Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BI4293

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23-02-2009
Datum publicatie
18-05-2009
Zaaknummer
07 / 3826 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dat eiseres is aangewezen op werk waarbij zij geregeld van houding kan afwisselen had in de FML opgenomen moeten worden. Het niet opnemen van een dergelijk vereiste in de FML leidt echter niet tot de conclusie dat de medische grondslag van de schatting de rechterlijke toets niet kan doorstaan. Wel rust er dan een plicht tot deugdelijk motiveren op de arbeidsdeskundige waarom de functies (ook) aan dat vereiste voldoen. In dit geval ontbreekt die motivering, waarbij het niet slechts moet gaan om het even vertreden maar om een reële afwisseling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 07 / 3826 WAJONG

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

[naam eiseres],

wonende te [plaatsnaam], eiseres,

gemachtigde mr. M.A. Breewel-Witteveen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda),

verweerder.

1. Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 juli 2007 (bestreden besluit) inzake de weigering haar een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen.

Het beroep is behandeld ter zitting van 24 november 2008, waarbij aanwezig waren eiseres en haar gemachtigde en namens verweerder mr. [naam persoon].

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres, geboren op [geboortedatum], heeft op 28 september 2006 bij verweerder een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft verweerder bij besluit van 5 december 2006 geweigerd eiseres per 8 maart 2007 een uitkering ingevolge de Wajong toe te kennen, omdat zij minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

2.2 Eiseres heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat de verzekeringsarts onzorgvuldig was door zonder nader onderzoek te concluderen dat naar alle waarschijnlijkheid verbetering te verwachten was. Naar haar mening is de FML niet correct, omdat haar beperkingen zijn onderschat. Zij acht zich op medische gronden volledig arbeidsongeschikt. Verder zijn de geduide functies voor haar niet passend. De belastingen in de geduide functies heeft eiseres gedetailleerd bekritiseerd.

2.3 Arbeidsongeschikt in de zin van de Wajong is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is met algemeen geaccepteerde arbeid te verdienen hetgeen soortgelijke gezonde personen met arbeid gewoonlijk verdienen. Van belang is dan ook:

- of eiseres medische beperkingen heeft en

- of zij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met algemeen geaccepteerde arbeid inkomsten te verwerven.

Om de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen maakt verweerder gebruik van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft dit systeem aanvaard als ondersteunend systeem bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank overweegt dat door het systeem, bij de vergelijking van de belastbaarheid van betrokkene (die is neergelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML)) met de functiebelasting, signaleringen worden aangebracht. Een signalering duidt erop dat met betrekking tot een onderdeel van de functiebelasting mogelijk sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van betrokkene. Deze signaleringen zijn terug te vinden op het formulier Resultaat Functiebeoordeling als M, G en/of *. De CRvB heeft overwogen dat alle signaleringen van een afzonderlijke toelichting dienen te worden voorzien waaruit kan blijken dat en waarom van een daadwerkelijke overschrijding toch geen sprake is.

2.4 Het bestreden besluit is wat betreft de vaststelling van de medische belastbaarheid gebaseerd op rapportages van een verzekeringsarts en een bezwaarverzekeringsarts.

De verzekeringsarts heeft eiseres gezien op het spreekuur van 10 november 2006 en haar dossier bestudeerd. De verzekeringsarts heeft in het rapport van 12 november 2006 aangegeven dat de beperkingen vooral fysiek van aard zijn. Zowel statische als dynamische rugbelastingen zijn beperkt. Eiseres is aangewezen op werkzaamheden waarbij zij geregeld van houding kan afwisselen. Zowel zitten, lopen en staan kan niet langdurig plaats vinden. Het is aan te bevelen om bij (langer) zittende werkzaamheden gebruik te maken van een op de persoon aangepaste stoel. Ten aanzien van haar sociaal- en persoonlijk functioneren merkt de verzekeringsarts op dat de bestaande rugafwijking ook hier van invloed is, echter niet van dien aard dat hierbij sprake is van abnormaal sociaal- en persoonlijk functioneren. Daarom zijn op die aspecten geen beperkingen aan te geven. De verzekeringsarts heeft de beperkingen en de belastbaarheid van eiseres neergelegd in de FML van 13 november 2006. De verzekeringsarts heeft de FML op 16 februari 2007 aangepast.

Bezwaarverzekeringsarts Hagedoorn heeft de beschikbare medische gegevens, waaronder de door eiseres ingebrachte informatie van huisarts [naam persoon], bestudeerd. Tevens heeft de bezwaarverzekeringsarts eiseres gezien op de hoorzitting van 21 juni 2007. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport van 27 juni 2007 het volgende aangegeven:

“Hoewel betrokkene een forse verslechtering claimt, ingetreden na het onderzoek door de primaire verzekeringsarts, kan deze verslechtering op geen enkele wijze worden geobjectiveerd. Betrokkene heeft ook geen arts geraadpleegd met de toename van klachten en heeft bovendien haar revalidatietherapie kunnen voortzetten. Daarnaast zijn mijn onderzoeksbevindingen niet anders dan die beschreven door de primaire verzekeringsarts.

