Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ2238

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
10-07-2009
Zaaknummer
629414-07 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ten laste gelegd is het aanwezig hebben van ongeveer 57 kiligram hennep(toppen) (feit 1) en een pistool met munitie (feit 2).

Verdachte is vrijgesproken van feit 1 omdat de woning van verdachte in strijd met artikel 8, eerste lid, van het EVRM en daarmee onrechtmatig is betreden. De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Aangezien er sprake is van een forse inbreuk op een belangrijk recht, is de rechtbank van oordeel dat het bewijsmateriaal dat door het onrechtmatig binnentreden en het daarna in beslag nemen van de hennep, moet worden uitgesloten van het bewijs. Dit brengt mee dat verdachte van het tenlaste gelegde feit 1 dient te worden vrijgesproken, omdat dit, na hetgeen de rechtbank voor het bewijs heeft uitgesloten, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Dit geldt niet voor het vuurwapen en de munitie omdat verdachte op een open vraag van de verbalisanten antwoorden heeft gegeven omtrent het bezit van een eventueel vuurwapen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 192

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 629414-07 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 juli 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op 2 maart 1972 te Gurun (Turkije)

wonende te [adres],

raadsman mr. R.B. Milo, advocaat te Tilburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2009, waarbij de officier van justitie, mr. Laheij, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. hennep heeft bewerkt dan wel aanwezig heeft gehad

2. een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat er sprake is geweest van een rechtmatige controle van de woning en dat de aangetroffen hennep mag worden gebezigd voor het bewijs alsmede de daarna door verdachte afgelegde verklaring.

De officier van justitie acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van hennep en een vuurwapen met daarvoor bestemde munitie en baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte en voor wat betreft de hennep op het proces-verbaal bevindingen (dossierpagina 43A) en voor wat betreft het vuurwapen op het proces-verbaal van Regionaal Bureau Wapens en Munitie.

4.1 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van beide ten laste gelegde feiten en wijst daarbij op het volgende:

In casu was het binnentreden in de woning van verdachte en de daarop volgende controle van die woning in het licht van het ontbreken van een concrete verdenking van overtreding, het niet stellen van een redelijke termijn tot medewerking en het zich doen vergezellen van een functionaris van de politie disproportioneel en stond niet in redelijke verhouding tot het daarmee beoogde doel. Dat maakt het binnentreden en de daarop volgende controle derhalve onrechtmatig. Er is, aldus de raadsman, sprake van een onherstelbaar vormverzuim en daarom kunnen de vruchten van het onrechtmatig binnentreden niet voor het bewijs worden gebezigd. Dat geldt zowel voor de aangetroffen hennep als voor het aangetroffen pistool nu dit laatste een rechtstreeks gevolg is van de detentie van verdachte en zijn in dat verband afgelegde verklaringen. Zou men de woning niet hebben gecontroleerd, dan zou verdachte niet zijn aangehouden en zou hij ongetwijfeld geen voor zichzelf belastende verklaring hebben afgelegd.

4.2 Het oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot feit 1:

Met betrekking tot de vraag of op 16 oktober 2007 rechtmatig is binnengetreden in het pand gelegen aan de [adres] te Tilburg stelt de rechtbank het volgende vast.

Door medewerkers van verschillende diensten van de gemeente Tilburg is besloten om gezamenlijk een controle uit te voeren bij een groot aantal binnen de gemeente gelegen growshops. Eén van de te controleren growshops betrof [naam], gelegen aan de [adres] te Tilburg en eigendom van verdachte. Het pand grenst aan de openbare weg en bestaat uit een bedrijfsruimte met geïntegreerde woning. De woonruimte bevindt zich deels op de eerste en deels op de tweede verdieping. Op 16 oktober 2007 is voornoemd pand door een medewerker van de belastingdienst, een medewerker van de gemeente Tilburg en de heer [naam], werkzaam bij de politie Midden en West Brabant, bezocht. Tijdens de controle die vervolgens in het pand is uitgevoerd, is verdachte verzocht om ook op de eerste en tweede verdieping te mogen kijken. Nadat verdachte aangaf hier bezwaar tegen te hebben, is gebruik gemaakt van de machtiging tot binnentreden die door de burgemeester van Tilburg was afgegeven. Vervolgens zijn de eerste en tweede verdieping van het pand betreden en is op de tweede verdieping een grote hoeveelheid hennep aangetroffen.

Een aantal van de gemeenteambtenaren die voornoemde controle hebben voorbereid, zijn als getuige gehoord omtrent het zonder toestemming van verdachte betreden en controleren van zijn bedrijf en woning. Met de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat deze verklaringen niet op alle punten gelijkluidend zijn. De rechtbank stelt echter wel vast dat bijna alle getuigen hebben verklaard dat de controle die op 16 oktober is uitgevoerd in het kader stond van de brandveiligheid en dat er op basis van artikel 100, vijfde lid, van de Woningwet is binnengetreden. Daarnaast is uitdrukkelijk door zowel de heer [naam] in zijn proces-verbaal van bevindingen als door de officier van justitie ter terechtzitting verklaard dat er geen sprake was van een strafrechtelijke verdenking tegen verdachte dan wel tegen de growshop. Anders dan door de verdediging is betoogd, gaat de rechtbank er dan ook vanuit dat er is binnengetreden op grond van de Woningwet ter controle van de brandveiligheid.

De rechtbank overweegt voorts dat niet alleen het bedrijf [naam] is betreden, maar ook de daarmee deels geïntegreerde woning van verdachte. Aangezien verdachte hier geen toestemming voor heeft gegeven, is sprake van een inmenging door de overheid zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Een dergelijke inmenging is slechts toegestaan indien deze in een democratische samenleving noodzakelijk is. Daartoe dient een afweging te worden gemaakt tussen het nagestreefde belang en de wijze waarop inbreuk wordt gemaakt op het recht op privacy.

In het onderhavige geval is een algemene controle uitgevoerd in het kader van de brandveiligheid. Er bestonden geen concrete aanwijzingen dat er in het bedrijf [naam] of in de woning van verdachte iets mis zou zijn op dat gebied. De rechtbank is van oordeel dat het recht op privacy onder die omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het maatschappelijk belang dat is gemoeid met een algemene controle naar de brandveiligheid. Dit betekent dat de woning enkel met toestemming van verdachte had mogen worden betreden en gecontroleerd en dat ten onrechte een machtiging tot binnentreden is afgegeven.

Het vorenstaande betekent dat de woning van verdachte in strijd met artikel 8, eerste lid, van het EVRM en daarmee onrechtmatig is betreden. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Aangezien sprake is van een forse inbreuk op een belangrijk recht is de rechtbank van oordeel dat het bewijsmateriaal dat door het onrechtmatig binnentreden en het daarna in beslag nemen is verkregen, moet worden uitgesloten van het bewijs. Dit brengt mee dat verdachte van het ten laste gelegde feit 1 dient te worden vrijgesproken, omdat dit, na hetgeen de rechtbank voor het bewijs heeft uitgesloten, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Met betrekking tot feit 2:

Door de verbalisanten is tijdens het verhoor van verdachte een open vraag gesteld met betrekking tot een vuurwapen. De verbalisanten hadden op dat moment geen enkele aanwijzing dat verdachte in het bezit zou zijn van een vuurwapen. Verdachte heeft naar aanleiding van die vraag verklaard dat er een vuurwapen in zijn woning lag.

De rechtbank is van oordeel dat er geen link bestaat tussen de vraag en de bekennende verklaring van verdachte enerzijds en de eerder genoemde zoeking anderzijds, zodat dit resultaat niet als verboden vrucht wordt aangemerkt.

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, gelet op het volgende:

Tijdens het verhoor van verdachte heeft verdachte verklaard dat hij een vuurwapen met daarvoor bestemde munitie in zijn woning aanwezig heeft. Hij heeft precies aangegeven waar dit wapen en de munitie zich bevinden. Naar aanleiding van deze verklaring heeft de politie de woning van verdachte doorzocht en het door verdachte omschreven vuurwapen en de munitie gevonden. Het vuurwapen en de munitie zijn voor een nader onderzoek aangeboden aan het Regionaal Bureau Wapens en Munitie . Uit dit onderzoek blijkt dat het pistool een vuurwapen is in de zin van artikel 1, onder 3e, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. Het bezit van boven omschreven wapen is strafbaar gesteld in artikel 26 lid 1 jo artikel 55 lid 3a van de WWM.

De betreffende munitie is geschikt voor vuurwapens van categorie III en derhalve munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III, van de WWM. Het bezit van boven omschreven munitie is strafbaar gesteld in artikel 26 lid 1 jo artikel 55 lid 1 van de WWM.

4.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

hij op of omstreeks 18 oktober 2007 te Tilburg een of meer wapens van categorie

III, te weten een pistool, merk Browning (kaliber 9 mm luger), en/of munitie

van categorie III, te weten 13 patronen, 9 mm, type luger, voorhanden heeft

gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 180 uur subsidiair 90 dagen hechtenis en een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een werkstraf

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een pistool en een hoeveelheid munitie van het kaliber dat geschikt is voor dat pistool.

Het bezit van een dergelijk wapen, in combinatie met voor dat wapen geschikte munitie, levert potentieel (levens)gevaar op.

De ervaring leert dat dit soort wapens in onze samenleving worden gebruikt voor het bedreigen en doden of verwonden van mensen.

De rechtbank acht het verwerpelijk dat verdachte zich heeft ingelaten met het voorhanden hebben van een dergelijk wapen.

Blijkens het strafblad van verdachte is hij in een ver verleden in verband met overtreding van de Wet Wapens en Munitie in aanraking geweest met justitie.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten.

Nu de rechtbank slechts bewezen acht dat verdachte een vuurwapen met munitie voorhanden heeft gehad, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank houdt daarbij rekening met het feit dat het om een oud feit gaat.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat voor het bewezenverklaarde kan worden volstaan met een werkstraf van 120 uur.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 27, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 26, 55, 56 en 60 van de Wet Wapens en Munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het

feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het

feit is begaan met betrekking tot munitie van categorie III;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. Scheffers, voorzitter, mr. Kooijman en mr. Prenger, rechters, in tegenwoordigheid van Van Hamme, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 juli 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 16 oktober 2007 te Tilburg opzettelijk heeft bewerkt en/of

verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de

[adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 57,68 kilogram

hennep (toppen), althans een groot hoeveelheid hennep /of delen daarvan, in

elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 18 oktober 2007 te Tilburg een of meer wapens van categorie

III, te weten een pistool, merk Browning (kaliber 9 mm luger), en/of munitie

van categorie III, te weten 13 patronen, 9 mm, type luger, voorhanden heeft

gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie