Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ5286

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
14-08-2009
Zaaknummer
09/2772 VV, 09/2773 VV, 09/2807 WRO en 09/2808 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Projectbesluit ten behoeve van het uitbreiden van een woning. Met elke bouwaanvraag voor een project binnen de gemeente - en derhalve ook de in geding zijnde dakopbouw - is sprake van een gemeentelijk belang als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, Wro. De stukken die betrekking hebben op het projectbesluit hebben met ingang van 29 december 2008 gedurende zes weken ter inzage gelegen. De kennisgeving van deze terinzagelegging is eerst op 30 december 2008 gepubliceerd in de Staatscourant. De voorzieningenrechter stelt vast dat aldus in strijd met artikel 3:12, eerste lid, van de Awb de kennisgeving niet is voorafgegaan aan de terinzagelegging. Hoewel de terinzagelegging feitelijk precies zes weken heeft geduurd is de voorzieningenrechter met verzoekers van oordeel dat de stukken niettemin één dag te weinig ter inzage hebben gelegen. Dit klemt omdat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen ingevolge artikel 3:16, eerste lid, van de Awb zes weken dient te bedragen en krachtens artikel 3.11, eerste lid, onder d, van de Wro gedurende deze termijn door een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp-besluit naar voren gebracht moeten kunnen worden. Geen reden voor toepassing van 6:22 Awb. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 van de Awb voorbij te gaan aan het feit dat niet alle bij het ontwerp-besluit behorende stukken langs elektronische weg beschikbaar konden worden gesteld omdat is gehandeld conform de toelichting op artikel 1.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), waarin is aangegeven dat, indien stukken niet digitaal beschikbaar zijn, volstaan kan worden met de mededeling op welke wijze en waar de analoge stukken beschikbaar zijn. Verweerder heeft expliciet verklaard dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan "[naam bestemmingsplan]" buiten toepassing blijft en heeft aan het projectbesluit zelf geen voorschriften en beperkingen verbonden die daarvoor in de plaats zouden treden. Ook niet voor wat betreft de geconstateerde strijdigheden met het geldende bestemmingsplan. De consequentie hiervan is dat er op het onderhavige perceel in het geheel geen bouw- en gebruiksvoorschriften meer gelden. Gelet op de definitie van artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wro, waarin het buiten toepassing blijven van het bestemmingsplan is gekoppeld aan de afwijking ervan, was er voor verweerder ook geen noodzaak tot nadere besluitvorming ten aanzien van dit aspect. In het onderhavige geval bestaat de afwijking van het bestemmingsplan in de overschrijding van het bebouwingsvlak, de goothoogte en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens. Omdat het projectbesluit - anders dan een vrijstelling of ontheffing van een bestemmingsplan - in zoverre in de plaats treedt van het bestemmingsplan, diende verweerder zodanige voorschriften in het projectbesluit op te nemen dat toetsing van de dakopbouw aan deze voorschriften tot vergunningverlening zou kunnen leiden. Verweerder heeft dit ten onrechte nagelaten. Verweerder heeft bepaald dat de termijn als bedoeld in artikel 3.13 van de Wro, waarbinnen een ontwerp voor een bestemmingsplan overeenkomstig dit projectbesluit ter inzage moet worden gelegd, wordt verlengd met twee jaar. Daarmee is verweerder gebleven binnen de grenzen van de gedelegeerde bevoegdheid. Hierbij is in aanmerking genomen dat artikel 3.13, eerste lid, van de Wro burgemeester en wethouders - en dus niet de gemeenteraad - opdraagt om binnen een jaar nadat het projectbesluit onherroepelijk is geworden een ontwerp voor een bestemmingsplan overeenkomstig dat projectbesluit ter inzage te leggen. Voorts is in strijd met artikel 5.1.3, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bro in de ruimtelijke onderbouwing geen melding gemaakt van de uitkomsten van het overleg als bedoeld in artikel 5.1.1 (met het waterschap en de provincie).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2009/176 met annotatie van W.J. Bosma
BR 2011/53 met annotatie van T.D. Rijs
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummers: 09/2772 VV, 09/2773 VV, 09/2807 WRO en 09/2808 WRO

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaken van

[verzoeker] e.a.,

wonende te [woonplaats], verzoekers,

gemachtigde mr. R.Th.J. van ‘t Zelfde

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg,

verweerder.

1. Procesverloop

Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 27 mei 2009 (bestreden besluit I), inzake het projectbesluit ten behoeve van het uitbreiden van de woning [adres].

Daarnaast hebben zij beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 juni 2009 (bestreden besluit II), inzake de bouwvergunning ten behoeve van het uitbreiden van de woning [adres].

Verzoekers hebben tevens op 2 juli 2009 verzocht voorlopige voorzieningen te treffen.

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 8 juli 2009, waarbij aanwezig waren verzoekers [verzoeker] en [verzoeker], bijgestaan door hun gemachtigde. Namens verweerder is [woordvoerder verweerder] verschenen. Ook vergunninghouder [naam vergunninghouder] is gehoord.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 28 februari 2008 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend voor een bouwvergunning voor het uitbreiden van zijn woning door middel van een dakopbouw op het perceel plaatselijk bekend [adres], kadastraal bekend [plaatsnaam] sectie [sectie nummer]. Bij besluit van 23 april 2008 heeft verweerder, onder het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), de gevraagde bouwvergunning verleend. Tegen dit besluit hebben verzoekers een bezwaarschrift ingediend. Tegelijkertijd hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 16 juni 2008 heeft de voorzieningenrechter de door verzoekers gevraagde voorziening toegewezen en de bouwvergunning geschorst. Daarop heeft verweerder het besluit van 23 april 2008 ingetrokken en heeft vergunninghouder zijn bouwaanvraag ingetrokken. Op 15 oktober 2008 heeft vergunninghouder een nieuwe aanvraag om bouwvergunning ingediend voor hetzelfde bouwplan. Omdat dit bouwplan (nog steeds) in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan heeft verweerder de desbetreffende bouwaanvraag tevens aangemerkt als een verzoek om een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) te nemen. Het voornemen tot het nemen van het projectbesluit heeft vanaf 29 december 2008 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode hebben verzoekers zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen hebben geleid tot aanpassing van de ruimtelijke onderbouwing op onderdelen en met inachtneming hiervan heeft verweerder bij bestreden besluit I besloten dat ten behoeve van het uitbreiden van de woning aan de [adres] het bestemmingsplan "[naam bestemmingsplan]" buiten toepassing blijft. Tegelijkertijd heeft verweerder met gebruikmaking van artikel 3.10 van de Wro een projectbesluit met bouwvergunning verleend en heeft hij de termijn ingevolge artikel 3.13 van de Wro, waarbinnen een ontwerp voor een bestemmingsplan overeenkomstig dit projectbesluit ter inzage wordt gelegd, verlengd met twee jaar. Ter zitting is gebleken dat abusievelijk is vermeld dat tevens bouwvergunning is verleend.

(Eerst) bij bestreden besluit II heeft verweerder, onder verwijzing naar het projectbesluit, de bouwvergunning ten behoeve van het uitbreiden van de woning [adres] verleend.

2.2 Verzoekers hebben aangevoerd dat artikel 3.11 van de Wro en artikel 3.12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet zijn nageleefd alsmede dat verzuimd is om afdeling 3.4 van de Awb toe te passen op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning. Voorts hebben verzoekers betoogd dat verweerder niet bevoegd was om het projectbesluit te nemen omdat geen sprake is van een gemeentelijk belang en dat verweerder niet bevoegd was de termijn ingevolge artikel 3.13 van de Wro te verlengen omdat het al dan niet vaststellen van een bestemmingsplan een exclusieve bevoegdheid van de gemeenteraad is. Daarnaast betwijfelen verzoekers dat de in geding zijnde dakopbouw zal worden gebruikt als berging. Zij vrezen dat deze ruimte zal worden gebruikt als werk- of slaapkamer, terwijl een dergelijk gebruik in strijd is met het Bouwbesluit omdat de ruimte niet hoog genoeg is. In het verlengde hiervan hebben verzoekers er op gewezen dat in de dakopbouw een venster wordt aangebracht van waaruit zicht is op de erven van verzoekers. Dit venster is in strijd met artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek (BW) omdat het is geprojecteerd binnen twee meter van de erfgrens en daartoe geen toestemming is verleend, aldus verzoekers.

Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht de bestreden besluiten te schorsen.

2.3 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Daarom zal, op grond van artikel 8:86 van de Awb, tevens onmiddellijk uitspraak worden gedaan in de hoofdzaak.

2.4 Vergunninghouder heeft op 15 oktober 2008 een nieuwe aanvraag ingediend voor hetzelfde bouwplan als waarvoor hij op 28 februari 2008 vergunning gevraagd heeft. Reeds omdat op die eerdere bouwaanvraag niet geheel of gedeeltelijk afwijzend is beschikt, is geen sprake van een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

2.5 Artikel 46, zesde lid, van de Woningwet bepaalt dat de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning en een beslissing omtrent een aanvraag om een projectbesluit, voor zover deze beslissing ziet op het bouwen waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht als één besluit worden aangemerkt.

