is immers dat verjaring aan een eenmaal verkregen bevoegdheid tot verrekening geen einde maakt. De bevoegdheid tot verrekening ontstond op het moment van cessie van de vordering van de kinderen aan de vrouw, te weten 14 juli 2008, terwijl de man zich beroept op verjaring van een deel van de onderhoudsbijdragen over de periode tot juni 2008. Dit brengt mee dat de verjaarde onderhoudsbijdragen niet in de verrekening kunnen worden betrokken.

3.9.5. De vrouw heeft aangevoerd dat Arthur zijn vordering ter zake achterstallige onderhoudsbijdragen over de periode vanaf augustus 2002 niet aan haar heeft gecedeerd. Aangezien de vordering tot betaling van onderhoudsbijdragen over de periode tot juni 2003 is verjaard, kunnen ten aanzien van Arthur geen achterstallige onderhoudsbijdragen in de verrekening worden betrokken.

3.9.6. Uit de door de vrouw overgelegde en door de man niet betwiste overzichten van door de man betaalde onderhoudsbijdragen blijkt dat de man over de periode van juni 2003 tot en met september 2005 voor Ruben een bedrag heeft voldaan van EUR 4.050,00 en over de periode van juni 2003 tot en met juni 2007 voor Edgar een bedrag van EUR 5.500,00. Gelet op het bij convenant overeengekomen bedrag van fl. 450,00 was de man, inclusief indexering, over voornoemde periodes een bedrag van EUR 6.726,56 respectievelijk EUR 11.906,06 voor Ruben en Edgar verschuldigd. Hieruit volgt dat de man ter zake achterstallige onderhoudsbijdragen nog een totaalbedrag van EUR 9.082,62 verschuldigd is.

3.10. Ongerechtvaardigde verrijking

3.10.1. De vrouw grondt haar reconventionele vordering tevens op ongerechtvaardigde verrijking van de man. Zij voert daartoe aan dat gedurende de periode waarin de man niet aan zijn onderhoudsverplichting voldeed, zij in zijn plaats in het levensonderhoud van de kinderen heeft voorzien. Daardoor is de man ongerechtvaardigd verrijkt en zij verarmd. De man is dan ook gehouden de schade die zij daardoor heeft geleden aan haar te vergoeden, conform artikel 6:212 BW. Zij berekent deze schade op een bedrag van EUR 22.995,00 inclusief de achterstallige betaling ten aanzien van Arthur na augustus 2002 en op een bedrag van EUR 17.987,00, exclusief de achterstallige betaling ten aanzien van Arthur na augustus 2002. Het schadebedrag van EUR 22.995,00 betreft het verschil tussen het bedrag dat de man op grond van het convenant aan de kinderen diende te betalen (EUR 62.415,00) en het bedrag dat de man feitelijk aan de kinderen heeft betaald (EUR 39.420,00).

3.10.2. De man voert het verweer dat, voor zover de vrouw betalingen heeft gedaan aan de kinderen, er hooguit sprake is van onverschuldigde betaling door de vrouw en niet van ongerechtvaardigde verrijking van de man.

3.10.3. Uit hetgeen de vrouw heeft aangevoerd leidt de rechtbank af dat de vrouw meent dat zij een schuld van de man in zijn plaats heeft voldaan. Het voldoen van een schuld aan een derde voor een ander vereist echter dat door die voldoening de vordering van de derde teniet is gegaan. Uit de stellingen van de vrouw blijkt dat de vordering van de kinderen op de man nog niet teniet is gegaan. De kinderen hebben deze vordering immers ter incasso aan haar gecedeerd. Dit brengt mee dat de vrouw onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Voor zover de vrouw haar vordering hierop heeft gegrond, zal deze dan ook worden afgewezen.

Conclusie

3.11. Het voorgaande in samenhang bezien brengt de rechtbank tot de conclusie dat na verrekening van de wederzijdse vorderingen een door de vrouw aan de man te betalen bedrag van EUR 13.606,38 resteert.

Wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten

3.12. De vordering van de man tot betaling van wettelijke rente zal als onvoldoende gemotiveerd betwist worden toegewezen.

3.13. De rechtbank is van oordeel dat de over en weer door partijen gevorderde buitengerechtelijke kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu onvoldoende gesteld en niet gebleken is dat partijen deze kosten daadwerkelijk hebben gemaakt, dan wel dat zij andere werkzaamheden hebben verricht dan die waarvoor de in de artikelen 237 en 239 Rv. bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

Proceskosten

3.14. Gelet op de omstandigheid dat partijen ex-echtgenoten zijn, zal de rechtbank de proceskosten tussen hen compenseren.

4. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

4.1. veroordeelt de vrouw om tegen bewijs van kwijting aan de man te betalen een bedrag van EUR 13.606,38 (dertienduizend zeshonderdzes euro en achtendertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 juli 2008 tot de dag van volledige betaling,

4.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

4.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Meyboom en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2009.?