Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BI6630

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
05-06-2009
Datum publicatie
05-06-2009
Zaaknummer
09/2029
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Artikel 174a Gemeentewet (Wet Victoria)

Sluiting huurwoning voor drie maanden wegens langdurige en ernstige overlast die niet samenhangt met overtreding van de Opiumwet.

Voldoende aannemelijk dat enkele bewoners van de woning langdurig ernstige overlast hebben veroorzaakt, dat deze overlast heeft geleid tot ernstige aantasting van de openbare orde ter plaatse, alsmede dat van de omwonenden van verzoekster en haar gezinsleden in redelijkheid niet kan worden gevraagd de overlast en aantasting van de openbare orde nog langer te dulden.

Verweerder heeft al het mogelijke gedaan om de overlast en aantasting van de openbare orde te stoppen althans tot een voor omwonenden aanvaardbaar niveau terug te dringen.

Het beroep op de culturele achtergrond van verzoekster kan niet slagen, omdat dit niet kan wegnemen dat bepaalde gedragingen naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat bepaalde gewoonten van haar en haar gezinsleden bij omwonenden gevoelens van grote onveiligheid oproepen.

Besluit geschorst tot en met 11 juni 2009, om te garanderen dat – op initiatief van verweerder – wordt gezorgd voor adequate opvang van zowel de kinderen van verzoekster als verzoekster zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 325 met annotatie van A.E. Schilder, J.G. Brouwer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 09 / 2029 GEMWT VV

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te Berkel-Enschot, verzoekster,

gemachtigde mr. G.J.A.M. Molkenboer,

en

de burgemeester van de gemeente Tilburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Verzoekster heeft op 13 mei 2009 bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 6 mei 2009 met kenmerk PU_10291969 (bestreden besluit), inzake de sluiting van een woning.

Tevens heeft zij op 13 mei 2009 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 27 mei 2009. Verzoekster en haar gemachtigde waren daarbij aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [woordvoerder verweerder], die werd vergezeld door [woordvoerders verweerder]

2. Beoordeling

2.1 Verzoekster huurt de woning aan de [adres] (woning), en woont daar met vier kinderen en twee kleinkinderen. Verweerder heeft uit een groot aantal rapportages van de plaatselijke politie geconcludeerd dat (sommige) bewoners van de woning dermate langdurig en ernstig overlast hebben veroorzaakt en nog steeds veroorzaken, dat daardoor de openbare orde ter plaatse structureel onevenredig wordt verstoord, en dat geen zicht op een structurele verbetering van deze situatie bestaat.

Deze conclusie heeft geleid tot het bestreden besluit, waarbij verweerder – onder verwijzing naar artikel 174a van de Gemeentewet – heeft bepaald dat de woning van 20 mei 2009 tot 20 augustus 2009 wordt gesloten. Verweerder heeft daartoe verzoekster aangeschreven tijdens de sluiting de woning en het perceel niet te betreden. Voorts stelt het besluit dat verzoekster in die periode daar niet mag wonen en zich daar evenmin mag ophouden of anderszins verblijf mag houden; zij dient ook haar persoonlijke bezittingen weg te halen. Daarnaast heeft verweerder bij apart besluit ook de verhuurster van de woning, de stichting [naam stichting], een sluitingsbevel op basis van artikel 174a van de Gemeentewet gezonden.

Bij besluit van 12 mei 2009 heeft verweerder besloten dat de werking van het bestreden besluit wordt opgeschort totdat door de voorzieningenrechter op het verzoek is beslist, mits de behandeling van het verzoek vóór 29 mei 2009 plaatsvindt. De voorzieningenrechter begrijpt dit besluit zo, dat verweerder hiermee heeft beoogd ook het sluitingsbevel ten aanzien van [naam stichting] hiermee op te schorten. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde hieraan toegevoegd dat daarmee niet beoogd is dat de duur van de sluiting zou wijzigen, en dat een latere inwerkingtreding van het bestreden besluit dus tevens leidt tot een later verval van dit besluit.

2.2 Verzoekster staat op het standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 174a van de Gemeentewet. Daartoe heeft zij – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de incidenten onvoldoende ernstig zijn om een sluiting van de woning te rechtvaardigen, dat de overlast sinds enige jaren structureel is afgenomen, en dat een belangrijk deel van de incidenten werd veroorzaakt door een kleinzoon ([naam kleinzoon]) waarvoor niet zij maar een gezinsvoogd verantwoordelijk is.

Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd om het bestreden besluit te schorsen.