Bestreden besluit I behelst een projectbesluit dat ziet op het bouwen van de bij bestreden besluit II vergunde dakopbouw. Ter zitting is gebleken dat de desbetreffende bouwvergunning niet (ook) bij bestreden besluit I is verleend. Daarom konden verzoekers niet separaat beroep instellen tegen bestreden besluit I. Dit beroep dient dan ook niet-ontvankelijk verklaard te worden. Het verzoek om schorsing van bestreden besluit I komt hierom niet voor inwilliging in aanmerking. De grieven van verzoekers tegen bestreden besluit I zullen hierna aan de orde komen in het kader van het beroep tegen bestreden besluit II.

2.6 Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, van de Wro kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang een projectbesluit nemen. De voorzieningenrechter kan verzoekers niet volgen in hun stelling dat met de verwezenlijking van de dakopbouw geen sprake is van een gemeentelijk belang. Blijkens de toelichting op deze bepaling heeft de kwalificatie 'van gemeentelijk belang' te maken met de in samenhang met de bevoegdheid om inpassingsplannen vast te stellen ook aan provinciale staten resp. de minister van VROM of een sectorminister gegeven bevoegdheid om een provinciaal (artikel 3.27 Wro) of een rijksprojectbesluit (artikel 3.29 Wro) te nemen. Gelet hierop kan er geen misverstand over bestaan dat met elke bouwaanvraag voor een project binnen de gemeente - en derhalve ook de in geding zijnde dakopbouw - een gemeentelijk belang aan de orde is.

Verweerder was dan ook - met inachtneming van de delegatie door de gemeenteraad - bevoegd om het projectbesluit te nemen.

2.7 Indien een aanvraag om bouwvergunning tevens dient te worden aangemerkt als een aanvraag om een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wro dan wordt ingevolge artikel 46, vierde lid, van de Woningwet de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning voorbereid overeenkomstig de procedure die van toepassing is op de voorbereiding van de beslissing omtrent de aanvraag om een projectbesluit.

Artikel 3.11, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een projectbesluit afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is, met dien verstande dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, tevens in de Staatscourant wordt geplaatst en voorts langs elektronische weg geschiedt, en het ontwerp met de hierbij behorende stukken langs elektronische weg wordt beschikbaar gesteld.

Uit vorenstaande bepalingen vloeit voort dat ook op de voorbereiding van de beslissing op de bouwaanvraag afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is. Ter zitting is van de zijde van verweerder weliswaar betoogd dat ook de beslissing op de bouwaanvraag deze zogeheten uniforme openbare voorbereidingsprocedure heeft doorlopen maar verzoekers hebben dit gemotiveerd betwist en gesteld dat zij de desbetreffende stukken bij verweerder hebben moeten opvragen omdat ze niet ter inzage hebben gelegen. Verweerder heeft ook geen afschrift van de publicatie van het voornemen om de bouwvergunning te verlenen overgelegd. In elk geval is ter zitting komen vast te staan dat blz. 1 en blz. 5 van de bouwaanvraag nimmer ter inzage hebben gelegen omdat vergunninghouder had aangegeven dat hij tegen openbaarmaking van deze gegevens was.

2.8 Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, geeft het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp.

Niet in geschil is dat verweerder alle stukken die betrekking hebben op het projectbesluit ter inzage heeft gelegd en dat deze stukken met ingang van 29 december 2008 gedurende zes weken ter inzage hebben gelegen. Verzoekers hebben er evenwel op gewezen dat de kennisgeving van deze terinzagelegging eerst op 30 december 2008 is gepubliceerd in de Staatscourant. De voorzieningenrechter stelt vast dat aldus in strijd met artikel 3:12, eerste lid, van de Awb de kennisgeving niet is voorafgegaan aan de terinzagelegging. Hoewel de terinzagelegging feitelijk precies zes weken heeft geduurd is de voorzieningenrechter met verzoekers van oordeel dat de stukken niettemin één dag te weinig ter inzage hebben gelegen. De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen dient ingevolge artikel 3:16, eerste lid, van de Awb zes weken te bedragen en krachtens artikel 3.11, eerste lid, onder d, van de Wro moeten gedurende deze termijn door een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp-besluit naar voren gebracht kunnen worden. Doordat de publicatie in de Staatscourant één dag na aanvang van de terinzagelegging heeft plaats gevonden moet worden vastgesteld dat niet voor een ieder (kenbaar was dat) de stukken zes weken ter inzage hebben gelegen.

2.9 De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting bepleit om eventuele procedurefouten in de voorbereidingsfase te passeren omdat verzoekers daardoor niet zijn benadeeld. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter dat hij verweerder op zich wel kan volgen in deze stelling, nu gebleken is dat verzoekers tijdig hun zienswijzen naar voren hebben kunnen brengen en uiteindelijk gedurende de onderhavige beroepsfase de beschikking hebben gekregen over alle relevante stukken. Nu echter de voorgeschreven eisen ter zake van de terinzagelegging en de kennisgeving daarvan als minimale waarborgen voor de rechtzoekenden dienen te worden beschouwd, waarvan strikte naleving noodzakelijk is, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan deze gebreken niet worden voorbijgegaan.

Van belang is daarbij dat met het passeren van deze gebreken het projectbesluit rechtskracht zal verkrijgen terwijl juist door deze gebreken de mogelijkheid bestaat dat anderen die zienswijzen naar voren zouden willen brengen, niet tijdig en voldoende geïnformeerd zijn.

2.10 De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 van de Awb voorbij te gaan aan het feit dat niet alle bij het ontwerp-besluit behorende stukken langs elektronische weg beschikbaar konden worden gesteld. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder in dit verband aangegeven dat de gemeente Geertruidenberg nog niet zo ver is dat alle stukken via de website aangeboden kunnen worden. De kennisgeving van het voornemen stond wel sedert 29 december 2008 op de gemeentelijke website met de mededeling dat het ontwerp-projectbesluit met bijbehorende stukken met ingang van 29 december 2008 gedurende zes weken ter inzage ligt in de gemeentewinkel. Degenen die via de publicatie op de website van het voornemen op de hoogte zijn geraakt hadden de mogelijkheid om, op dezelfde wijze als de degenen die via de Staatscourant op de hoogte zijn geraakt, de stukken opvragen bij de gemeente dan wel te gaan inzien in de gemeentewinkel. Deze handelwijze is in overeenstemming met de toelichting op artikel 1.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) waarin is aangegeven dat, indien stukken niet digitaal beschikbaar zijn volstaan kan worden met de mededeling op welke wijze en waar de analoge stukken beschikbaar zijn.

2.11 In bestreden besluit I heeft verweerder expliciet verklaard dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan "[naam bestemmingsplan]" buiten toepassing blijft. Voorts heeft verweerder aan het projectbesluit zelf geen voorschriften en beperkingen verbonden die daarvoor in de plaats zouden treden. Ook niet voor wat betreft de geconstateerde strijdigheden met het geldende bestemmingsplan. De consequentie hiervan is dat er op het onderhavige perceel in het geheel geen bouw- en gebruiksvoorschriften meer gelden

Artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wro definieert een projectbesluit als besluit, inhoudende dat ten behoeve van de verwezenlijking van een project, dat een of meer bouwwerken, werken geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden of het daarbij behorende gebruik kan omvatten en dat afwijkt van het geldende bestemmingsplan, dit bestemmingsplan buiten toepassing blijft.

Gelet op deze definitie, waarin het buiten toepassing blijven van het bestemmingsplan is gekoppeld aan de afwijking ervan, is er voor verweerder ook geen noodzaak tot nadere besluitvorming ten aanzien van dit aspect. In het onderhavige geval bestaat de afwijking van het bestemmingsplan in de overschrijding van het bebouwingsvlak, de goothoogte en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens. Omdat het projectbesluit - anders dan een vrijstelling of ontheffing van een bestemmingsplan - in zoverre in de plaats treedt van het bestemmingsplan, diende verweerder zodanige voorschriften in het projectbesluit op te nemen dat toetsing van de dakopbouw aan deze voorschriften tot vergunningverlening zou kunnen leiden. Verweerder heeft dit ten onrechte nagelaten.

2.12 De gemeenteraad van Geertruidenberg heeft op 17 december 2008 besloten de projectprocedure voor het in geding zijnde bouwplan op te starten en de bevoegdheid voor verdere afhandeling van deze procedure gedelegeerd aan verweerder. Bij bestreden besluit I heeft verweerder bepaald dat de termijn als bedoeld in artikel 3.13 van de Wro, waarbinnen een ontwerp voor een bestemmingsplan overeenkomstig dit projectbesluit ter inzage moet worden gelegd, wordt verlengd met twee jaar. Anders dan verzoekers is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder daarmee is gebleven binnen de grenzen van vorenbedoelde gedelegeerde bevoegdheid. Hierbij is in aanmerking genomen dat artikel 3.13, eerste lid, van de Wro burgemeester en wethouders - en dus niet de gemeenteraad - opdraagt om binnen een jaar nadat het projectbesluit onherroepelijk is geworden een ontwerp voor een bestemmingsplan overeenkomstig dat projectbesluit ter inzage te leggen. In het verlengde hiervan moet worden aangenomen dat verweerder ook bevoegd is om de termijn van een jaar te verlengen met maximaal twee jaar.

2.13 Op grond van artikel 5.1.1, eerste lid, van het Bro pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een projectbesluit daarbij overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn met de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het projectbesluit in het geding zijn.

Artikel 5.1.3, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bro bepaalt dat een projectbesluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat, waarin zijn neergelegd de uitkomsten van het in artikel 5.1.1 bedoelde overleg.

Verzoekers hebben er terecht op gewezen dat de ruimtelijke onderbouwing van het in geding zijnde project geen melding maakt van de uitkomsten van het overleg met het waterschap en de provincie. In dit opzicht kleeft aan de ruimtelijke onderbouwing een gebrek. Nadien is door het waterschap Brabantse Delta en de provincie te kennen gegeven dat er geen waterschapsbelangen resp. provinciale belangen in het geding zijn. Op zich acht de voorzieningenrechter deze verklaringen toereikend, maar gelet op de hiervoor reeds geconstateerde gebreken ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.

2.14 Artikel 5:50, eerste lid, van het BW, luidt als volgt:

Tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, is het niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven.

Ter zitting heeft vergunninghouder erkend dat het venster in de dakopbouw op ongeveer 1,5 meter afstand van de erfgrens is geprojecteerd. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat verzoekers daartoe geen toestemming hebben gegeven heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid geen doorslaggevende betekenis aan het bouwplan kunnen toekennen. Ter zitting heeft vergunninghouder aangeboden om het venster ondoorzichtig te maken of zelfs helemaal weg te laten, maar een dergelijke wijziging van het bouwplan vereist een nieuwe aanvraag dan wel opname van een voorschrift in het projectbesluit, zodat de voorzieningenrechter ook in dit opzicht niet zelf in de zaak kan voorzien.

2.15 De voorzieningenrechter deelt niet de twijfel van verzoekers omtrent het beoogd gebruik van de dakopbouw. Vergunninghouder heeft aangegeven dat hij deze ruimte als berging wil gebruiken en - rekening houdend met de beschikbare oppervlakte en binnenhoogte - is een gebruik als verblijfsruimte (zoals een werk- of slaapkamer) ingevolge de desbetreffende voorschriften van het Bouwbesluit niet toegestaan. De enkele aanwezigheid van een schuifpui acht de voorzieningenrechter niet toereikend voor de conclusie dat de dakopbouw niettemin als verblijfsruimte zal worden gebruikt. En in tegenstelling tot verzoekers ziet de voorzieningenrechter in het feit dat de dakopbouw alleen maar via de bestaande badkamer bereikbaar is, juist een aanwijzing dat deze ruimte als berging gebruikt zal gaan worden.

2.16 Resumerend overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekers niet ontvangen kunnen worden in hun beroep tegen bestreden besluit I, dat hun desbetreffende verzoek om schorsing deswege wordt afgewezen en dat hun beroep tegen bestreden besluit II (waarin bestreden besluit I ten behoeve van dit beroep is opgenomen) gegrond verklaard dient te worden vanwege de in rechtsoverwegingen 2.7, 2.8, 2.11, 2.13 en 2.14 geconstateerde gebreken in de besluitvorming.

Nu het beroep inzake 09/2808 WRO gegrond wordt verklaard en beide bestreden besluiten worden vernietigd, is er geen aanleiding om het verzoek om schorsing van deze besluiten in te willigen. Maar omdat deze afwijzing een gevolg is van toepassing van artikel 8:86 van de Awb dient zowel in de hoofdzaak 09/2908 WRO als in 09/2773 VV het griffierecht aan verzoekers te worden vergoed.

Tevens zal de voorzieningenrechter verweerder veroordelen in de proceskosten van verzoekers, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun beroep tegen (enkel) bestreden besluit I;

wijst het verzoek om schorsing van bestreden besluit I af;

verklaart het beroep tegen bestreden besluit II (waarvan bestreden besluit I deel uitmaakt) gegrond en vernietigt dit besluit ;

wijst het verzoek om schorsing van bestreden besluit II af;

gelast dat de gemeente Geertruidenberg aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht van (in totaal) € 300,-- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Geertruidenberg.

Aldus gedaan door mr. Th. Peters, rechter, en door deze en mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2009.

Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij op het beroep is beslist, kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's Gravenhage. De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Tegen de uitspraak inzake de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: 29 juli 2009.