Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BI6871

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
08-06-2009
Zaaknummer
AWB 08/5673
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De inspecteur heeft over het jaar 2004 een aanslag schenkingsrecht op grond van artikel 29 Successiewet 1956 opgelegd aan een onbekende, ter zake van een verkrijging wegens een schenking die erflaatster kort voor haar overlijden heeft verricht. De aanslag is gestuurd naar de gemachtigde van belanghebbende, zijnde de enige erfgename van erflaatster en degene die de nalatenschap van erflaatster heeft aanvaard. In geschil is of de inspecteur het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aanslag schenkingsrecht terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk is verklaard, nu de aanslag is opgelegd aan een onbekende en zij derhalve geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb. Voor zover het beroep van belanghebbende ziet op de aansprakelijkheidstelling in de zin van artikel 46, derde lid, Invorderingswet 1990, verklaart de rechtbank het bezwaar eveneens niet-ontvankelijk, nu er geen beschikking aansprakelijkheidstelling in de zin van artikel 46, derde lid, Invorderingswet 1990 is opgelegd aan de erflaatster, die invordering van de aanslag schenkingsrecht aan een onbekende bij belanghebbende mogelijk maakt en waartegen belanghebbende bezwaar en beroep kan aantekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1260
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/5673

Uitspraakdatum: 20 mei 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats] (Duitsland),

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 4 november 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan een onbekende opgelegde aanslag schenkingsrecht wegens een verkrijging door een onbekende in het jaar 2004. (hierna: de aanslag).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2009 te [woonplaats].

Aldaar is verschenen en gehoord, de inspecteur.

Belanghebbende is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. De inspecteur heeft met dagtekening 22 januari 2007 over het jaar 2004 een aanslag schenkingsrecht op grond van artikel 29 Successiewet 1956 opgelegd aan een onbekende. De aanslag is naar het adres van de gemachtigde van belanghebbende gestuurd en zal bij belanghebbende worden ingevorderd.

2.2. Volgens de inspecteur betrof het een verkrijging wegens een schenking van [mevrouw] (hierna: erflaatster) die zij heeft verricht kort voor haar overlijden op 17 oktober 2004. Belanghebbende heeft als enige erfgename van erflaatster, de nalatenschap aanvaard.

2.3. De inspecteur heeft ter zitting bevestigd dat er ter zake van de invordering van de aanslag geen beschikking aansprakelijkheidstelling in de zin van artikel 46, derde lid, Invorderingswet 1990 (hierna: beschikking) is opgelegd aan de erflaatster. En dat om die reden de aanslag bij belanghebbende (vooralsnog) niet kan worden ingevorderd.

2.4. In geschil is of het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De inspecteur bevestigt dit nu er volgens de inspecteur geen bezwaarschrift is ingediend door een belanghebbende. Belanghebbende bestrijdt dit.

2.5. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Tegen dit besluit kan op grond van artikel 6:4 Awb bezwaar worden ingesteld bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.

2.6. Nu de aanslag aan een onbekende is opgelegd en niet aan belanghebbende en voorts niet is gebleken dat belanghebbende namens die onbekende als gemachtigde is opgetreden, is zij niet aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb. Naar het oordeel van de rechtbank is het bezwaarschrift tegen de aanslag derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.7. Voor zover het beroep van belanghebbende ziet op de aansprakelijkheidstelling in de zin van artikel 46, derde lid, Invorderingswet 1990, verklaart de rechtbank het bezwaar van belanghebbende eveneens niet-ontvankelijk, nu er immers geen beschikking is opgelegd waartegen belanghebbende op grond artikel 49, derde lid Invorderingswet 1990 bezwaar en beroep kan aantekenen.

2.8. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus gedaan door mr. W. Brouwer, rechter, en door deze en mr. M.H. van Heel, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.