Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BI9806

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/2996
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht belanghebbende gebonden aan de door hem "onder protest" getekende vaststellingsovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1486
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/2996

Uitspraakdatum: 20 mei 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 3 juni 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2005 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2009 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1.1. Belanghebbende en zijn echtgenote zijn de vennoten in [de vof]. Op 30 maart 2007 heeft de inspecteur bij belanghebbende, zijn echtgenote en de vof een boekenonderzoek aangekondigd over de periode 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005. Het boekenonderzoek had betrekking op de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting van de vof en de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, premie WAZ en premie Zfw van belanghebbende en zijn echtgenote over de genoemde periode. Op 27 april 2007 heeft op het bedrijfsadres een inleidend gesprek plaatsgevonden. Het onderzoek is op 8 mei 2007 aangevangen op het kantooradres van de (toenmalige) gemachtigde van belanghebbende, de heer [adviseur], verbonden aan [kantoor].

2.1.2. Op 22 mei 2007 heeft de inspecteur zijn bevindingen en vragen met betrekking tot het boekenonderzoek aan de adviseur doen toekomen. Onder meer merkte hij het samenwerkingsverband tussen belanghebbende en zijn echtgenote aan als “ongebruikelijk”. De adviseur heeft bij brief van 26 juni 2007 daarop gereageerd. Op 9 juli 2007 heeft de inspecteur de adviseur verzocht om de nog niet beantwoorde vragen, die als bijlage bij de brief waren gevoegd, op korte termijn te beantwoorden, danwel aan te geven of met de voorgestelde correcties akkoord wordt gegaan.

2.1.3. Op 23 juli 2007 maakt [Firma] namens belanghebbendes echtgenote bezwaar tegen het voornemen van de inspecteur om de vof aan te merken als ongebruikelijk samenwerkingsverband.

2.1.4. Bij brief van 16 augustus 2007 aan de adviseur herhaalt de inspecteur zijn verzoek van 9 juli 2007. De adviseur reageert op deze brief met zijn schrijven van 24 augustus 2007.

Op 3 september 2007 stuurt de inspecteur zijn bevindingen met betrekking tot het boekenonderzoek aan de adviseur. In deze brief is vermeld: “Zoals heden telefonisch met u afgesproken, zult u met uw cliënt hieromtrent overleg plegen. M.b.t. op te leggen boeten, dient nog intern overleg plaats te vinden. Graag ontvang ik uw reactie binnen twee weken na dagtekening van deze brief.”

2.1.5. Op 17 september 2007 heeft de inspecteur telefonisch contact gehad met de adviseur. Daarbij werd afgesproken dat er op 1 oktober 2007 een bespreking zou plaatsvinden tussen de inspecteur en de adviseur. Van deze bespreking is een verslag opgemaakt. In dit verslag is onder meer vermeld: “ Doel is er uit te komen, zonder dat procedure gestart moet worden” en “Alle correcties zullen opgenomen worden inn vaststellingsovereenkomst.”

2.1.6. Bij brief van 2 oktober 2007 heeft de inspecteur een door hem reeds getekend exemplaar van een vaststellingsovereenkomst aan de adviseur gezonden. Tot de stukken van het geding behoort een op 15 oktober 2007 voor akkoord door belanghebbende ondertekend, ongewijzigd, exemplaar van voornoemde vaststellingsovereenkomst. Bij de ondertekening is vermeld “onder protest”. Voornoemd exemplaar is ook (“voor gezien en akkoord”) ondertekend door de adviseur. De onderhavige aanslag is overeenkomstig deze vaststellingsovereenkomst opgelegd.

2.1.7. Op 29 oktober 2007 is het rapport van het boekenonderzoek aan belanghebbende gezonden.

2.2. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig is. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de inspecteur bevestigend.

2.3. In artikel 7:900 BW is bepaald: "Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken."

2.4. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval sprake van een overeenkomst in voormelde zin. De rechtbank hecht hierbij belang aan de ontstaansgeschiedenis, de aard en de inhoud van de door partijen ondertekende overeenkomst (bijlage 12 bij het verweerschrift). De vaststellingsovereenkomst is totstandgekomen naar aanleiding van het feit dat er bij belanghebbende een boekenonderzoek is ingesteld als gevolg waarvan de inspecteur correcties heeft voorgesteld ten aanzien waarvan de adviseur met de inspecteur van mening verschilde. Uit het feit dat belanghebbende (een exemplaar van) de overeenkomst heeft ondertekend volgt dat hij het door de inspecteur gedane aanbod heeft aanvaard. De toevoeging van de term “onder protest” maakt dat niet anders, nu dit slechts kan inhouden dat belanghebbende onder protest akkoord gaat en niet dat hij niet akkoord gaat. Partijen hebben aldus aan een onzekere situatie waarover zij van mening verschilden een einde gebracht door zich jegens elkaar te binden.

2.5.1. Belanghebbende is aan deze vaststellingsovereenkomst gebonden. Dit is slechts anders indien aannemelijk wordt gemaakt dat sprake is geweest van een wilsgebrek (dwang, dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden). De bewijslast in deze rust op belanghebbende.

2.5.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van een wilsgebrek. De rechtbank hecht hierbij belang aan het feit dat belanghebbende zich heeft laten bijstaan door een professionele gemachtigde (de adviseur) en dat deze de vaststellingsovereenkomst mede heeft ondertekend. Voorts acht de rechtbank van belang dat voorafgaand aan het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst tussen de adviseur en de inspecteur over het boekenonderzoek en de voorgestelde correcties is gecorrespondeerd, dat er tussen hen in dit kader telefonisch overleg is geweest en dat op verzoek van de adviseur tevens een bespreking heeft plaatsgevonden. Dat de adviseur belanghebbende over het verloop van het overleg en de daaruit mogelijk voortvloeiende rechtsgevolgen niet juist of onvolledig heeft geïnformeerd dient, wat daar verder van zij, voor zijn rekening te blijven.

2.5.3. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat van de zijde van de inspecteur druk is uitgeoefend. De omstandigheid dat belanghebbende zich onder druk gezet voelde, brengt niet met zich mee dat hij niet is gebonden aan de vaststellingsovereenkomst. Verder kan niet kan worden gezegd dat belanghebbende geen redelijke bedenktermijn is gegund. De inspecteur heeft immers aan de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst geen termijn gesteld, althans dat is niet aannemelijk geworden. Belanghebbende hoefde niet te ondertekenen voordat hij het definitieve rapport van het boekenonderzoek had ontvangen. Hij heeft er zelf voor gekozen om op enig moment de vaststellingsovereenkomst, zoals door de inspecteur opgesteld, ongewijzigd te ondertekenen, zonder aan de inspecteur nadere vragen te stellen, dan wel opnmerkingen te maken. Gelet op de datum van ondertekening en het feit dat de inspecteur op 2 oktober 2007 een exemplaar van de vaststellingsovereenkomst aan de adviseur heeft gestuurd, is ook niet gehandeld in strijd met de termijn zoals genoemd in het Besluit van de staatssecretaris van Financiën (Besluit van 1 december 1997, nr. AFZ97/2412).

2.6. De inspecteur handelt in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur indien hij belanghebbende aan de overeenkomst houdt wanneer bij het sluiten van de overeenkomst de handelwijze van de inspecteur zozeer indruist tegen de door deze jegens belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid (Hoge Raad 8 april 1987, nummer 23 977, onder meer gepubliceerd in BNB 1987/191 en Hoge Raad 25 oktober 1989, nummer 25 969, onder meer gepubliceerd in BNB 1990/6). In het licht van de onder 2.1.1 tot en met 2.1.5 vermelde feiten is evenwel niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van onzorgvuldig handelen van de inspecteur. Dat de inspecteur naar aanleiding van de ontvangst van de “onder protest” door belanghebbende getekende vaststellingsovereenkomst geen contact met belanghebbende, dan wel de adviseur heeft opgenomen of anderszins actie heeft ondernomen, maakt dat niet anders.

2.7. Gesteld noch gebleken is dat de overeenkomst duidelijk in strijd is met dwingend recht danwel naar inhoud of strekking in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde.

2.8. Gelet op al het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus gedaan door mr. D. Hund, rechter, en door deze en drs. J.M.C. Hendriks, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.