Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BI9060

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
22-06-2009
Datum publicatie
22-06-2009
Zaaknummer
800572-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor tweede verdachte in ‘zaak Zalinaz’. De rechtbank Breda heeft een 26-jarige man uit Wernhout vrijgesproken van betrokkenheid bij het overlijden van een bezoeker na een val van het bordes van discotheek Zalinaz in Etten-Leur op 12 mei 2007.Volgens de rechtbank staat niet vast dat hij hierbij een actieve rol heeft gespeeld. Hij was de tweede verdachte in deze zaak. Vorig jaar had de rechtbank Breda een 27-jarige man uit Oosterhout al veroordeeld tot een jaar celstraf voor het van de trap gooien van de bezoeker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/800572-07 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 juni 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [woonplaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. R.B. Milo, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 en 8 juni 2009, waarbij de officier van justitie, mr. Reinders, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair/subsidiair/tweede subsidiair: samen met anderen [slach[slachtoffer] van de trap heeft geduwd waardoor deze [slachtoffer] is overleden.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, samen met zijn medeverdachte [medeverdachte], [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

Voor de officier van justitie staat vast dat verdachte mede handelingen heeft verricht waardoor het slachtoffer ten val is gekomen. Zij baseert haar standpunt in hoofdzaak op de geoptimaliseerde videobeelden zoals die tijdens de schouw bij de videostudio zijn bekeken. Op grond van die beelden concludeert de officier van justitie dat op het moment dat [medeverdachte] het slachtoffer vastpakt ook verdachte het slachtoffer vast heeft en dat zij het slachtoffer samen de trap afduwen.

De suggestie van verdachte dat het slachtoffer tegen hem zou zijn aangekomen in zijn val, verwerpt de officier van justitie. In dat geval zou verdachte juist een beweging naar opzij hebben gemaakt. Hij zou zich moeten hebben corrigeren en vervolgens ongeveer ter plaatse zijn blijven staan. Te zien is dat verdachte mee beweegt met het slachtoffer tot enkele traptreden naar beneden en meteen wegloopt. De officier van justitie merkt daarbij op dat het slachtoffer niet recht naar achteren is gevallen, maar naar opzij, van verdachte weg. Dat duidt er op dat hij ook van opzij, de plaats waar verdachte stond moet zijn geduwd. Het kan dan ook niet anders zijn dat verdachte met [medeverdachte] heeft geduwd.

Naar de opvatting van de officier van justitie is er dan ook sprake van een bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering. Door [slachtoffer] – die onvast ter been was – samen op die manier van een trap te duwen heeft verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Het feit dat getuigen niets over de rol van verdachte verklaren is volgens de officier van justitie verklaarbaar, omdat verdachte op het moment van de val van het slachtoffer aan de andere kant van de trap stond en dus minder zichtbaar was voor de getuigen.

Voorts draagt aan de overtuiging van de officier bij dat verdachte wisselend heeft verklaard over het gebeuren en zich cruciale momenten niet zegt te kunnen herinneren.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde kan komen.

Noch in het proces-verbaal noch op de beelden zoals die zijn getoond tijdens de schouw in de videostudio zit er enig bewijs voor een actieve betrokkenheid van verdachte bij dit noodlottig gebeuren.

De raadsman stelt voorop dat alle getuigen in het dossier spreken van een eenmansactie van [medeverdachte]. Ook in de beleving van [medeverdachte] was het uitsluitend een actie van hemzelf. Indien verdachte een actief aandeel bij de gebeurtenissen zou hebben gehad, dan zou het toch door iemand moeten zijn gezien. Zeker nu op de beelden heel duidelijk is te zien dat op het moment van het gebeuren en onmiddellijk voorafgaand daaraan iedereen in de richting van het slachtoffer kijkt.

Verdachte is slechts in beeld gekomen omdat hij tegen [medeverdachte] zou hebben gezegd dat het slachtoffer tegen hem aan was gekomen. Verdachte sluit dit zelf ook niet uit, nu [medeverdachte] met het slachtoffer een draaibeweging tegen de klok in maakte, in de richting waar hij – verdachte – zich bevond. Daar komt bij dat het gebeuren zich afspeelde binnen een beperkte ruimte en bovendien vlak achter verdachte zich een muurtje bevond.

De waarneming die de rechtbank tijdens de schouw heeft gedaan bevestigt het beeld dat ook uit het proces-verbaal naar voren komt, te weten geen relevante aanwijzing voor een actieve betrokkenheid van verdachte. Van belang daarbij is dat op het moment dat [medeverdachte] het slachtoffer vastpakt, verdachte zijn armen langs zijn lichaam heeft en voorts dat niet is waargenomen dat verdachte met zijn hand het slachtoffer heeft vastgepakt. Dat verdachte zich met het slachtoffer in de richting van de trap beweegt laat zich mogelijk verklaren door de onverwachtheid en snelheid van de actie van [medeverdachte].

