Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ1702

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
06-07-2009
Zaaknummer
08 / 2676 REA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA kan een arbeidsplaatsvoorziening worden toegekend aan “een persoon (met een structurele, functionele beperking) die arbeid in dienstbetrekking verricht of die arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten”. De rechtbank begrijpt uit de Memorie van Toelichting dat het niet de bedoeling van de wetgever is om de doelgroep van artikel 35 van de Wet WIA uit te breiden met personen die gelet op de aard van hun (toekomstige) arbeidsverhoudingen niet behoren tot de kring van verzekerden en dus ook niet in aanmerking kunnen komen voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Uitgaande van dit door de wetgever geformuleerde doel van de arbeidsplaatsvoorzieningen, is de rechtbank van oordeel dat het in de rede ligt om voor de invulling het begrip “dienstbetrekking” aansluiting te zoeken bij het bepaalde in paragraaf 2 van de ZW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 08 / 2676 REA

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

[naam eiser],

wonende te [plaatsnaam], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (UWV; kantoor Breda),

verweerder.

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 22 mei 2008, inzake de afwijzing van zijn aanvraag voor vergoeding van de jaarlijkse inspectiebeurt van het remsysteem van zijn auto.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 4 maart 2009, waarbij namens verweerder [naam persoon] aanwezig was. Eiser is met voorafgaande kennisgeving niet ter zitting verschenen.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Ingevolge artikel 16 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) is door verweerder aan de voormalige werkgever van eiser subsidie voor meerkosten verstrekt, voor het ten behoeve van eiser aanpassen van een auto met een aangepast remsysteem.

Eiser heeft in 2007 een aanvraag gedaan voor vergoeding van de jaarlijkse inspectiebeurt van het remsysteem.

Bij besluit van 8 januari 2008 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het remsysteem waarvoor eiser de kosten van het onderhoud declareert een voorziening betreft die niet door verweerder is verstrekt, zodat verweerder niet verantwoordelijk is voor de onderhoudskosten van de voorziening.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid zijn bezwaren tijdens een hoorzitting toe te lichten.

Bij besluit van 22 mei 2008 (bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

2.2 Eiser heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat de onderbouwing door verweerder van het bestreden besluit niet juist is. In het besluit is aangegeven dat het remsysteem niet door verweerder is verstrekt, terwijl het remsysteem van de auto destijds door verweerder aan de toenmalige werkgever van eiser is vergoed. Verweerder heeft een eerdere aanvraag van eiser voor vergoeding van het onderhoud afgewezen, op de grondslag dat het onderhoud van het remsysteem door de werkgever betaald zou moeten worden, omdat verweerder de voorziening aan de werkgever had verstrekt. Eiser heeft aangevoerd dat hij de auto van zijn voormalige werkgever heeft overgenomen en dat de auto nu zijn eigendom is. Eiser is dan ook verantwoordelijk voor het onderhoud van het remsysteem van de auto.

2.3 In artikel 16, eerste lid aanhef en sub c, van de Wet REA is, voor zover thans van belang, bepaald dat het UWV op aanvraag van de werkgever die met een werknemer een dienstbetrekking is aangegaan of waarmee een dienstbetrekking blijkt te bestaan, subsidie kan verstrekken voor meerkosten voor zover die werkgever kosten maakt of heeft gemaakt ten behoeve van het in dienst houden van een arbeidsgehandicapte werknemer.

Op 29 december 2005 is de Wet REA ingetrokken (Besluit van 13 december 2005, Stb. 2005, 659) en is de Wet WIA in werking getreden (Besluit van 2 december 2005, Stb. 2005, 619).

Ingevolge artikel 132 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) wordt de subsidie die, op de dag voorafgaand aan de dag waarop artikel 16 van de Wet REA vervalt, was toegekend op grond van artikel 16 van de Wet REA, voor de duur van het tijdvak waarvoor die subsidie op grond van de Wet REA is toegekend aangemerkt als subsidie als bedoeld in artikel 35.

In artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA is - voor zover van belang - bepaald dat

het UWV aan een persoon met een naar het oordeel van het UWV structurele functionele beperking, die arbeid in dienstbetrekking verricht of die arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten op aanvraag voorzieningen kan toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid.

Artikel 7, eerste lid, van de Wet WIA bepaalt dat de werknemer verplicht verzekerd is.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wet WIA is de werknemer in de zin van de Wet WIA gelijkgesteld aan de werknemer in de zin van de Ziektewet (ZW).

In artikel 3, eerste lid, van de ZW is de werknemer gedefinieerd als de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW wordt - voor zover hier van belang - niet als dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van degene, die wethouder is.

2.4 De rechtbank overweegt dat vast staat dat verweerder in het verleden aan de toenmalige werkgever van eiser subsidie voor meerkosten heeft verstrekt, voor het ten behoeve van eiser aanpassen van een auto met een aangepast remsysteem. Voorts staat vast dat eiser de desbetreffende auto van zijn voormalige werkgever heeft overgenomen en dat die auto thans zijn eigendom is.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de motivering van het bestreden besluit, inhoudende dat het remsysteem een voorziening betreft die niet door verweerder is verstrekt, ondeugdelijk is. Nu het bestreden besluit op een ondeugdelijke motivering rust, is het in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is dan ook gegrond.

2.5 Vervolgens zal de rechtbank bezien of er aanleiding is gebruik te maken van de haar in artikel 8:72, derde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om de rechtsgevolgen van een vernietigd besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten.

Verweerder heeft in het verweerschrift onderkend dat de aanvraag voor de vergoeding van de onderhoudskosten van het remsysteem op een onjuiste grond is afgewezen. In het verweerschrift heeft verweerder vervolgens een andere motivering aan de afwijzing ten grondslag gelegd. Deze motivering houdt samengevat in dat eiser, die sinds 2006 als wethouder werkzaam is, niet behoort tot de doelgroep van artikel 35 van de Wet WIA, omdat een wethouder niet kan worden aangemerkt als een persoon die arbeid in dienstbetrekking verricht, gelet op het bepaalde in artikel 6 van de ZW.

In artikel 35 van de Wet WIA is bepaald dat een arbeidsplaatsvoorziening kan worden toegekend aan “een persoon (met een structurele, functionele beperking) die arbeid in dienstbetrekking verricht, of arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten”.

Uit de Memorie van Toelichting op de Wet WIA (TK 2004-2005, 30 034, nr. 3) blijkt dat de verstrekking van arbeidsplaatsvoorzieningen door de wetgever niet is beperkt tot de “verzekerden” in de zin van de WIA, zodat ook aan anderen, bijvoorbeeld personen die een Wajong-uitkering ontvangen, een arbeidsplaatsvoorziening kan worden verstrekt (zie ook EK 2005-2006, 30 034 en 30 118, C, pagina 21 en 22).

Uit de Memorie van Toelichting (pagina 52 en 53) blijkt verder dat de arbeidsplaats-voorzieningen tot doel hebben te voorkomen dat werknemers met een structurele, functionele beperking hun werkzaamheden niet meer kunnen verrichten, hetgeen kan leiden tot instroom in een WIA-uitkering. De rechtbank begrijpt hieruit dat het niet de bedoeling is van de wetgever om de doelgroep van artikel 35 van de Wet WIA ook uit te breiden met personen die gelet op de aard van hun (toekomstige) arbeidsverhouding niet behoren tot de kring van verzekerden en dus ook niet in aanmerking kunnen komen voor een arbeidsongeschiktheids-uitkering op grond van de Wet WIA.

Uitgaande van dit door de wetgever geformuleerde doel van de arbeidsplaatsvoorzieningen, is de rechtbank daarom met verweerder van oordeel dat het in de rede ligt om voor de invulling van het begrip “dienstbetrekking” aansluiting te zoeken bij het bepaalde in paragraaf 2 van de ZW.

Vast staat dat eiser sinds medio 2006 werkzaam is als wethouder. Gelet op artikel 3 van de ZW gelezen in samenhang met artikel 6 van de ZW, wordt de arbeidsverhouding van een wethouder niet beschouwd als een dienstbetrekking. Eiser behoort daarom niet tot de kring van personen die op grond van artikel 35 van de Wet WIA aanspraak kan maken op een arbeidsplaatsvoorziening.

2.6 Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, maar dat het voor het overige de (inhoudelijke) rechterlijke toetsing kan doorstaan. De rechtbank zal daarom bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.7 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed. Omdat niet gebleken is van op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van eiser, zal een proceskostenveroordeling achterwege blijven.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

gelast dat het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 39,- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, en door deze en mr. W.J.C. Goorden, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2009.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: