Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ6192

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
12-08-2009
Datum publicatie
27-08-2009
Zaaknummer
08/4990
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AW; Ambulancepersoneel;

Buiten toepassing laten van artikel 3, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Nevenwerkzaamheden wegens te vergaande beperking van grondwettelijke vrijheid van arbeidskeuze.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 08 / 4990 AW

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

[eiser],

wonende te Etten-Leur, eiser,

gemachtigde mr. C. van der Steen,

en

het dagelijks bestuur van de RAV Brabant Midden-West-Noord,

verweerder.

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 september 2008 (bestreden besluit) inzake het verlenen van toestemming om nevenwerkzaamheden te verrichten, mits is voldaan aan een aantal randvoorwaarden.

De beroepen van [eiser in soortgelijke zaak] en [eiser in soortgelijke zaak] zijn gevoegd behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van 28 april 2009. Het proces-verbaal van deze zitting vormt onderdeel van het procesdossier. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek in deze zaken heropend en de zaken bij beslissing van

28 april 2009 verwezen naar de meervoudige kamer.

De beroepen van eiser, [eisers in soortgelijke zaken] zijn vervolgens gevoegd behandeld ter zitting van 18 juni 2009. Eiser en zijn gemachtigde zijn ter zitting verschenen. Verder zijn [eisers in soortgelijke zaken] ter zitting verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigden [woordvoerders verweerder].

Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de gevoegde zaken gesplitst teneinde in de zaken afzonderlijk uitspraak te doen.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd met twee weken.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser heeft tot 1 januari 2008 als ambulancechauffeur gewerkt bij de GGD West-Brabant.

Na het samengaan van de RAV van de GGD West-Brabant en de GGD Hart voor Brabant is op 1 januari 2008 de RAV Brabant Midden-West-Noord ontstaan. Medewerkers in dienst van de beide RAV afdelingen werden (overeenkomstig het bepaalde in het Sociaal Statuut), met ingang van 1 januari 2008 eervol ontslagen bij de genoemde diensten, onder gelijktijdige aanstelling bij verweerder.

Eiser is dan ook op 1 januari 2008 als ambulancechauffeur bij verweerder in dienst gekomen.

Eiser heeft op 30 december 2007 aan verweerder toestemming gevraagd voor het verrichten van nevenwerkzaamheden gedurende gemiddeld 1 uur per week (1 dag per 2 maanden). De aanvraag ziet op de functie van ambulancechauffeur bij AmbuCare.

Bij besluit van 15 februari 2008 (primair besluit) heeft verweerder aangegeven dat eiser onder een aantal randvoorwaarden de door hem in januari 2008 opgegeven nevenwerkzaamheden kan verrichten. Het verrichten van nevenwerkzaamheden bij of voor een andere organisatie in een bezwarende functie is niet toegestaan, aldus verweerder. Verweerder heeft daarbij verwezen naar de Uitvoeringsregeling nevenwerkzaamheden.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

2.2 Eiser heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat hij van de rechtsvoorganger van verweerder wel toestemming heeft gekregen om nevenwerkzaamheden te verrichten in een bezwarende functie. Eiser is van mening dat hij met het verbod om nevenwerkzaamheden te verrichten in een bezwarende functie onnodig in zijn vrijheid wordt beperkt en dat zijn belangen onevenredig worden geschaad. Dit klemt te meer nu het eiser wel is toegestaan om zich op te geven voor een zogenaamde arbeidspool teneinde bij de eigen werkgever overwerk te verrichten. Verweerder heeft aangegeven dat overwerk bij de eigen organisatie wel is toegestaan, omdat hij dan de naleving van de Arbeidstijdenwet kan controleren. Eiser is van mening dat de overige randvoorwaarden al voldoende waarborgen bieden om overtreding van de Arbeidstijdenwet tegen te gaan. Volgens eiser is de motivering van het bestreden besluit inconsistent en is er sprake van willekeur. Eiser is verder van mening dat de gewraakte voorwaarde ten doel heeft de financiële belangen van verweerder te beschermen in plaats van het beschermen van de gezondheid van werknemers, zoals verweerder heeft betoogd. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat het aanbieden van een afbouwregeling onvoldoende is om de negatieve gevolgen van het verbod weg te nemen.

2.3 In artikel 15:1:e, derde lid, van de CAO RAV Brabant BMWN (hierna: CAO) is het de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden gesteld.

In artikel 3, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling nevenwerkzaamheden RAV Brabant MWN 2008 (Uitvoeringsregeling nevenwerkzaamheden) zijn nevenwerkzaamheden in een bezwarende functie voor executieve medewerkers van de RAV toegestaan, voor zover de nevenwerkzaamheden en de werkzaamheden in de executieve functie bij de RAV samen de arbeidsduur van 36 uur per week gemiddeld niet overstijgen.

In het zevende lid van dit artikel is bepaald dat voor de in het vorige lid genoemde bezwarende hoofd- en nevenfunctie de definitie wordt gehanteerd zoals bepaald in artikel 9b:2 onder b van de CAO.

Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat de CAO-bepalingen gelijkluidend zijn aan de CAR-UWO.

2.4 Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) staat het beginsel van vrije arbeidskeuze er niet aan in de weg dat uit de gemaakte keuze voor een beroep beperkingen kunnen voortvloeien voor het daarnaast verrichten van andere werkzaamheden.

Verweerder heeft ten aanzien van het verrichten van nevenwerkzaamheden een beperking neergelegd in artikel 3, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling nevenwerkzaamheden. Deze beperking houdt in dat het voor personeelsleden zoals eiser, die fulltime werkzaam zijn in een executieve functie, niet is toegestaan om nevenwerkzaamheden te verrichten in een andere executieve functie.

Verweerder heeft voor deze restrictie gekozen na overleg met de vakorganisaties. Naar de mening van verweerder is het een feit van algemene bekendheid dat het vak van ambulancechauffeur c.q. ambulanceverpleegkundige psychisch zwaar werk is, dat gepaard gaat met risico’s voor de gezondheid en de veiligheid. Deze risico’s worden groter met het vorderen van de leeftijd, waarbij de risico’s sterk individueel bepaald zijn. Op het moment dat de gezondheidsrisico’s te groot worden, zijn zowel de werkgever als de werknemer verplicht tot loopbaanplanning, zodat de betreffende medewerker tijdig wordt voorbereid op een tweede carrière. Gelet hierop is op 1 januari 2006 het zogenaamde loopbaanbeleid voor personeel bezwarende functies ingevoerd. Bezien tegen deze achtergrond acht verweerder het niet verdedigbaar om medewerkers die op fulltime-basis werkzaam zijn in een bezwarende functie, nevenwerkzaamheden te laten verrichten in een eveneens bezwarende functie. Om medewerkers enigszins tegemoet te komen, is een zogenaamde flexpool opgericht. Op basis van vrijwilligheid en persoonlijke behoefte kunnen medewerkers aangeven dat zij beschikbaar zijn en/of interesse hebben voor het verrichten van extra diensten. Door deze vorm van overwerk aan te bieden in de flexpool, is het voor verweerder mogelijk nauwgezet toe te zien op de naleving van de Arbeidstijdenwet en de gezondheid van de individuele medewerker, waardoor de belangen van de medewerkers worden gewaarborgd, aldus verweerder.

De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder aldus dat het verrichten van (neven)werkzaamheden voor meer dan 36 uur in een bezwarende functie te grote risico’s met zich meebrengt voor de gezondheid en veiligheid, en verweerder door het toestaan van het verrichten van nevenwerkzaamheden bij een andere werkgever voorts onvoldoende toezicht kan houden op de naleving van de Arbeidstijdenwet en de gezondheid van de individuele medewerker.

De rechtbank onderschrijft de door verweerder genoemde risico’s, maar acht verweerders argumenten onvoldoende daadkrachtig om te dienen als onderbouwing voor de in artikel 3, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling nevenwerkzaamheden neergelegde (volledige) inperking van het verrichten van bezwarende nevenwerkzaamheden bij een andere werkgever voor zover daarbij de werkzaamheden in een bezwarende functie de 36 uur overschrijden.

De rechtbank is van oordeel dat het toestaan van werkzaamheden in een bezwarende functie voor meer dan 36 uur bij de eigen werkgever, door middel van het instellen van een flexpool, niet valt te rijmen met de volledige inperking van nevenwerkzaamheden in een bezwarende functie bij een andere werkgever. Voor zover verweerder heeft aangevoerd dat hij door het instellen van een eigen flexpool toezicht kan houden op naleving van de Arbeidstijdenwet en de gezondheid van de individuele werknemer, overweegt de rechtbank als volgt. Weliswaar kan verweerder door het invoeren van een eigen flexpool op eenvoudige wijze toezicht houden op de werktijden van zijn werknemers, maar de rechtbank is van oordeel dat het verrichten van nevenwerkzaamheden bij een andere werkgever niet uitsluit dat verweerder op die werkzaamheden (andere) controlemaatregelen toe zou kunnen passen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat artikel 3, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling nevenwerkzaamheden een te vergaande beperking van de vrijheid van arbeidskeuze inhoudt. Dit brengt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder de in artikel 3, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling nevenwerkzaamheden neergelegde beperking buiten toepassing had moeten laten.

Het beroep zal reeds hierom gegrond worden verklaard. De overige beroepsgronden behoeven dan ook geen verdere bespreking meer.

2.5 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift van eiser met inachtneming van de uitspraak van deze rechtbank. Daarbij dient verweerder tevens te beslissen over de gevorderde proceskosten in bezwaar. Gezien de gegrondverklaring van het beroep dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed. Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten van eiser in beroep, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag. De door eiser opgevoerde reiskosten voor het bijwonen van de zitting zal de rechtbank op de voet van het Bpb toekennen tot een bedrag van € 3,92.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

gelast dat de RAV Brabant Midden-West-Noord aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 145,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 647,92, te betalen door de RAV Brabant Midden-West-Noord.

Aldus gedaan door mrs. V.M. Schotanus, J.G.M. Wouters en S.A.M.L. Van den Bosch-van de Sande, rechters, en door mr. Schotanus, voorzitter, en E.C. Petrusma, griffier ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2009.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 18 augustus 2009