Dat verdachte wisselend heeft verklaard over het gebeuren is niet vreemd. Alles gebeurde in een fractie van een seconde en verdachte heeft na het zien van de beelden – zowel de beelden in het dossier als tijdens de schouw – een invulling proberen te geven van het gebeuren.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is in de nacht van 11 op 12 mei 2007 met een groep vrienden, waaronder [medeverdachte] en [vriend 2 verdachte], op stap geweest in discotheek Zalinaz in Etten-Leur. Aan het einde van die avond, toen de groep naar buiten wilde gaan zijn zij in de hal geconfronteerd met het latere slachtoffer [slachtoffer]. De portiers [naam] en [naam] hebben verklaard dat zij het slachtoffer vanwege het feit dat hij onvast ter been was en een dronken indruk maakte, naar buiten begeleid.

Verdachte en [medeverdachte] zijn vervolgens ook naar buiten gegaan. Op het moment dat [vriend 2 verdachte] naar buiten wilde gaan is hij voor de uitgang van de discotheek tegen het slachtoffer aangelopen, die kennelijk weer naar binnen wilde gaan.

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij op dat moment dacht dat [slachtoffer] problemen zocht met [vriend 2 verdachte] en dat hij hem te hulp wilde schieten.

Op de videobeelden – zowel de gewone als de geoptimaliseerde – is te zien dat [medeverdachte] en verdachte gelijktijdig naar het slachtoffer toelopen. Verder is te zien dat [medeverdachte] het slachtoffer van rechtsachter nadert en hem bij zijn schouder/hals beetpakt en naar achteren trekt in de richting van de trap van het bordes, dat toegang geeft tot de discotheek. Het slachtoffer komt vervolgens onder aan de trap terecht. Tijdens zijn val heeft hij de trap niet meer geraakt en heeft zijn hoofd als eerste de grond geraakt.

De rechtbank heeft niet kunnen waarnemen – ook niet op de geoptimaliseerde beelden – dat verdachte het slachtoffer op het moment dat [medeverdachte] het slachtoffer naar achteren trekt, vastpakt. Sterker nog op dat moment heeft hij zijn armen langs zijn lichaam. Ook anderszins is niet waar te nemen dat verdachte [medeverdachte] behulpzaam is bij het naar achteren trekken van het slachtoffer.

Wel is zichtbaar dat hij gelijktijdig met het slachtoffer in de richting van de trap meebeweegt en dat er lichaamscontact lijkt te zijn tussen verdachte en het slachtoffer. Ook is zichtbaar dat verdachte daarbij twee treden naar beneden loopt en vervolgens wegloopt.

Centraal staat de vraag of uit deze beelden met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat verdachte bewust een actieve rol heeft gespeeld bij de val van de trap van [slachtoffer]. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval.

Zoals hiervoor is overwogen heeft de rechtbank niet kunnen waarnemen dat verdachte het slachtoffer heeft vastgepakt. Deze waarneming is cruciaal, nu hierdoor ruimte blijft voor een verschillende uitleg van de camerabeelden.

Met name kan niet worden uitgesloten dat de verklaring van verdachte dat het slachtoffer hem in diens val heeft geraakt en dat hij daardoor meebewogen heeft in de richting van de val, juist is. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat zich achter verdachte een muurtje bevond, waardoor hij een beperkte uitwijkmogelijkheid had. Daarbij komt dat géén van de getuigen, ook niet degene die er zeer dichtbij stonden, heeft waargenomen dat verdachte een (actieve) rol heeft gespeeld.

De visie van de officier van justitie dat er geen andere mogelijkheid bestaat dan dat verdachte [medeverdachte] heeft geholpen bij de val van het slachtoffer deelt de rechtbank dan ook niet.

Weliswaar zou ook de uitleg zoals die door de officier van justitie is gegeven kunnen volgen uit de camerabeelden en genoemde feiten en omstandigheden, doch er bestaat bij de rechtbank te veel twijfel om die conclusie te onderschrijven.

De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, al dan niet samen met een ander, [slachtoffer] van de trap heeft geduwd, getrokken of gegooid en zal hem dan ook vrijspreken.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Janssen, voorzitter, mr. Louwerse en mr. Tempel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van de Vrede, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 juni 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

primair: hij op of omstreeks 12 mei 2007 te Etten-Leur tezamen en in vereniging met een

ander of anderen althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (hersenletsel), heeft toegebracht, door opzettelijk voornoemde [slachtoffer], (met kracht) (van de trap/het bordes) te duwen/trekken/gooien, althans (met kracht) voornoemde [slachtoffer] (in de richting van de trap en/of de grond) weg te duwen/weg te trekken/ weg te slingeren, terwijl het feit de dood van voornoemde [slachtoffer] tengevolge heeft gehad;

subsidiair: hij op of omstreeks 12 mei 2007 te Etten-Leur tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), (met kracht) (van de trap/het bordes) heeft geduwd/getrokken/gegooid, althans (met kracht) heeft weggeduwd/weggetrokken/weggeslingerd (in de richting van de trap en/of de grond) tengevolge waarvan deze [slachtoffer] is overleden;

tweede subsidiair: hij op of omstreeks 12 mei 2007 te Etten-Leur tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, [slachtoffer] (met kracht) van de trap/het bordes heeft geduwd/getrokken/gegooid, althans (met kracht) deze [slachtoffer] (in de richting van de trap en/of de grond) heeft weggeduwd/weggetrokken/weggeslingerd, waardoor het aan hun/zijn, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat deze [slachtoffer] zodanig letsel, te weten hersenletsel, heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden.