Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ5285

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
31-07-2009
Datum publicatie
14-08-2009
Zaaknummer
08/1077
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BN5162, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat de keuze voor binnenlandse belastingplicht enkel gevolgen heeft voor de berekening van inkomstenbelasting en dus geen gevolgen heeft voor de berekening van - tijdsevenredige - premie volksverzekeringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/2014 met annotatie van Steijn
FutD 2009-1731
V-N 2009/56.2.3

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/1077

Uitspraakdatum: 31 juli 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiser], wonende te [adres], Duitsland,

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Buitenland,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.Met dagtekening 28 november 2007 is aan belanghebbende over het jaar 2005 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.660 en een premie-inkomen van € 9.804.

1.2.Bij brief met dagtekening 1 december 2007, bij de inspecteur binnen gekomen op 4 december 2007, heeft belanghebbende daartegen bezwaar aangetekend.

1.3.De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 januari 2008 de onderhavige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gehandhaafd.

1.4.Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 23 februari 2008, ontvangen bij de rechtbank op 26 februari 2008, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

1.5.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.7.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2008 te Roermond. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtig[gemachtigde], verbonden aan Administratiekantoor [kantoornaam], alsmede namens de inspecteur, [gemachtigde]. Van hetgeen ter zitting is verhandeld is een proces-verbaal opgesteld, waarvan een afschrift op 6 november 2008 aan partijen is verzonden. Na beide partijen te hebben gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst en het vooronderzoek hervat.

1.8.Partijen hebben na het onderzoek ter zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn steeds in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.9.Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 8 mei 2009 te Breda. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, de gemachtigden van belanghebbende, [gemachtigde] voornoemd, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigde]. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zittingen staat het volgende vast:

2.1.Belanghebbende heeft de Duitse nationaliteit en woont in het onderhavige jaar in Duitsland. Van 1 januari 2005 tot en met 22 mei 2005 heeft belanghebbende inkomsten genoten uit een dienstbetrekking in Nederland, in totaal € 9.804 bruto. Van 22 mei 2005 tot en met 31 december 2005 ontving belanghebbende in Duitsland ‘Arbeitslosengeld’ (hierna: werkeloosheidsuitkering), van in totaal € 5.856 bruto. Belanghebbendes totale - bruto - inkomen bedroeg in het onderhavige jaar derhalve € 15.660.

2.2.Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar ervoor gekozen om te worden behandeld als binnenlands belastingplichtige (artikel 2.5 van de Wet IB 2001). In zijn aangifte heeft belanghebbende voor de Duitse werkloosheidsuitkering van € 5.856, vermindering van premie volksverzekeringen gevraagd (vraag 56b in de aangifte). Tevens heeft belanghebbende aangegeven dat Nederland over de werkloosheidsuitkering geen inkomstenbelasting mag heffen (vraag 58a in de aangifte).

2.3.Bij het vaststellen van de aanslag heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 15.660 en het premie-inkomen op € 9.804.

2.4.In het tegen de aanslag gerichte bezwaarschrift heeft belanghebbende de inspecteur verzocht om het premie-inkomen vast te stellen door middel van de methode van tijdsevenredige herleiding van het premie-inkomen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen 2002 (hiena: UPV 2002). Het premie-inkomen bedraagt in dat geval dan € 6.133.

3.Geschil

3.1.In geschil is uitsluitend het antwoord op de volgende vragen.

IMoet het premie-inkomen in het onderhavige jaar worden vastgesteld op de voet van artikel 5, eerste lid, UPV 2002? En;

IIKan belanghebbende aan de vaststelling van de aanslag over het jaar 2006 het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat de onderhavige aanslag overeenkomstig wordt vastgesteld? Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de inspecteur ontkennend.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daar ter zittingen aan hebben toegevoegd wordt verwezen naar het processen-verbaal van de zittingen, waarvan afschriften aan deze uitspraak zijn gehecht.

3.1.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermndering van de aanslag premie volksverzekeringen tot een berekend naar een premie-inkomen van € 6.133. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.De voor het onderhavige geval van belang zijnde regelgeving, luidt als volgt:

Artikel 5 UPV 2002

1. Ten aanzien van degene die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar niet premieplichtig doch gedurende die periode wel belastingplichtig is, wordt voor de premieheffing bij wege van aanslag het premie-inkomen naar tijdsevenredigheid afgeleid van het premie-inkomen dat in aanmerking zou zijn genomen als de premieplicht volledig zou zijn samengevallen met de belastingplicht.

2. In afwijking van het eerste lid wordt als premie-inkomen geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het premie-inkomen verminderd met het gedeelte daarvan, waarop, op grond van een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en een of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is, of dat, bij gebreke van een internationale regeling, is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van een andere mogendheid

Artikel 6 UPV 2002

Ten aanzien van degene die gedurende een deel van het kalenderjaar anders dan door overlijden niet premieplichtig is, wordt voor de premieheffing bij wege van aanslag als premie-inkomen in aanmerking genomen het bedrag dat naar tijdsevenredigheid is afgeleid van het in artikel 10, zesde lid, van de wet vermelde premie-inkomen dat maximaal in aanmerking zou zijn genomen indien gedurende het gehele kalenderjaar sprake zou zijn geweest van premieplicht, tenzij toepassing van de bepalingen in de wet of van de overige bepalingen in deze regeling tot een lager premie-inkomen leidt.

4.2.Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van de niet in Nederland wonende werknemer die slechts gedurende een deel van het kalenderjaar in Nederland werkt - gelet op de tekst van artikel 5, eerste lid UPV 2002 - de tijdsevenredige herleiding van het premie-inkomen geen toepassing kan vinden. De rechtbank acht dit uitgangspunt van partijen juist; in dat geval valt immers het tijdvak waarover Nederland premie heft samen met tijdvak waarover Nederland belasting heft. Het premie-inkomen dient, naar de tekst van de genoemde bepalingen, dan te worden te vastgesteld aan de hand van de methode zoals omschreven in artikel 6 UPV 2002.

4.3.Belanghebbende heeft evenwel betoogd dat zijn keuze om als binnenlands belastingplichtige te worden aangemerkt, als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet IB 2001, tot gevolg heeft dat hij het hele jaar in Nederland belastingplichtig is. Daardoor is het tijdvak van premieplicht niet (meer) gelijk aan het tijdvak van belastingplicht, zodat artikel 5, eerste lid, UPV 2002 toepassing kan vinden. Met betrekking tot dit standpunt van belanghebbende overweegt de rechtbank het volgende. De niet in Nederland wonende werknemer, die slechts gedurende een deel van het kalenderjaar in Nederland werkt is slechts voor die tijd (buitenlands) belastingplichtig in Nederland. Anders is dit voor de in Nederland wonende werknemer die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar in Nederland werkt. Deze is ingevolge artikel 2.1 van de Wet IB 2001 het gehele kalenderjaar in Nederland (binnenlands) belastingplichtig.

4.4.Artikel 2.5 van de Wet IB 2001 maakt het voor een inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie mogelijk om te kiezen voor de toepassing van de regels van deze wet voor binnenlands belastingplichtigen. Deze keuze leidt naar het oordeel van de rechtbank niet ertoe dat buitenlandse belastingplichtigen daardoor binnenlands belastingplichtige worden. Zij blijven buitenlandse belastingplichtigen, alleen worden zij voor de berekening van de verschuldigde inkomstenbelasting in dat jaar behandeld alsof ze een binnenlandse belastingplichtige zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is de keuze van artikel 2.5 van de Wet IB 2001 dan ook uitsluitend een keuze voor een berekeningsmethode van de inkomstenbelasting. Dat de kiezende belastingplichtige als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet IB 2001 daarmee niet een binnenlandse belastingplichtige wordt, blijkt ook uit de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de Wet van 11 mei 2000, Stb. 2000, 215, tot vaststelling van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001):

" (…) In deze bepaling is voor inwoners van andere lidstaten van de Europese Unie en voor inwoners van landen waarmee Nederland een regeling ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen, de mogelijkheid opgenomen om te kiezen om op dezelfde wijze te worden behandeld als inwoners van Nederland (binnenlandse belastingplichtigen). Een keuze voor de toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen leidt er overigens niet toe dat de kiezende belastingplichtige binnenlands belastingplichtig wordt; hij blijft buitenlands belastingplichtig. Op deze wijze is invulling gegeven aan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 14 februari 1995, zaak C-279/93, BNB 1995/187 (Schumacker-arrest). Het Hof van Justitie van de Europese-Unie heeft in dit arrest bepaald dat een in een lidstaat woonachtige werknemer die in een andere lidstaat zijn inkomen geheel of vrijwel geheel verwerft in die andere lidstaat niet zwaarder mag worden belast dan een inwoner van die andere lidstaat (…)”MvT, Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 79-80."

4.5.Dat voor de kiezende buitenlandse belastingplichtige als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet IB 2001 het wereldinkomen - dat wil zeggen het inkomen dat gedurende het gehele kalenderjaar wordt genoten - als uitgangspunt wordt genomen is, gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.4 heeft overwogen, slechts een uitvloeisel van deze berekeningsmethode van de in het kalenderjaar verschuldigde inkomstenbelasting. Uitgangspunt blijft dat de kiezende belastingplichtige in een kalenderjaar slechts belastingplichtig, dat wil zeggen buitenlands belastingplichtig, is gedurende de periode dat hij Nederlands inkomen geniet. In het geval van belanghebbende is dat van 1 januari 2005 tot en met 22 mei 2005. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank tot gevolg dat in het onderhavige geval artikel 5, eerste lid, UPV 2002 geen toepassing kan vinden. Belanghebbendes betoog faalt derhalve. Het gelijk met betrekking tot de eerste in geschil zijnde vraag is aan de zijde van de inspecteur.

4.6.Belanghebbende heeft in zijn nader stuk van 18 oktober 2008 opgemerkt dat de inspecteur bij de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2006 het premie-inkomen wel heeft vastgesteld door middel van de methode van tijdsevenredige herleiding van het premie-inkomen. Voor zover belanghebbende hiermee bedoeld heeft aan te voeren dat de inspecteur bij hem het in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat dit ook heeft te gelden voor de onderhavige aanslag inkomstenbelasting en premie inkomstenbelasting, faalt deze stelling nu belanghebbende geen vertrouwen kan ontlenen aan feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen nadat de onderhavige aanslag is vastgesteld. Nu de aanslag over het jaar 2005 eerder is vastgesteld dan de aanslag ober het jaar 2006 kan belanghebbende aan de vaststelling van de aanslag over 2006 geen in rechte te honoreren vertouwen ontlenen ter zake van de aanslag over 2005. Het gelijk met betrekking tot de tweede in geschil zijnde vraag is eveneens aan de zijde van de inspecteur.

4.7.Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.3 tot en met 4.6 heeft overwogen is het gelijk aan de zijde van de inspecteur en is het beroep ongegrond.

5.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en door deze en mr. M. Jansen, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2009

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 10 augustus 2009

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.