Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BI8382

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
03-04-2009
Datum publicatie
16-06-2009
Zaaknummer
09 / 472 WET VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Schorsing gevraagd van een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer.

Verzoeker, die meende achtervolgd te worden, heeft er voor heeft gekozen hard weg te rijden. Het is dan logisch dat de politie hem volgt. Politie hoeft zich bij het volgen niet meteen als politie kenbaar te maken. Nu de snelheid echter al na 15 seconden de toegestane snelheid met 60 km overschreed, had de politie zich kenbaar moeten maken om een levensgevaarlijke verkeerssituatie te voorkomen. Niet is in te zien waarom nog ruim 50 seconden op volle snelheid achter verzoeker aan is gereden waardoor deze de hem thans verweten gedraging heeft gemaakt. Verweerder dient na te gaan of er sprake is van een zeer bijzondere situatie die rechtvaardigt dat een uitzondering wordt gemaakt op de dwingende toepassing van artikel 10b, onderdeel b. van de Regeling. Volgt schorsing tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummers: 09 / 472 WET VV

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van

[naam verzoeker],

wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde mr. G.J.M. van Spanje,

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR),

verweerder.

1. Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 16 januari 2009 (bestreden besluit), inzake verweerders oordeel dat verzoeker zich dient te onderwerpen aan een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG).

Tevens heeft hij op 29 januari 2009 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 19 maart 2009, waarbij verzoeker (samen met zijn vrouw) en zijn gemachtigde aanwezig waren. Namens verweerder zijn mr. [naam persoon] en drs. [naam persoon] verschenen.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker is op 21 december 2008, om 00.54 uur, door de Politie Midden en West Brabant, unit ondersteuning, staande gehouden. Hiervan is namens de korpschef van de regiopolitie Midden en West Brabant, mededeling gedaan aan verweerder, waarbij onder meer is vermeld dat betrokkene op 21 december 2008 als bestuurder van een motorrijtuig binnen de bebouwde kom van de plaats Eethen met een snelheid van meer dan 170 km/u reed waar 50 km/u was toegestaan.

Naar aanleiding van deze mededeling heeft verweerder bij het bestreden besluit aan verzoeker de verplichting opgelegd mee te werken aan een EMG. Aan verzoeker is medegedeeld dat hij verplicht is aan de EMG mee te werken en dat hij de kosten voor de EMG, € 774,- binnen 10 weken dient te betalen.

Tegen dat besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

2.2 Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat hij het niet eens is met het besluit van verweerder. Hij heeft onder meer aangevoerd dat het opleggen van de maatregel niet rechtvaardig wordt geacht omdat de omstandigheden die hebben geleid tot het onderhavige besluit niet aan hem te wijten zijn. Verzoeker is op een verlaten weg midden in de nacht achtervolgd en opgejaagd door een auto waarvan achteraf bleek dat het een politieauto was. Om die reden is de snelheidsovertreding volgens verzoeker niet aan zijn schuld te wijten.

Verzoeker dient vóór 27 maart 2009 de kosten voor de EMG te voldoen, waarna hij zo snel mogelijk voor de cursus zal worden opgeroepen. Daarom verzoekt hij, in afwachting van de beslissing op bezwaar, tot opschorting van het besluit tot oplegging van de EMG.

2.3 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

2.4 Het wettelijk kader

Artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) bepaalt, samengevat, dat indien een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling wordt gedaan aan het CBR.

Artikel 131, vierde lid, van de WVW bepaalt, samengevat, dat indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen betrokkene de verplichting oplegt zich binnen een daarbij vastgestelde termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.

In het vijfde lid van dit artikel is bepaald dat het CBR de aard van de educatieve maatregelen vaststelt en een of meer tot toepassing van die maatregelen bevoegde deskundigen aanwijst.

In het zesde lid van dit artikel is bepaald dat bij ministeriële regeling nadere regels worden vastgesteld ter uitvoering van het eerste en het vijfde lid.

Bij Regeling van 17 april 1996 van de Minister van Verkeer en Waterstaat zijn nadere regels gesteld met betrekking tot de maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid, Stcrt. 1996, 81, hierna: de Regeling).

Ingevolge het per 1 oktober 2008 ingevoerde artikel 10b, eerste lid, van de Regeling besluit het CBR (onder meer) tot oplegging van een EMG, indien:

a. betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij de Regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag,

b. ten aanzien van betrokkene als bestuurder van een motorrijtuig niet zijnde een bromfiets, een overschrijding is geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 50 km/u of meer op wegen binnen de bebouwde kom.

Ingevolge artikel 132, eerste lid, van de WVW is degene die zich dient te onderwerpen aan een EMG verplicht de daartoe vereiste medewerking te verlenen. Bij gebreke van de vereiste medewerking besluit het CBR ingevolge het tweede lid van dat artikel onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder.

2.5 De voorzieningenrechter is allereerst, anders dan het CBR, van oordeel dat verzoeker voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. Vast staat immers dat hij de kosten voor de EMG vóór 27 maart 2009 dient te voldoen en dat hij daarna zo spoedig mogelijk voor de cursus zal worden opgeroepen. De weigering om de kosten vóór 27 maart 2009 te betalen alsmede de weigering om, nadat de betaling is gedaan, deel te nemen aan de EMG leiden direct tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van verzoeker.

2.6 De voorzieningenrechter dient vervolgens de vraag te beantwoorden of verweerder terecht aan verzoeker een EMG heeft opgelegd.

Verweerder heeft in het bestreden besluit aan het opleggen van de EMG de hierboven (in rechtsoverweging 2.4) vermelde onderdelen a. en b. van artikel 10b, eerste lid van de Regeling ten grondslag gelegd.

2.6.1 Met betrekking tot onderdeel a. heeft verweerder in het bestreden besluit één concrete gedraging opgenomen, behorende bij bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag, van de Regeling, te weten: “2. Gebrek aan inzicht in risico’s in het verkeer en met een te hoge snelheid naderen van en inhalen nabij voetgangersoversteekplaaten of in andere onoverzichtelijke situaties zoals kruisingen en spoorwegovergangen”.

Waar artikel 10b, eerste lid onder a. van de Regeling als voorwaarde voor het opleggen van een EMG echter voorschrijft dat een betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij die Regeling behorende bijlage, stelt de voorzieningenrechter vast dat aan deze voorwaarde niet is voldaan. Verweerder heeft het opleggen van een EMG in dit geval dan ook niet kunnen baseren op onderdeel a. van artikel 10b, eerste lid van de Regeling.

2.6.2 Met betrekking tot onderdeel b. van artikel 10b, eerste lid van de Regeling, heeft verzoeker erkend dat hij zich daaraan schuldig heeft gemaakt. Daarmee is gegeven dat op zichzelf voldaan is aan de voorwaarde tot het opleggen van een EMG aan verzoeker.

Verzoeker heeft aangevoerd dat de gedraging niet aan hem te wijten is omdat hij, kort samengevat, achtervolgd dacht te worden.

Verweerder heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat geen rekening kan worden gehouden met de door verzoeker beweerde reden van zijn rijgedrag. Gezien het dwingend-rechtelijke karakter van artikel 10b van de Regeling acht verweerder zich gehouden een EMG op te leggen indien is voldaan aan de voorwaarden tot het opleggen daarvan. Overigens ziet verweerder ook niet in hoe de gestelde angst van verzoeker een rechtvaardiging kan vormen voor de excessieve snelheidsoverschrijding.

Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat artikel 10b van de Regeling dwingend van aard is en strikte naleving vereist. Desondanks volgt ook uit de rechtspraak van de Afdeling dat in zeer uitzonderlijke gevallen een uitzondering op de onverkorte toepassing van dwingendrechtelijke bepalingen mogelijk is. Dan moet er uiteraard wel iets heel bijzonders aan de hand zijn. De vraag is nu of een dergelijke, zeer bijzondere situatie zich hier voordoet. Die vraag heeft verweerder zich bij zijn besluitvorming niet gesteld.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had verweerder die vraag in dit geval wel moeten onderzoeken, gelet op de volgende vaststaande feiten en omstandigheden.

a. Verzoeker die samen met zijn vrouw in Antwerpen aldaar met een zakenrelatie en diens vrouw heeft gedineerd, heeft, gelet op het door hem overgelegde bonnetje, op 20 december 2008 om 23.57 uur de parkeergarage in Antwerpen verlaten. Blijkens het door verzoeker overgelegde, door verweerder niet weersproken, overzicht van de routeplanner duurt de rit van verzoeker van Antwerpen naar zijn huis in [woonplaats verzoeker] 58 minuten. Verzoeker is om 00.54 uur in Eethen in de gemeente [woonplaats verzoeker] staande gehouden. Met verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit erop wijst dat verzoeker zich tot het moment van de hem verweten gedraging aan de voorgeschreven snelheid heeft gehouden.

b. Enkele minuten vóór de hem verweten gedraging is verzoeker, rijdend op een verder bijna verlaten provinciale weg, de N283, midden in de nacht, een rotonde in die weg genaderd. Blijkens zijn door verweerder niet betwiste, schriftelijke verklaring d.d. 22 december 2008 (hierna: zijn verklaring) aan de Officier van Justitie te Arnhem, zag verzoeker bij nadering van die rotonde op de parallelweg een auto met de lichten aan, die bij nadering van verzoeker de lichten doofde. Direct daarna zag verzoeker een tweede auto die op een Volkswagen Golf leek en die op een nabijgelegen (andere) rotonde zeer langzaam reed.

c. Verzoeker is de rotonde met de voorgeschreven snelheid gepasseerd. Vervolgens is op de door verweerder overgelegde en door de voorzieningenrechter bekeken cd-rom te zien dat de Volkswagen Golf de rotonde ook op rustige snelheid passeert. Na het passeren van de rotonde door de Volkswagen, krijgt verzoeker de Volkswagen in het vizier en begint verzoeker direct hard weg te rijden van de Volkswagen. Op de cd-rom is te zien dat de achtervolgende Volkswagen na 15 seconden vanaf het moment van passeren van de rotonde al 140 kilometer per uur rijdt, terwijl ter plaatse 80 kilometer de toegestane snelheid is. De Volkswagen blijft dan nog ongeveer 50 seconden hard achter verzoeker aan rijden totdat (vlak voor de bebouwde kom van Eethen) verzoeker een mobiele radarpost bereikt, waar hij met 206 kilometer op de foto wordt gezet. Daarna is op de cd-rom te zien dat verzoeker al vrij snel gas terugneemt en dat de Volkswagen hem na ongeveer 15 seconden in het vizier krijgt. Verzoeker brengt vervolgens zijn auto tot stilstand.

In zijn verklaring heeft verzoeker een en ander als volgt verwoord: “Paniek overviel ons en ik ging sneller rijden om te zien of ik het me verbeelde of dat hij verder op ons zou inlopen. Toen ik dat merkte wilde ik vluchten. In paniek wilde ik de auto van me afschudden. Ik zei tegen mijn vrouw, of bij de uitrit van Eethen probeer ik hem van me af te schudden door af te slaan, of meteen daarna als het kan. Inmiddels kon ik niet meer uit het gezichtsveld komen van de auto achter ons, waardoor ik in paniek Eethen kwam binnenrijden en besloot om de eerst volgende weg, indien mogelijk, de auto van me af te schudden. Daar die ons zo naderde was er voor ons geen mogelijkheid meer om de auto van ons af te schudden. Wij waren zo bang. Toen zei mijn vrouw: of misschien is het politie. Toen ben ik onmiddellijk gaan afremmen en besloot, met grote angst wie de achtervolger was, om ons te laten inhalen.”

d. Tijdens de zitting heeft verzoeker onweersproken gesteld dat hij geen verleden heeft van hardrijden.

