Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ4743

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
07-08-2009
Zaaknummer
09/673
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BM7478, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende woont in België en is van beroep ziekenverzorgster. Haar klanten wonen zonder uitzondering in Nederland. Naar Nederlandse maatstaven drijft zij een onderneming. Belanghebbende vraagt voor het jaar 2009 een VAR. De inspecteur is van oordeel dat belanghebbendes winst niet aan Nederland toegerekend moet worden en weigert, gelet op de tekst van artikel 3.156 Wet IB 2001, om die reden een VAR-beschikking af te geven. De rechtbank is van oordeel dat de schriftelijke weigering om een beschikking af te geven, gelet op artikel 6.2 Awb, dient te worden aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking.

De rechtbank overweegt dat ook een niet-inwoner die geen Nederlandse winst geniet, gelet op de parlementaire geschiedenis die ten grondslag ligt aan artikel 3.156, recht heeft op een VAR. De rechtbank tekent daarbij aan dat door middel van de VAR formeel geen uitspraak wordt gedaan over de IB-positie van de aanvrager ervan, doch dat ze bedoeld is om zekerheid te bieden aan de opdrachtgevers van de aanvrager omtrent hun inhoudingsverplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1674
V-N 2009/53.2.3

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/673

Uitspraakdatum: 22 juli 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiseres], wonende te [adres eiseres],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [adres verweerder],

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 5 januari 2009 op het bezwaar van belanghebbende tegen de weigering om bij voor bezwaar vatbare beschikking een Verklaring arbeidsrelatie (hierna: VAR) 2009, als bedoeld in artikel 3.156, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), af te geven.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2009 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [gemachtigden].

Belanghebbende is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

1.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-draagt de inspecteur op om, met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank, alsnog een Verklaring Arbeids Relatie 2009 in de zin van artikel 3.156, eerste lid van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 aan belanghebbende te verstrekken;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 724,50, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

-gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende woont in België en is ziekenverzorgster. Sinds 1 april 2008 verricht ze haar werkzaamheden als zelfstandige. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende naar Nederlandse maatstaven een onderneming drijft. De rechtbank sluit zich hier bij aan.

2.2.Belanghebbende werkt wekelijks gemiddeld drie avonden en vijf ochtenden, waarin ze gemiddeld circa negen cliënten verzorgt. Alle werkzaamheden worden uitgeoefend in Nederland, op de woon- en verpleegadressen van haar cliënten. Het betreft enerzijds mensen die zorg in natura genieten (AWBZ-cliënten) en anderzijds mensen met een Persoonsgebonden budget (PGB-cliënten).

2.3.Belanghebbende heeft van haar schoonmoeder in [adres schoonmoeder] een ruimte gehuurd, waarin ze een deel van haar administratieve werkzaamheden verricht en die ze naar eigen zeggen gebruikt als uitvalsbasis om haar cliënten te bezoeken. Het betreft een ruimte in het woonhuis van haar schoonmoeder.

2.4Op 8 september 2008 verzoekt belanghebbende aan de belastingdienst om een VAR 2009 af te geven. Ze verklaart daarbij dat er geen wijzigingen zijn ten opzichte van het jaar 2008, voor welk jaar eerder een verklaring was afgegeven waarin werd vastgesteld dat belanghebbende winst uit onderneming genoot.

2.5.Met dagtekening 23 september 2008 reageert de belastingdienst negatief op dit verzoek. Een VAR 2009 kan niet worden afgegeven, aangezien de bij de schoonmoeder van belanghebbende gehuurde kamer niet als vaste inrichting kan gelden, zodat belanghebbende geen in Nederland te belasten winst uit onderneming geniet.

2.6.Belanghebbende richt haar bezwaar tegen deze weigering om een VAR 2009 af te geven. Gelet op het bepaalde in artikel 6:2 van de Awb dient de schriftelijke weigering om een voor bezwaar vatbare beschikking af te geven eveneens als een voor bezwaar vatbare beschikking te worden aangemerkt. De inspecteur heeft het bezwaar dan ook terecht ontvankelijk verklaard.

2.7.In geschil is het antwoord op de vraag of aan belanghebbende een VAR-beschikking dient te worden afgegeven, waarbij de inspecteur zich op het in punt 2.5 vermelde standpunt stelt. Belanghebbende is van mening dat zij, los van de vraag of zij in Nederland of in België winst uit onderneming geniet, recht heeft op een VAR.

2.8.Een belastingplichtige die zekerheid wenst omtrent de vraag of de voordelen die hij geniet of zal gaan genieten uit een arbeidsrelatie of arbeidsrelaties kunnen worden aangemerkt als winst uit onderneming, kan een verzoek indienen bij de inspecteur. Deze beslist op dat verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking (artikel 3.156, eerste lid, Wet IB 2001). Deze beschikking wordt VAR genoemd.

De rechtbank overweegt dat een belastingplichtige die geen winst uit onderneming in Nederland geniet, naar de letter van de wet geen recht heeft op een VAR. Ter beoordeling van de vraag of er reden is om van de letterlijke uitleg af te wijken overweegt de rechtbank het volgende.

2.9.De VAR is met name bedoeld om aan opdrachtgevers duidelijkheid te geven of zij over de vergoeding aan de opdrachtnemer loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: loonheffing) en premies werknemersverzekeringen (hierna: premies) moeten inhouden en afdragen. De inhouding en afdracht van loonheffing en premies kan gedurende de geldigheidstermijn van de VAR onder meer achterwege blijven als de opdrachtnemer de inkomsten geniet als winst uit onderneming (artikel 6A van de Wet op de Loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964)). De VAR biedt zekerheid voor opdrachtgevers en is ingevoerd omdat aan die zekerheid in de praktijk grote behoefte bleek te bestaan. Belanghebbende heeft gesteld dat voor haar de VAR noodzakelijk is om bij PGB-cliënten te kunnen werken. De inspecteur heeft dat bestreden.

Los van het antwoord op de vraag of de VAR voor belanghebbende noodzakelijk is, merkt de rechtbank op dat ze in ieder geval van belang is voor belanghebbende, nu ze juist bedoeld is voor belastingplichtigen die werkzaamheden verrichten zoals belanghebbende.

2.10.In de Memorie van Toelichting, behorende bij de Wet uitbreiding Rechtsgevolgen verklaring arbeidsrelatie (Wet van 23 december 2004, Staatsblad 2004, 720) is opgemerkt:

“3.6. De VAR in grensoverschrijdende situaties

Elke belastingplichtige, een binnenlandse of een buitenlandse, kan zich melden bij de inspecteur met een verzoek om zijn arbeidsrelatie te beoordelen.

...................

Gezien de redactie is het niet zonder meer duidelijk dat de bepalingen van artikel 3.156 en 3.157 Wet IB 2001 niet van toepassing zijn op buitenlands belastingplichtigen.

Deze bepalingen gelden ook voor buitenlands belastingplichtigen daar in artikel 7.2, eerste lid, Wet IB 2001 bij de verwijzing naar hoofdstuk 3 Wet IB 2001 geen uitzondering is gecreëerd voor de toepassing van artikel 3.156 Wet IB 2001.

....................

Op de belastingplichtige die in het buitenland woont, is hoofdstuk 7 van de Wet IB 2001 van toepassing. Een niet-inwoner van Nederland kan alleen belast worden voor winst als er voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 7.2, tweede lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001. Pas als de buitenlands belastingplichtige voldoet aan deze voorwaarden en er sprake is van een (gedeeltelijke) Nederlandse onderneming, kan de Belastingdienst aangeven op welke wijze de inkomsten in Nederland belast zullen worden. De toets of er sprake is van een (gedeeltelijk) Nederlandse onderneming, is afhankelijk van de individuele feiten en omstandigheden waaronder de niet-inwoner in Nederland werkzaam is. Omdat de Belastingdienst alleen een verklaring kan afgeven als er sprake is van in Nederland belastbare winst, zal dat bij een niet-inwoner eerst onderzocht moeten worden.

Om deze reden is het voor niet-inwoners niet mogelijk om via het huidige geautomatiseerde aanvraagsysteem van de VAR een verklaring aan te vragen. Het is evenwel niet de bedoeling de niet-inwoner uit te sluiten van de mogelijkheid om zekerheid te krijgen omtrent de aard van zijn arbeidsrelaties. Om die reden bestaat voor de niet-inwoner de mogelijkheid vooraf die zekerheid te verkrijgen door eventueel samen met zijn opdrachtgever, een verzoek in te dienen bij de competente inspecteur (dit kan de Belastingdienst [adres verweerder] kantoor Heerlen zijn of de loonbelastinginspecteur van de opdrachtgever). Een dergelijke verklaring van de inspecteur, die ook thans al mogelijk is, heeft een zelfde rechtskracht als een VAR.

De vraag is nu of de hierboven beschreven mogelijkheid voor niet-inwoners belemmerend werkt. De regering is van mening dat voor zowel binnenlands belastingplichtigen als voor niet-inwoners dezelfde mogelijkheden gecreëerd worden. Immers, beiden kunnen vooraf zekerheid krijgen over de kwalificatie van hun inkomen voor de Wet IB 2001. Er is derhalve geen belemmering voor niet-inwoners.”

Kamerstukken II 2003/04, 29 677, nr. 3, p. 9-10.

2.11.Uit bovengenoemde tekst leidt de rechtbank af dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om ook in gevallen als dat van belanghebbende een verklaring af te geven omtrent “de aard van haar arbeidsrelaties”. De wetgever heeft beoogd zekerheid vooraf te bieden aan in Nederland aan de loonheffing onderworpen opdrachtgevers omtrent hun inhoudingsverplichtingen, los van de vraag waar de opdrachtnemer is gevestigd. De verklaring is, gelet op hetgeen in punt 2.9 is vastgesteld, uiteindelijk bedoeld voor de opdrachtgever en niet voor de opdrachtnemer.

Op grond van de parlementaire geschiedenis dient de inspecteur dan ook, los van de vraag waar de met de werkzaamheden behaalde winsten zijn belast, een dergelijke verklaring af te geven.

2.12.De vraag is vervolgens of die verklaring dient te worden gegoten in de vorm van een VAR, zoals bedoeld in artikel 3.156 van de Wet IB 2001. De inspecteur bestrijdt dat.

Ter beantwoording van die vraag verwijst de rechtbank naar de onder punt 2.10 genoemde Kamerstukken. Hierin staat dat de verklaring dezelfde rechtskracht heeft als een VAR en dat voor niet-inwoners dezelfde mogelijkheden gecreëerd worden als voor binnenlands belastingplichtigen, zodat van een belemmering voor niet-inwoners geen sprake is.

De rechtbank is van oordeel dat een verklaring die materieel gelijkluidend is aan de VAR doch formeel geen VAR is, niet dezelfde rechtskracht heeft als een VAR. Immers, voor een dergelijke verklaring geldt niet artikel 6a van de Wet LB 1964, zodat de verklaring voor een opdrachtgever minder waarde heeft. Bovendien ziet de rechtbank als een ernstig tekort van een dergelijke verklaring dat daartegen, anders dan bij een echte VAR, niet de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep openstaan.

De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat voor niet-inwoners met een materiële verklaring niet dezelfde mogelijkheden openstaan als voor belastingplichtigen met een VAR. Hierdoor bestaat voor niet-inwoners de belemmering waarover in de Kamerstukken gesproken wordt wel degelijk.

Gelet hierop dient, om de bedoelde gelijkheid in behandeling te bewerkstelligen, naar het oordeel van de rechtbank aan belanghebbende alsnog een VAR verstrekt te worden.

2.13.De vraag of de inkomsten die belanghebbende uit haar onderneming geniet ter heffing aan België dan wel aan Nederland toegewezen dienen te worden behoeft daarmee geen beantwoording meer. De rechtbank tekent daarbij aan dat door middel van de VAR formeel geen uitspraak gedaan wordt over de gevolgen voor de inkomstenbelasting van de aanvrager van de VAR. Door in de VAR het voorbehoud te maken dat met het afgeven daarvan geen uitspraak gedaan wordt over de toerekening van de heffing aan België dan wel Nederland voorkomt de inspecteur eveneens dat mogelijk vertrouwen gewekt wordt over die toerekening.

2.14.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

2.15.De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Belanghebbende heeft verzocht om een integrale kostenvergoeding. De rechtbank merkt op dat die slechts in bijzondere omstandigheden kan worden gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur een pleitbaar standpunt ingenomen en heeft hij overigens niet zodanig onzorgvuldig gehandeld dat die bijzondere omstandigheden kunnen worden aangenomen. Dit houdt in dat recht bestaat op de in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair vastgestelde vergoedingen. Die bedragen voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 724,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 1/2 punt voor het verschijnen ter hoorzitting en ter nadere hoorzitting met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

Aldus gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en door deze en mr. M.D.E. Copra-Carolie, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 4 augustus 2009

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.