2.3 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Voor zover de beoordeling van dit verzoek meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.4 Ingevolge artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet kan de burgemeester besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, indien door gedragingen in de woning of het lokaal of op het erf de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf wordt verstoord.

Ingevolge artikel 174a, derde lid, van de Gemeentewet bepaalt de burgemeester in het besluit de duur van de sluiting, met de mogelijkheid van verlenging in geval van ernstige vrees voor herhaling van verstoring van de openbare orde.

Ingevolge artikel 174a, vierde lid, van de Gemeentewet worden bij de bekendmaking van het besluit belanghebbenden in de gelegenheid gesteld binnen een te stellen termijn maatregelen te treffen waardoor de verstoring van de openbare orde wordt beëindigd, tenzij dit in spoed-eisende gevallen niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 174a, vijfde lid, van de Gemeentewet zijn de artikelen 5:25 tot en met 5:28 van de Awb van overeenkomstige toepassing.

2.5 De sluiting van een woning heeft ernstige consequenties voor de bewoners ervan, en leidt tot een inbreuk op hun recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Dit stelt hoge eisen aan de voorbereiding en motivering van een besluit dat strekt tot toepassing van artikel 174a van de Gemeentewet. De burgemeester moet op een voor derden kenbare wijze voldoende aannemelijk maken dat overlast wordt veroorzaakt door een of meer bewoners van de woning waarop het sluitingsbevel betrekking heeft, dat door die overlast de openbare orde ter plaatse ernstig wordt aangetast, en dat van andere – minder ingrijpende – maatregelen redelijkerwijs geen bevredigende oplossing valt te verwachten.

2.6 De voorzieningenrechter onderzoekt – op basis van de hem thans ter beschikking staande informatie – of het bestreden besluit voldoet aan de zojuist geformuleerde eisen, en overweegt daartoe het volgende.

Na bestudering van de op 18 mei 2009 door verweerder overgelegde stukken en de daarop ter zitting gegeven toelichtingen acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat in ieder geval enkele bewoners van de woning langdurig ernstige overlast hebben veroorzaakt, dat deze overlast heeft geleid tot een ernstige aantasting van de openbare orde ter plaatse, alsmede dat van de omwonenden van verzoekster en haar gezinsleden in redelijkheid niet kan worden gevraagd de overlast en aantasting van de openbare orde nog langer te dulden. Dit wordt niet anders doordat ook bewoners van het nabijgelegen [adres] overlast veroorzaken, en evenmin doordat de meeste rapportages berusten op geanonimiseerde meldingen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verweerder de diverse politierapportages terecht in onderlinge samenhang heeft bezien en gewaardeerd. Het gaat niet om enkele relatief onschuldige incidenten, maar om een constante stroom van ernstige gedragingen – zoals vernielingen en bedreigingen – waarbij steeds één of meer bewoners van de woning waren betrokken.

In dit kader overweegt de voorzieningenrechter dat de politierapportages ambtsedig zijn opgemaakt, en dat hij geen aanleiding ziet tot twijfel aan de juistheid van de daar weergegeven bevindingen. Verzoeksters gemachtigde heeft ter zitting namelijk weliswaar gesteld dat in de politierapportages bewust onjuistheden zijn vermeld, maar hij heeft deze stelling op geen enkele wijze geadstrueerd, laat staan voldoende onderbouwd. Hetzelfde geldt overigens voor zijn suggestie dat de door de politie verzorgde documentatie berust op discriminatoire overwegingen. Ook hier heeft verzoekster gemachtigde verzuimd om zijn beweringen te ondersteunen met objectieve gegevens.

Daarnaast is voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder inmiddels al het mogelijke heeft gedaan om de overlast en aantasting van de openbare orde te stoppen althans tot een voor de omwonenden aanvaardbaar niveau terug te dringen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster thans dan ook voldoende gelegenheid gehad voor het treffen van maatregelen ter vermijding van verdere ongeregeldheden, mede gezien het gesprek dat verzoekster op 28 mei 2008 heeft gehad met ambtenaren van de gemeente Tilburg, een vertegenwoordiger van de verhuurder van de woning en de wijkagent. In dit kader signaleert de voorzieningenrechter dat reeds de uitnodiging voor het bijwonen van evenbedoeld gesprek (gedingstuk 8) melding maakt van de mogelijkheid tot toepassing van artikel 174a van de Gemeentewet, en dat die mogelijkheid ook nadrukkelijk wordt genoemd in de per aangetekende post verzonden brief van 11 juni 2008 (gedingstuk 9), waarin verder de op 28 mei 2008 gemaakte afspraken worden bevestigd. Daarom kan voornoemde brief van 11 juni 2008 worden aangemerkt als het bieden van de gelegenheid waarop artikel 174a, vierde lid, van de Gemeentewet doelt.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had verzoekster na mei 2008 dan ook redelijkerwijs kunnen en moeten beseffen dat nieuwe overlastgevende gedragingen vanuit de woning zouden leiden tot krachtdadige maatregelen van verweerder. De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk dat het gesprek van 28 mei 2008 niet het beoogde effect heeft gehad. Het procesdossier bevat namelijk voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat in ieder geval enkele bewoners van de woning al snel vervielen in hun oude gedrag, met alle overlast voor de omgeving vandien. Ook de verzending van het schriftelijk voornemen tot toepassing van artikel 174a van de Gemeentewet op 17 maart 2009 heeft niet geleid tot structurele veranderingen, gelet op de politiemutatie van 19 april 2009 (een onderdeel van gedingstuk 29), waarin melding wordt gemaakt van een aangifte wegens bedreiging van een buurtbewoner in verband met de dreigende sluiting.

Op basis van het vorenstaande oordeelt de voorzieningenrechter dat het bestreden besluit als zodanig rechtens houdbaar is. Hij ziet namelijk geen grond voor het oordeel dat verweerder op 6 mei 2009 in redelijkheid geen toepassing aan artikel 174a van de Gemeentewet had mogen geven. De voorzieningenrechter verwerpt het standpunt van verzoekster dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor gedragingen van andere, bij haar inwonende gezinsleden. Als hoofdbewoonster van de woning is zij in staat en gehouden toe te zien op het gedrag van deze overige inwonende gezinsleden. Zo is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster in staat is om [naam kleinzoon] op diens gedrag aan te spreken en eventueel de toegang tot de woning te ontzeggen. Ook het beroep van de gemachtigde van verzoekster op haar culturele achtergrond kan niet slagen, omdat dit niet kan wegnemen dat bepaalde gedragingen naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat bepaalde gewoonten van haar en haar gezinsleden bij omwonenden gevoelens van grote onveiligheid oproepen. Overigens vormt de aanspraak van die omwonenden op een zekere rust in hun woonomgeving een aspect dat verweerder mag betrekken bij zijn belangenafweging ter beantwoording van de vraag of toepassing van artikel 174a van de Gemeentewet is gerechtvaardigd.

2.7 Desondanks ziet de voorzieningenrechter aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening, door het bestreden besluit te schorsen tot en met 11 juni 2009. Hierbij neemt hij het volgende in aanmerking.

Namens verweerder is ter zitting uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verklaard dat – op initiatief van verweerder – wordt gezorgd voor opvang van zowel de kinderen van verzoekster (door Jeugdzorg) als verzoekster zelf (door [naam opvang]). De voorzieningenrechter vertrouwt erop dat verweerder deze toezegging – die overigens moet worden beschouwd als een onderdeel van de belangenafweging in het kader van de toepassing van artikel 174a van de Gemeentewet – gestand zal doen. De voorzieningenrechter wil echter voorkomen dat verzoekster en haar kinderen de woning reeds moeten verlaten voordat voldoende zekerheid over adequate opvang bestaat.

2.8 De voorlopige voorziening heeft tot gevolg dat de woning per 12 juni 2009 moet zijn verlaten op de wijze zoals in het bestreden besluit is aangegeven. Dit betekent – gelet op verweerders in rechtsoverweging 2.1 omschreven uitleg van het besluit van 12 mei 2009 – dat de sluiting geldt van 12 juni 2009 tot en met 11 september 2009. De voorzieningenrechter acht deze uitleg rechtens aanvaardbaar. Hij plaatst hierbij echter – onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 174a, derde lid, van de Gemeentewet – de kanttekening dat in de beslissing op het bezwaar volstrekte duidelijkheid over de duur van de sluiting moet worden gegeven, uit een oogpunt van rechtszekerheid.

2.9 Nu de voorzieningenrechter het verzoek zal toewijzen, dient het griffierecht aan verzoekster te worden vergoed. De voorzieningenrechter ziet echter onvoldoende reden voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling ten laste van verweerder, aangezien hij het bestreden besluit als zodanig rechtens houdbaar acht en verwacht dat verweerder dit besluit in stand zal laten.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

schorst het bestreden besluit tot en met 11 juni 2009;

gelast dat de gemeente Tilburg aan verzoekster het door hem betaalde griffierecht van € 150,- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th. Peters, voorzieningenrechter, en door deze en

mr. L.M. Koenraad, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2009

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: 5 juni 2009