Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ6600

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
28-08-2009
Datum publicatie
04-09-2009
Zaaknummer
09/3485
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

WWB; verlaging bijstandsuitkering; meerderjarig inwonend kind met inkomsten uit studiefinanciering én arbeid; onredelijk beleid.

Verweerder hanteert voor inwonende meerderjarige kinderen een vast vrijlatingsbedrag, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen meerderjarige inwonende kinderen die werken en meerderjarige inwonende kinderen die studeren én werken. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat verweerder met dit beleid miskent dat meerderjarige inwonende kinderen die studeren én werken zich ook geconfronteerd zien met hogere uitgaven in verband met studiekosten, dan meerderjarige inwonende kinderen die alleen werken. Met deze studiekosten wordt door verweerder in het beleid geen rekening gehouden. De voorzieningenrechter is derhalve voorshands van oordeel dat verweerders beleid op dit punt onredelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 09 / 3485 WWB VV

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te Breda, verzoekster,

gemachtigde mr. L. Orie,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda,

verweerder.

1. Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 16 juli 2009 (bestreden besluit) inzake de wijziging van haar bijstandsuitkering en de afwijzing van een overbruggingstoeslag. Tevens heeft zij op 31 juli 2009 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 21 augustus 2009, waarbij aanwezig waren verzoekster en haar gemachtigde en namens verweerder [woordvoerder verweerder].

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster ontving een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bijstandsuitkering van verzoekster per 1 juli 2009 gewijzigd naar een uitkering naar de norm voor een alleenstaande, met een toeslag van 10% van het minimumloon. Verweerder heeft hierbij overwogen dat de inwonende zoon van verzoekster 18 jaar is geworden en zij voor hem vanaf 1 juli 2009 geen kinderbijslag meer ontvangt. De zoon van verzoekster heeft inkomsten uit studiefinanciering en arbeid. Verweerder heeft deze inkomsten vastgesteld op € [bedrag inkomsten] per maand. Verzoekster wordt geacht de kosten van bestaan per 1 juli 2009 met haar zoon te kunnen delen. Daarnaast komt verzoekster volgens verweerder niet in aanmerking voor een overbruggingstoeslag voormalig alleenstaande ouder.

2.2 Verzoekster heeft, samengevat, aangevoerd dat verweerder ten onrechte haar bijstandsuitkering heeft verlaagd. Verzoekster is van mening dat zij de kosten niet kan delen met haar zoon. De inkomsten uit studiefinanciering moeten volgens verzoekster buiten beschouwing worden gelaten. Bovendien is verzoeksters zoon medio juli 2009 gestopt met zijn bijbaan en heeft hij het ouderlijk huis (tijdelijk) verlaten. Verzoekster is verder van mening dat zij wel recht heeft op een overbruggingstoeslag.

Verzoekster wordt door de terugval in haar inkomen geconfronteerd met het niet kunnen voldoen aan haar betalingsverplichtingen. Het verzoek strekt ertoe dat aan verzoekster per 1 juli 2009 een bijstandsuitkering wordt verstrekt naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20% en dat de overbruggingstoeslag aan haar wordt toegekend.

2.3 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Voorzover de beoordeling van dit verzoek meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.4 Ingevolge artikel 21, aanhef en onder a, van de WWB is de norm voor een alleenstaande van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar € 647,54.

In artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is bepaald dat het college de norm, bedoeld in artikel 21, onderdeel a, met een toeslag verhoogt, voorzover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30 van de WWB.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WWB stelt de gemeenteraad in de verordening als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, vast voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.

In het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel is bepaald dat de gemeenteraad in deze verordening in elk geval vaststelt dat de toeslag, bedoeld in artikel 25, voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald wordt op het in dat artikel genoemde maximumbedrag;

Ter uitvoering van deze bepalingen heeft de raad van de gemeente Breda de Verordening algemene bijstand gemeente Breda 2003 vastgesteld (hierna: Verordening).

In artikel 2 van de Verordening is bepaald dat recht op toeslag bestaat als en voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft, dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.

In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening is bepaald dat de toeslag voor een alleenstaande van 23 jaar en ouder doch jonger dan 65 jaar, die voor zijn woning aantoonbaar woonkosten verschuldigd is en zijn algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet kan delen met een ander, 20% van het minimumloon bedraagt.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de toeslag voor een alleenstaande van 23 jaar en ouder doch jonger dan 65 jaar, die voor zijn woning aantoonbaar woonkosten verschuldigd is en zijn algemeen noodzakelijke bestaanskosten kan delen met een ander, 10% van het minimumloon bedraagt.

