Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BI6119

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
04-06-2009
Zaaknummer
AWB 07/3444
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BP4369, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Vaste inrichting.

Een stichting die een school exploiteert, sloot in 2000 een contract voor het leasen van computers. De lessor, onderdeel van een grote computerconcern, was gevestigd in Ierland. Alle onderhandelingen werden gedaan door Nederlandse vertegenwoordigers van het computerconcern. De leasetermijnen werden gefactureerd zonder omzetbelasting. Toen bij de stichting werd nageheven ( art. 12 lid 3 Wet OB) stelde zij dat de lessor de OB verschuldigd was omdat die een vaste inrichting had in Nederland. Nadat de rechtbank de vertegenwoordiger van het computerconcern had gehoord, oordeelde zij dat alle wezenlijke beslissingen werden genomen in Ierland en dat er in Nederland geen structuur was die geschikt was om zelfstandig leaseovereenkomsten te sluiten. Er was geen vaste inrichting; de naheffing bleef in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/43.16 met annotatie van Redactie
FutD 2009-1208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/3444

Uitspraakdatum: 20 mei 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd van € 854.368.

1.2. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 juli 2007 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 9 augustus 2007, ontvangen bij de rechtbank op 10 augustus 2007, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 285.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2008 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord de vertegenwoordiger van belanghebbende, vergezeld van de gemachtigden van belanghebbende, te [woonplaats], alsmede de inspecteur. Van hetgeen ter zitting is verhandeld is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift door de griffier aan partijen is toegezonden.

1.7. Na beide partijen te hebben gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst en het vooronderzoek hervat.

1.8. Belanghebbende heeft na de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.9. De rechtbank heeft op verzoek van belanghebbende [getuige] uit [woonplaats] als getuige opgeroepen. Ten behoeve van het getuigenverhoor heeft de rechtbank [meester -] aangesteld als rechter-commissaris.

1.10. Het verhoor van de getuige door de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden op 16 januari 2009 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord de vertegenwoordiger van belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur. Van de door de getuige afgelegde verklaring en van hetgeen ter zitting voor het overige is verhandeld is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift door de griffier aan partijen is toegezonden.

1.11. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de door de getuige afgelegde verklaring. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Afschriften van deze gedingstukken zijn door de griffier steeds aan de wederpartij toegezonden.

1.12. De rechtbank heeft op 23 februari 2009 de door getuige tijdens diens verhoor toegezegde nadere stukken ontvangen en afschriften daarvan aan partijen toegezonden.

1.13. Beide partijen hebben toestemming gegeven een nadere mondelinge behandeling ter zitting achterwege te laten. Daarop heeft de rechtbank op 8 april 2009 het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangezegd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is een onderwijsinstelling en is ondernemer als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet OB). De door belanghebbende verrichte prestaties zijn vrijgesteld van de heffing van omzetbelasting (artikel 11, eerste lid, onderdeel o, van de Wet OB).

2.2. Ultimo 2000 heeft belanghebbende besloten tot de aanschaf van nieuwe computers en printers van het merk [merk] voor haar onderwijsactiviteiten. Voor deze computers heeft belanghebbende een overeenkomst, getiteld ‘mantelovereenkomst operational lease gesloten met [firma], een naar Iers recht opgerichte en aldaar gevestigde vennootschap (hierna: [firma]). De overeenkomst is namens [firma] ondertekend door [de heer], [firma]. [firma] is in Nederland geregistreerd voor de omzetbelasting.

2.3. De mantelovereenkomst (waarin [firma] wordt aangeduid als Lessor en belanghebbende als Lessee) bevat onder meer de volgende bepalingen:

Overwegende dat: (..)

c. De bestellingen bij de leverancier(s) voor de aanschaf en levering van

de door Lessor aan Lessee te leasen objecten en/of programmatuur, zullen namens Lessor door Lessee worden gedaan. (…)

Artikel 2 – Lease (…)

2.4. Een Lease-overeenkomst komt tot stand door middel van een bestelling van en Object en/of Programmatuur dor Lessee bij een leverancier. (…)

Artikel 5 – Leasetermijn

5.1. Lessee is vanaf de Ingangsdatum een Leasetermijn verschuldigd per maand, welke zal worden berekend op basis van het Leasetarief. Het ten tijde van de ondertekening va de mantelovereenkomst geldende Leasetarief is vermeld in bijlage 1. (…)

Artikel 6 – Eigendom

6.1. De Lease-overeenkomst behelst geen overdracht van eigendom aan de Lessee. Nadat Lessor de Objecten an Leverancier heef verworven, blijven deze eigendom van Lessor. (…) Lessee is niet bevoegd de Objecten en/of de Programmatuur of enige gegevensdrager waarop deze is vastgelegd, aan enige derde ter beschikking te stellen, te vervreemden, over te dragen of daarop (beperkte) rechten te verlenen. (…)

Artikel 10 – Risiko en Verzekering

10.1. Alle aan de Objecten en/of Programmatuur verboden risico’s van waardeverlies, diefstal, beschadiging, verlies, gehele of gedeeltelijke vernietiging, door welke oorzaak dan ook, zijn vanaf het moment van de levering door leverancier (ook indien leverancier de installatie uitvoert) voor rekening van de Lessee.

Artikel 15 – koopoptie

15.1 Lessor verleent Lessee hierbij de optie, welke optie Lessee hierbij aanvaardt, de Objecten te verwerven voor een koopprijs (..).

In aanvulling en/of afwijking van het bepaalde in de Mantelovereenkomst gelden de volgende bepalingen: (…)

2. De maandelijkse leasebedragen worden op grond van artikel 5(6)e van de Value Added Tax Act 1972 (Ierland) zonder Ierse VAT gefactureerd.

2.4. [firma] is opgericht te [woonplaats] op 24 september 1997 onder de naam [firma]. Op 28 juli 1999 is haar naam gewijzigd in [firma].

2.5. In de onderhandelingen die hebben geleid tot voornoemde leaseovereenkomst heeft belanghebbende contact gehad met [getuige], werkzaam binnen het concern. [getuige] is door de rechtbank als getuige gehoord. Voor hetgeen [getuige] heeft verklaard, wordt verwezen naar het proces-verbaal van het getuigenverhoor, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht. Blijkens de door [getuige] overlegde kopie van zijn arbeidsovereenkomst van destijds was hij in dienstbetrekking bij [Holding]. In artikel 1 van de overeenkomst zijn als contractpartijen vastgelegd:

1. Employment

This employment agreement (“the Agreement”) is made between [Holding], [adres], [woonplaats], (“the Employer”) and [getuige] (“the Employee”).

2.6. [Capital] is opgericht te [woonplaats] op 24 september 1997. Op 28 juli 1999 is haar naam gewijzigd in [firma].

2.7. Belanghebbende heeft als bijlage bij het beroepschrift een kopie van het visitekaartje van [getuige] overgelegd.

2.8. [getuige] heeft aan belanghebbende op 22 mei 2000 een brief met een leaseofferte gezonden. Blijkens het briefhoofd is de brief afkomstig van [firma]. [getuige] heeft de brief ondertekend namens [firma]. In de offerte staat onder meer:

De Organisatie: [firma]

[firma] is onderdeel van [corporatie], de grootste wereldwijde leverancier van computersystemen. (…)

Administratieproces

De commerciële afspraken die u maakt met uw leverancier blijven zonder enige beperking van kracht. Afspraken over onderhoud, installatie en services zijn zaken waar [firma] zich niet in mengt. Het enige dat veranderd is de betalingsstroom. [firma] betaalt het volledige, afgesproken factuurbedrag aan de dealer, en zet dit om in bijvoorbeeld 36 maandelijkse leasetermijnen: (..)

2.9. [firma] heeft ter zake van de lease facturen uitgereikt aan belanghebbende. In het briefhoofd van de betreffende facturen staat steeds vermeld:

[firma]

Voorts staan als contactgegevens op de facturen vermeld:

Indien u opmerking heeft kunt

u contact opnemen met: [de heer]

Onderaan de facturen staat vermeld

Sales Office: [firma]

De facturen bevatten een kolom waarbij met de titel “BTW bedrag 19%”. In deze kolom staat steeds 0.00.

2.10. Ter zake van de leaseprestaties is noch door [firma] noch door belanghebbende in Nederland omzetbelasting aangegeven of voldaan.

2.11. In 2006 heeft belanghebbende contact opgenomen met de inspecteur over de belastbaarheid in Nederland van de lease. Als gevolg daarvan is de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. De berekening daarvan is als zodanig niet in geschil.

3. Geschil

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of [firma] in het onderhavige jaar in Nederland beschikte over een vaste inrichting als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Wet OB, van waaruit de leasedienst is verricht. Zo dat het geval is, is [firma] (en niet belanghebbende) de onderhavige omzetbelasting verschuldigd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend. Tussen partijen is niet in geschil dat ter zake van de in rekening gebrachte leasetermijnen in Nederland omzetbelasting is verschuldigd.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daar tijdens de mondelinge behandelingen ter zitting aan hebben toegevoegd, wordt verwezen naar de processen verbaal, welke aan deze uitspraak zijn gehecht.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de leaseactiviteiten diensten zijn die in Nederland worden verricht en derhalve zijn belast met Nederlandse omzetbelasting (artikel 4, eerste lid, en artikel 6, tweede lid, onderdeel d, 7e, van de Wet). De rechtbank acht dat uitgangspunt juist.

4.2. Artikel 12, derde lid, van de Wet OB (tekst 2001) luidt, voor zover te dezen van belang :

“ Ingeval de ondernemer die een (…) dienst, ander[s] dan bedoeld in het tweede lid, verricht, niet in Nederland woont of is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft van waaruit de dienst wordt verleend, en degene aan wie (…) de dienst wordt verleend een ondernemer is die in Nederland (…) is gevestigd (…), wordt de belasting geheven van degene aan wie(…) de dienst wordt verleend.”

4.3. De onder 4.1. en 4.2. vermelde wetsbepalingen, in onderling verband bezien, leiden ertoe dat [firma] de onderhavige omzetbelasting verschuldigd is indien zij in 2001 over een vaste inrichting in Nederland beschikte van waaruit de dienst is verricht, en belanghebbende indien daarvan geen sprake was.

4.4. In het arrest ARO Lease (arrest van 17 juli 1997, zaak C-190/95, ARO Lease, VN 1997/2933) heeft het Hof van Justitie van de EG omtrent het begrip “vaste inrichting” overwogen:

“dat wanneer een leasemaatschappij in een Lid-Staat niet over eigen personeel en niet over een structuur met een voldoende mate van duurzaamheid beschikt in het kader waarvan overeenkomsten kunnen worden opgemaakt of beslissingen van dagelijks bestuur kunnen worden genomen, dat wil zeggen een structuur die geschikt is om een zelfstandige verrichting van de betrokken diensten mogelijk te maken, niet kan worden aangenomen, dat zij in die Lid-Staat over een vaste inrichting beschikt.”

4.5. Uit de stukken, het verhandelde ter zitting en het getuigenverhoor is het volgende gebleken omtrent de activiteiten van [firma] in Nederland:

- [getuige] was werkzaam vanuit een gebouw aan [adres] te [woonplaats]. Hij noemde dit “het - gebouw”. Hij trad naar cliënten op als vertegenwoordiger van [firma] maar was formeel in dienst bij Capital. [getuige] kreeg vanuit Ierland standaardcontracten aangeleverd die hij gebruikte in zijn contacten met potentiële cliënten. Hij was niet bevoegd daarin zonder toestemming vanuit Ierland aanpassingen te doen.

- De leaseofferte is door [getuige] aan belanghebbende gezonden namens [firma]. In de offerte is niet vermeld dat [firma] gevestigd is in Ierland. Wel is een adres in [woonplaats] genoemd.

- De leaseovereenkomst is gesloten door [firma] en belanghebbende en is namens [firma] getekend door [de heer], van [firma] te Ierland.

- De facturen voor belanghebbende vermeldden als correspondentieadres een adres in Ierland. Als “sales office” staat vermeld het adres [adres] in [woonplaats] en voor opmerkingen een telefoonnummer in [woonplaats].

4.6. In een brief van [de heer] en [de heer] van 31 mei 2007 en het daarbij gevoegde “workflow” document is uiteengezet dat Capital bij leasetransacties optrad als agent voor [firma] en wat de activiteiten van de respectievelijke vennootschappen waren. Hetgeen in die brief wordt vermeld over de activiteiten ten opzichte van cliënten, komt overeen met hetgeen [getuige] tijdens het getuigenverhoor heeft verklaard. Uit evenbedoeld document leidt de rechtbank af dat Capital naast het leggen van contact met eventuele klanten met name als doorgeefluik fungeerde van tussen [firma] en de klant gewisselde stukken in het kader van de totstandkoming van de overeenkomst die tussen [firma] en de klant werd gesloten.

4.7. De rechtbank leidt uit vorenvermelde feiten en omstandigheden af dat in de jaren 2000 en 2001, waar het in dit geding om gaat, alle wezenlijke beslissingen met betrekking tot de lease werden genomen in Ierland en dat [firma] in Nederland in de vorm van de Nederlandse vestiging van Capital of anderszins niet beschikte over een structuur die geschikt was om zelfstandig leaseovereenkomsten te sluiten. De onder 4.5. en 4.6. weergegeven feiten en omstandigheden, ook in onderling verband en samenhang beschouwd, rechtvaardigen niet de conclusie dat [firma] in Nederland beschikte over een vaste inrichting van waaruit de in geding zijnde diensten zijn verleend. De naheffingsaanslag is derhalve terecht aan belanghebbende opgelegd.

4.8. Gelet op het bovenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 20 mei 2009 door [meester], voorzitter, mr. D.B. Bijl en mr.drs. F.J.P.M. Haas, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.M. Dondorp-Loopstra, griffier. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.