Bij de weging van deze feiten en omstandigheden stelt de voorzieningenrechter voorop dat verzoeker zelf de keuze heeft gemaakt om hard weg te rijden toen hij de Volkswagen in het vizier kreeg. Verzoeker erkent ook dat dit een foute keuze was en dat hij dit achteraf nooit had moeten doen. Terecht heeft verzoeker in zijn verklaring opgemerkt dat hij in het beginstadium na de rotonde meteen rustig aan had moeten doen en bij onraad 112 had moeten bellen. Verder is niet gebleken dat zijn angst voor een achtervolging in objectieve zin gerechtvaardigd was. Want ook al reed hij in een kostbare Mercedes 500, dan nog rechtvaardigt het enkele feit van het zien van in zijn ogen twee verdachte auto’s nog niet zijn gedrag. Van opjagen door de politie is strikt genomen ook geen sprake, nu verzoeker er zelf voor heeft gekozen om hard weg te rijden. Het is vervolgens niet meer dan logisch dat de politie hem achterna gaat. De politie hoeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter bij het volgen ook niet meteen als politie kenbaar te maken, zoals verzoeker ter zitting heeft betoogd. Het kan immers nuttig zijn om enige tijd anoniem achter een auto aan te blijven rijden om te zien hoe iemand zich verder gedraagt. Echter in dit geval, waar al na 15 seconden sprake was van een overschrijding van 60 kilometer door verzoeker boven de toegestane snelheid, had de Volkswagen zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter meteen kenbaar moeten maken als politie. Op dat moment ontstond immers (al) een levensgevaarlijke situatie voor alle (potentiële) verkeersdeelnemers, met inbegrip van de politie zelf. De voorzieningenrechter ziet niet goed in waarom de politie dit niet heeft gedaan en nog ruim 50 seconden op volle snelheid achter verzoeker aan is blijven rijden. Indien en voor zover de aanwezigheid van camera’s van het SBS-programma Wegmisbruikers in de Volkswagen daarmee te maken heeft gehad (een gedeelte van de cd-rom is ook in dat programma te zien geweest), acht de voorzieningenrechter dat geen rechtvaardiging. Had de Volkswagen zich toen als politie kenbaar gemaakt, dan is voor de voorzieningenrechter voorshands voldoende aannemelijk geworden dat verzoeker de hem thans verweten gedraging niet had gemaakt. Steun voor die opvatting vindt de voorzieningenrechter niet alleen in het feit dat verzoeker zich vanaf Antwerpen tot het moment dat hij dacht dat hij door de Volkswagen gevolgd werd, aan de voorgeschreven snelheid heeft gehouden, maar ook in het feit dat verzoeker zijn auto uiteindelijk zelf vrijwillig tot stilstand heeft gebracht, zonder dat hij op het moment van afremmen nog zelfs maar wist dat het politie was. Dit alles, gevoegd bij het feit dat de gestelde angstgevoelens, hoewel niet objectief gerechtvaardigd, in subjectieve zin wel invoelbaar zijn, brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verweerder alsnog na dient te gaan of er sprake is van een zeer bijzondere situatie die rechtvaardigt dat verweerder in dit geval een uitzondering maakt op de dwingende toepassing van artikel 10b, onderdeel b. van de Regeling.

Gelet op het voorlopig oordeel dat het door verzoeker bestreden besluit in rechte geen stand zal kunnen houden omdat het niet met de nodige zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb tot stand is gekomen, althans niet op een deugdelijke motivering berust als bedoeld in artikel 7:12 Awb, acht de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening, in die zin dat het besluit van verweerder van 16 januari 2009 wordt geschorst tot zes weken na de verzending van de beslissing op bezwaar.

2.7 Omdat het verzoek wordt toegewezen dient het griffierecht aan verzoeker te worden vergoed. Tevens zal de voorzieningenrechter verweerder veroordelen in de proceskosten van verzoeker, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het besluit van 16 januari 2009 wordt geschorst tot zes weken na de verzending van de beslissing op bezwaar;

gelast dat het CBR als rechtspersoon aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van

€ 145,- vergoedt;

veroordeelt het CBR in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 644,-.

Aldus gedaan door mr. J.L. Sierkstra, rechter, en door deze en A.E.M. van Holsteijn, griffier ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: