Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ2902

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
04-08-2009
Zaaknummer
08/1817
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Per 01-01-2003 vindt een accijnsverhoging plaats voor overige alcoholhoudende dranken. In de tegelijkertijd wettelijk vastgestelde overgangsmaatregel staat dat, behoudens tegenbewijs, teruggaven in de eerste 2 maanden van 2003 worden verleend tegen het lagere tarief. Belanghebbende koopt in december 2002 een grote hoeveelheid van die drank, inclusief accijns tegen het lagere tarief, in. In maart 2003 brengt belanghebbende eerstgenoemde voorraad over naar haar accijnsgoederenplaats (waar dranken accijnsvrij kunnen worden opgeslagen). Ter zake van deze transactie verzoekt belanghebbende om teruggaaf van accijns tegen het inmiddels hogere tarief. De rechtbank is van oordeel dat de overgangsregeling toepassing mist en dat, op grond van de bedoeling en de tekst van artikel 71, eerste lid, aanhef en onderdeel d, Wet op de Accijns, de teruggaaf beperkt moet blijven tot het bedrag aan aaciijns dat daadwerkelijk, in december 2002, betaald is. Deze uitleg is ook in overeenstemming met de daarop betrekking hebbende Richtlijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1673
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/1817

Uitspraakdatum: 15 juli 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[eiseres], gevestigd te [adres],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Zuid, kantoor [adres],

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 maart 2003 tot en met 31 maart 2003 een naheffingsaanslag accijns opgelegd naar een bedrag van € 323.192 alsmede bij beschikking een boete van 50% van de nageheven belasting.

1.2.De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 april 2008 de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd naar nihil.

1.3.Belanghebbende heeft tegen de uitspraak bij brief van 15 april 2008, ontvangen bij de rechtbank op 17 april 2008, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 288.

1.4.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2009 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan [kantoor] te [adres], alsmede namens de inspecteur, [gemachtigde].

1.6.Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. De rechtbank heeft de pleitnota’s tot de stukken van het geding gerekend. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.Belanghebbende drijft onder meer een groothandel in alcoholhoudende dranken. Deze dranken zijn ingevolge de Wet op de Accijns onderworpen aan de heffing van accijns voor overige alcoholhoudende dranken.

2.2.Sinds 2000 heeft belanghebbende een vergunning om deze dranken accijnsvrij op te slaan in een zogenaamde accijnsgoederenplaats (AGP).

2.3.Per 1 januari 2003 heeft er een wettelijke tariefsverhoging plaatsgevonden van de accijns voor overige alcoholhoudende producten van € 15,04 naar € 17,75 per hectoliter bij een temperatuur van 20°C per volume-percent alcohol.

2.4.Op 30 december 2002 heeft belanghebbende een hoeveelheid van 41.982,162 liter van 100% overige alcoholhoudende dranken (dat wil zeggen een hoeveelheid overige alcohol¬houdende dranken waarin zich 41.982,162 liter zuivere alcohol bevindt) vanuit haar AGP verkocht aan haar zusterbedrijf [naam zusterbedrijf]. Vanwege deze zogenaamde uitslag heeft belanghebbende accijns tegen het dan nog geldende tarief van € 15,04 afgedragen.

Op 10 maart 2003 heeft belanghebbende van deze partij 40.486,44 liter teruggekocht en in haar AGP gebracht. Ter zake van deze zogenaamde inslag heeft belanghebbende in haar aangifte accijns teruggevraagd, en ook gekregen, tegen het inmiddels geldende hoge tarief van € 17,75.

2.5.In de laatste maanden van 2002 heeft belanghebbende 82.763 liter van 100% overige alcoholhoudende producten van andere bedrijven gekocht. Deze producten zijn inclusief (de voor 2002 geldende) accijns gekocht en dus, anders dan gebruikelijk, niet ingeslagen in de AGP. In maart 2003 heeft belanghebbende van deze hoeveelheid 78.773 liter van 100% alsnog overgebracht naar haar AGP. Ter zake van deze inslag heeft belanghebbende in haar aangifte accijns teruggevraagd, en ook gekregen, tegen het inmiddels geldende hogere tarief.

2.6.Het verschil tussen het hoge en het lage tarief bedraagt voor de in 2.4 en 2.5 bedoelde teruggaven (40.486,44 +/+ 78.773) maal € 2,71 = € 323.192.

2.7.De gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat op de in 2.4 en 2.5 genoemde wijze is gehandeld om eenmalig een prijsvoordeel te behalen.

2.8.Met dagtekening 27 oktober 2004 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag accijns opgelegd naar het onder punt 2.6. genoemde bedrag van € 323.192.

3.Geschil

3.1.In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende ter zake van de inslag in maart 2003 van de in 2.4 en 2.5 genoemde partijen drank recht heeft op teruggaaf naar het vanaf 2003 geldende hogere tarief. Belanghebbende meent van wel, de inspecteur is daarentegen van oordeel dat slechts recht bestaat op teruggaaf naar het in 2002 geldende lagere tarief.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen partijen ter zitting hieraan hebben toegevoegd wordt verwezen naar het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen kan door de inspecteur op verzoek teruggaaf van accijns worden verleend voor accijnsgoederen die een vergunninghouder brengt binnen haar voor die goederen aangewezen AGP (artikel 71, eerste lid, aanhef en letter d, Wet op de Accijns). Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van deze bepaling (artikel 71, tweede lid, Wet op de Accijns).

4.2.In artikel 32 van het Uitvoeringsbesluit Accijns (hierna: UB Accijns) is, met betrekking tot het recht op teruggaaf van accijns bij een tariefswijziging, een algemene overgangsmaatregel geformuleerd. De tekst luidt als volgt:

“1. Bij een verzoek om teruggaaf binnen drie maanden na een tariefwijziging van de accijns wordt de teruggaaf ingevolge deze afdeling bij een tariefverhoging naar het daarvóór geldende tarief en bij een tariefverlaging naar het dan geldende tarief verleend, tenzij de belanghebbende aantoont dat de accijns waarvan teruggaaf wordt gevraagd, is voldaan naar het na de tariefverhoging geldende onderscheidenlijk vóór de tariefverlaging gegolden hebbende hogere tarief.

2……”

4.3.De wettelijke tariefsverhoging per 1 januari 2003 voor overige alcoholhoudende dranken vormde onderdeel van het Belastingplan 2003. Tegelijkertijd met de invoering van die tariefsverhoging is in artikel XXVIB van het Belastingplan 2003 een wettelijke overgangsmaatregel opgenomen. Deze bepaling geldt specifiek voor de tariefsverhoging op 1 januari 2003 van de overige alcoholhoudende dranken en luidt:

“Teruggaaf van accijns voor overige alcoholhoudende producten op de voet van de artikelen 70 en 71 van de Wet op de accijns wordt tot en met 28 februari 2003 verleend naar het tot en met 31 december 2002 geldende tarief, tenzij belanghebbende aantoont dat de accijns naar het vanaf 1 januari 2003 geldende tarief is voldaan.”

4.4.Tussen partijen is niet in geschil dat met betrekking tot de periode waarvoor bij de onderhavige tariefswijziging de overgangsmaatregel geldt, de algemene overgangsbepaling van artikel 32 van het UB Accijns moet wijken voor de specifieke bepaling in artikel XXVIB van het Belastingplan 2003. De rechtbank sluit zich aan bij dit juridisch juiste uitgangspunt.

Nu artikel XXVIB van het Belastingplan 2003 slechts ziet op teruggaven tot en met 28 februari 2003 en de in het geding zijnde teruggaaf dateert van na die datum is de rechtbank van oordeel, in navolging van partijen, dat in het voorliggende geval de overgangsregeling toepassing mist. Dat houdt in dat de vraag naar welk tarief de teruggaaf berekend wordt, beoordeeld moet worden op basis van de normale wettelijke regeling, zoals die is geformuleerd in artikel 71, eerste lid, aanhef en onderdeel d (zie punt 4.1.).

4.5.De inspecteur heeft betoogd dat het begrip “teruggaaf” in deze bepaling naar haar letterlijke betekenis dient te worden uitgelegd. Hij heeft aangevoerd dat grammaticaal gezien van een teruggaaf slechts sprake kan zijn voor zover er eerst betaald is. Daarom is hij van mening dat de teruggaaf beperkt dient te blijven tot de bedragen aan accijns die daadwerkelijk betaald zijn.

4.6.Belanghebbende heeft zich daarentegen op het standpunt gesteld dat het begrip “teruggaaf” minder eng dient te worden uitgelegd, waardoor de teruggaaf wel degelijk hoger kan zijn dan het bedrag aan accijns dat op de betreffende goederen betaald is. Hij vindt steun voor die opvatting in de overgangsregelingen. Daarin staat vermeld dat bij een tariefverhoging gedurende een periode van enkele maanden, behoudens tegenbewijs, teruggaaf verleend wordt naar het oude tarief. Belanghebbende leidt hieruit af dat na die periode per definitie teruggaaf verleend wordt tegen het nieuwe tarief.

4.7.De rechtbank deelt de opvatting van de inspecteur. Er kan naar het oordeel van de rechtbank, zowel naar de bedoeling als de letter van de wet, slechts sprake zijn van een teruggaaf voor zover er eerst betaald is. Deze uitleg komt ook overeen met het bepaalde in de Richtlijn 92/12 EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, PB EG, nr L.76. In artikel 22, vijfde lid, van die Richtlijn staat:

“De belastingautoriteiten van elke Lid-Staat stellen de procedures en de wijze van controle vast die gelden voor teruggaven op hun eigen grondgebied. De Lid-Staten zorgen ervoor dat de teruggaaf van de accijns niet hoger is dan het daadwerkelijk voldane bedrag.”

De rechtbank ziet hierin een ondersteuning van haar oordeel. De stelling van belanghebbende dat deze Richtlijn niet of niet juist is geïmplementeerd, wat daar ook van zij, doet daaraan niet af.

4.8.De uitleg die belanghebbende aan het woord “teruggaaf” in artikel 71, eerste lid, aanhef en onderdeel d, Wet op de Accijns geeft vindt geen steun in de wetsgeschiedenis of jurisprudentie. Anders dan belanghebbende ziet de rechtbank ook in de overgangsregeling(en) geen argument voor de door belanghebbende verdedigde visie. Daarin zijn slechts bewijsregels geformuleerd, die in meer of mindere mate afwijken van de normale bewijsregels. Na afloop van de overgangsperiode gelden die speciale bewijsregels niet meer, maar komen daar de normale in het belastingrecht geldende regels van bewijslastverdeling voor in de plaats. Op basis van die regels zal dan naar het oordeel van de rechtbank steeds vastgesteld moeten worden welk bedrag aan accijns begrepen is in de betreffende goederen en tot welk bedrag op basis daarvan teruggaaf dient te worden verleend. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat het in de praktijk vaak moeilijk is voor partijen om te voldoen aan de op hen rustende bewijslast, brengt hierin geen verandering.

4.9.Gelet op het vorenoverwogene kan, nu in het onderhavige geval tussen partijen vaststaat dat ter zake van de hoeveelheden drank die in maart 2003 in de AGP gebracht zijn accijns is betaald naar het tarief van 2002, ook slechts teruggaaf verleend worden naar dat tarief. In dat geval is tussen partijen niet in geschil dat tot een bedrag van € 323.192 teveel teruggaaf is verleend hetgeen inhoudt dat de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

4.10.Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr.drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr A.A. den Hartog, rechters, en door de voorzitter en mr. M.S.J. Pijnenburg-Braspenning, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 29 juli 2009

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.