In artikel 6, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat bij medebewoning van één of meer niet ten laste komende kinderen met een inkomen hoger of gelijk aan de van toepassing zijnde norm ex artikel 29 Algemene bijstandswet, verhoogd met 10% van het minimumloon, de uitkering wordt verlaagd met 10% van het minimumloon.

2.5 De voorzieningenrechter dient eerst de vraag te beantwoorden of er sprake is van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat verzoekster per 1 augustus 2009 een bijstandsuitkering krijgt naar de norm voor een alleenstaande, met een toeslag van 20%. Daarnaast krijgt verzoekster in augustus 2009 ook de overbruggingstoeslag voormalig alleenstaande ouder.

Verzoekster heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat er nog steeds sprake is van een spoedeisend belang. De zoon van verzoekster is vanwege het standpunt van verweerder gestopt met zijn bijbaan. Volgens verzoekster draait zij nu op voor de extra kosten van haar zoon, die hij – met behulp van een bijbaan – anders zelf had kunnen voldoen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster per 1 augustus 2009 een bijstandsuitkering ontvangt naar de voor haar geldende norm. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster toch een spoedeisend belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening. Het standpunt van verweerder houdt in dat als verzoeksters zoon naast studiefinanciering ook inkomsten uit arbeid ontvangt, verzoekster zonder meer wordt gekort op haar bijstandsuitkering. Als gevolg van dit standpunt komen de extra kosten van haar zoon ten laste van verzoekster, terwijl hij deze kosten anders kan voldoen uit het inkomen uit arbeid. Bovendien ontstaat hierdoor een onomkeerbare situatie. Indien verzoekster uiteindelijk in het gelijk wordt gesteld, namelijk dat haar zoon naast zijn studiefinanciering tot op zekere hoogte inkomsten uit arbeid mag hebben zonder dat verzoekster wordt gekort op haar bijstandsuitkering, dan kan de zoon van verzoekster niet met terugwerkende kracht alsnog inkomsten uit arbeid verkrijgen. De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande voldoende aanleiding voor het aannemen van een spoedeisend belang.

2.6 In zijn uitspraak van 17 april 2007 (LJN: BA5045) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) overwogen dat in inkomsten uit studiefinanciering tegemoetkomingen zijn begrepen voor directe studiekosten. Van een studerend, niet in de bijstand begrepen kind, kan naar het oordeel van de CRvB niet worden verwacht dat deze tegemoetkomingen worden aangewend voor het delen van andere kosten met de in dezelfde woning wonende ouder(s).

De voorzieningenrechter stelt vast dat het in die uitspraak ging om de situatie waarin door het inwonende kind alleen inkomsten uit studiefinanciering werd genoten. In de onderhavige zaak heeft het inwonende kind naast inkomsten uit studiefinanciering tevens inkomen uit arbeid. De vraag die de voorzieningenrechter zal moeten beantwoorden, is of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten de inkomsten uit studiefinanciering in het onderhavige geval wel als in aanmerking te nemen inkomen te beschouwen.

2.7 Ingevolge de toelichting op artikel 6, eerste lid, van de Verordening, wordt door verweerder het navolgende beleid gehanteerd:

“In dit lid wordt de verlaging geregeld bij inwoning van eigen kinderen met een eigen inkomen. Voor de 'vrije voet' is aansluiting gezocht bij de genormeerde kosten van levensonderhoud van jongeren tot 21 jaar. Boven het normbedrag is een marge gesteld. Zolang het hogere inkomen binnen deze marge blijft, vindt geen verlaging plaats. De marge is gelijk aan het bedrag van de verlaging. De verlaging bedraagt 10% van het minimumloon. Gelet op de ingebouwde marge vindt geen verlaging plaats als het kind enkel studiefinanciering ontvangt. Op grond van dit artikel ontvangt de alleenstaande ouder met een niet ten laste komend kind dat inkomsten uit arbeid heeft dat gelijk is aan of hoger dan de in artikel 29 Abw genoemde norm, verhoogd met 10% van het minimumloon, geen 20% van toeslag, maar 10%. In een vergelijkbare situatie van een gezin wordt een korting toegepast van 10%. De verlaging geldt, voor zover de eerder genoemde inkomstengrens wordt overschreden, zowel bij (niet studerende) inwonende kinderen die in hun bestaan voorzien door middel van inkomsten uit arbeid, als voor inwonende studerende kinderen die (al dan niet naast studiefinanciering) ook inkomsten uit arbeid hebben die uitgaan boven de vrijstellingsgrens.

In het kader van de evaluatie van het beleid is bezien of de hierboven beschreven handelwijze gehandhaafd dient te worden. Dit vanwege het feit, dat het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen de naast de studiefinanciering verworven inkomsten uit arbeid tot een hoger bedrag vrijlaat de vakdirectie Sociale Zaken en het merendeel van de sociale diensten in het land. Een beperkt aantal gemeenten, waaronder Tilburg, laten, tot aan de door het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen gehanteerde, inkomensgrens (€ 9402,48 over 2002) de volledige inkomsten uit arbeid van de student vrij. De alleenstaande ouder ontvangt in dat geval 20% toeslag c.q. het gezin geen korting van 10%.

Hoewel het enerzijds redelijk lijkt om in het kader van de bijstandsverlening aan de (alleenstaande) ouder een gelijk uitgangspunt te kiezen als het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, brengt een dergelijke handelwijze een ongelijke behandeling met zich mee ten aanzien van inwonende kinderen die inkomsten uit arbeid ontvangen, maar niet studeren.

De ouders van studerende kinderen zouden dan namelijk eerst met een lagere uitkering worden geconfronteerd als hun kind meer inkomsten uit arbeid ontvangt dan € 783,54 per maand, terwijl dit bij de ouders niet studerende verdiende al zou gelden bij een bedrag van € 259,16 per maand. Een dergelijk verschillende behandeling valt niet uit te leggen. Uit bijstandstechnisch oogpunt is een op ieder inwonend verdienend kind van toepassing laten zijn van het hogere vrijlatingsbedrag geen alternatief. Gelet op het bovenstaande wordt de in het verleden gekozen vrijlatings- en kortingssystematiek gehandhaafd.”

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder voor inwonende meerderjarige kinderen een vast vrijlatingsbedrag hanteert, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen inwonende kinderen die werken en inwonende kinderen die studeren én werken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er een verschil in behandeling zou ontstaan indien de inkomsten uit studiefinanciering bij inwonende kinderen die studeren niet als inkomsten worden meegerekend, omdat dan voor die kinderen een hoger vrijlatingsbedrag zou gelden (namelijk: studiefinanciering plus het “normaal geldende vrijlatingsbedrag”) dan voor niet studerende kinderen. Volgens verweerder valt een dergelijk verschil in behandeling niet uit te leggen. De voorzieningenrechter kan verweerder hierin niet volgen. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat verweerder met dit beleid miskent dat meerderjarige inwonende kinderen die studeren én werken zich ook geconfronteerd zien met hogere uitgaven in verband met studiekosten, dan meerderjarige inwonende kinderen die alleen werken. Met deze studiekosten wordt door verweerder in het beleid geen rekening gehouden. De voorzieningenrechter is derhalve voorshands van oordeel dat verweerders beleid op dit punt onredelijk is.

De voorzieningenrechter overweegt dat in het inkomen uit studiefinanciering tegemoetkomingen zijn begrepen voor directe studiekosten. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat niet verwacht kan worden dat een studerend, niet in de bijstand begrepen kind, deze tegemoetkomingen aanwendt voor het delen van andere kosten met de in dezelfde woning wonende ouder. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit bij de berekening van de toeslag en de overbruggingstoeslag van verzoekster ten onrechte het inkomen uit studiefinanciering van haar zoon heeft betrokken. De voorzieningenrechter ziet derhalve aanleiding de verzochte voorziening toe te kennen. Het vorenstaande betekent dat de zoon van verzoekster naast de studiefinanciering ook inkomsten uit arbeid kan verkrijgen, waarbij deze inkomsten uit arbeid onder het normaal geldende vrijlatingsbedrag dienen te blijven, zonder dat verzoekster wordt gekort op haar bijstandsuitkering.

De voorzieningenrechter tekent hierbij aan dat dit een voorlopig oordeel is, die niet bindend is voor de hoofdzaak. Verzoekster dient zich er van bewust te zijn dat zij uiteindelijk in het ongelijk kan worden gesteld, waardoor verweerder de mogelijkheid heeft om de bijstandsuitkering van verzoekster met terugwerkende kracht te herzien en van verzoekster terug te vorderen in verband met de extra inkomsten van haar zoon.

2.7 Nu het verzoek wordt toegewezen dient het griffierecht aan verzoekster te worden vergoed. Tevens zal de voorzieningenrechter verweerder veroordelen in de proceskosten van verzoekster, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat aan verzoekster per 1 juli 2009 een bijstandsuitkering wordt verstrekt naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20% en dat een overbruggingstoeslag aan haar wordt toegekend;

bepaalt dat deze voorziening komt te vervallen zes weken nadat op het bezwaarschrift is beslist;

gelast dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 644,-.

Aldus gedaan door mr. D.H. Hamburger, voorzieningenrechter, en door deze en E.C. Petrusma, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2009.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: 2 september 2009