Verder blijkt uit de verwijsbrief van de huisarts dat de pijn waarmee betrokkene zich vanaf de operatie heeft gepresenteerd niet verklaard wordt vanuit de geobjectiveerde rugproblematiek (visie orthopaedisch chirurg Sint Maartenskliniek … ). Het moge duidelijk zijn dat de ingebrachte brieven van de heer [naam persoon], conrector Havo, en van de heer [naam persoon], decaan ROC, niet kunnen worden aangemerkt als een nadere medische onderbouwing van de claim. Bovenstaande laat onverlet het feit dat er bij betrokkene sprake is van een verminderd belastbare rug. Dit is door de primaire verzekeringsarts ook onderkend en erkend. Er zijn zeer forse beperkingen aangenomen t.a.v. de diverse aspecten van rugbelasting en de beperkingen zijn zeker niet ondergewaardeerd. Hoewel betrokkene claimt tevens in uren beperkt te zijn omdat zij vanwege de pijn erg vermoeid is, kan de pijn, zoals reeds vermeld, niet verklaard worden vanuit de medische feiten. Indien werkzaamheden aan de beschreven voorwaarden (FML) voldoen, bestaat er dan ook geen aanleiding tot aanname van een urenbeperking. Ook de in het bezwaarschrift vermelde vergroeiing van handen en voeten is niet nader toegelicht, cq wordt niet door medische feiten gestaafd.

Tot slot dient te worden opgemerkt, wellicht ten overvloede, dat er geen argumenten zijn betrokkene t.a.v. de psyche te beperken, er is geen sprake van psychopathologie in engere zin.”

2.4.2 Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, heeft bezwaarverzekeringsarts [naam persoon] op 8 oktober 2007 aanvullend gerapporteerd. In dat rapport heeft zij geconcludeerd dat zij geen redenen heeft om af te wijken van het standpunt van de verzekeringsarts en van de bezwaarverzekeringsarts [naam persoon]. Het feit dat eiseres aanvankelijk af en toe een rolstoel leende en thans een rolstoel voor eigen gebruik alsmede een gehandicaptenparkeerkaart heeft aangevraagd, betekent volgens de bezwaarverzekeringsarts nog niet dat er meer beperkingen moeten worden aangenomen. Niet is gebleken dat deze voorzieningen medisch geïndiceerd en medisch noodzakelijk te achten zijn. Er is ook geen reden eiseres op medische gronden volledig arbeidsongeschikt te achten. Zij is niet opgenomen in een ziekenhuis of instelling en er is geen sprake van bedlegerigheid, afhankelijkheid bij de algemeen dagelijkse levensverrichtingen of van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren, aldus de bezwaarverzekeringsarts.

2.4.3 Op grond van de beschikbare gegevens moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij eiseres de medische beperkingen ten tijde van de datum in geding, zijnde 8 maart 2007, niet hebben onderschat. Met name blijkt uit de rapportages van de verzekeringsartsen dat zij op de hoogte waren van de door eiseres gestelde klachten. Eiseres heeft in beroep geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat zij meer objectiveerbare beperkingen heeft dan de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Eiseres heeft op 6 november 2008 diverse röntgenfoto’s van haar rug alsmede een CD-ROM ter griffie gedeponeerd. Eiseres heeft (eerst) ter zitting via de pleitnota een toelichting gegeven op die foto’s. Nu die toelichting echter niet medisch is onderbouwd, gaat de rechtbank reeds daarom aan die toelichting (en de foto’s) voorbij. Eiseres heeft ter zitting ook nog aangevoerd dat verweerder verzuimd heeft informatie op te vragen bij haar specialisten/artsen en haar gewezen specialisten. Daarover merkt de rechtbank op dat volgens vaste rechtspraak van de CRvB een verzekeringsarts in beginsel mag varen op zijn eigen oordeel. Raadpleging van de behandelende sector is aangewezen in die gevallen waarin reeds een behandeling in gang is gezet waarvan een effect op de belastbaarheid van betrokkene te verwachten is of indien een betrokkene stelt dat de behandelende sector een beredeneerd afwijkend standpunt over diens beperkingen heeft. Daarvan is de rechtbank in dit geval echter niet gebleken.

De stelling van eiseres in de pleitnota dat zij niet sociaal en persoonlijk kan functioneren en geen ADL-taken kan verrichten, heeft eiseres niet met (medische) bewijsstukken onderbouwd, zodat de rechtbank aan die stelling voorbij gaat. De rechtbank merkt tenslotte nog op dat aan de eigen beleving van eiseres over haar beperkingen en het al dan niet kunnen werken voor de toepassing van de Wajong geen doorslaggevende betekenis kan en mag worden toegekend. Dit alles betekent dat de medische grondslag, waarop het bestreden besluit is gebaseerd, stand houdt. Voor de arbeidskundige beoordeling dient dan ook te worden uitgegaan van de FML van 16 februari 2007.

2.5 Op basis van de vastgestelde medische beperkingen heeft de arbeidsdeskundige de arbeidsmogelijkheden van eiseres onderzocht en daarover op 29 november 2006 en -naar aanleiding van de aangepaste FML- 2 maart 2007 gerapporteerd.

Voor de bepaling van de restverdiencapaciteit van eiseres heeft de arbeidsdeskundige in aanmerking genomen de drie in de arbeidsmogelijkhedenlijst van 15 november 2006 vermelde functies van typist, datatypist (SBC-code 315110), elektronica monteur (nieuwbouw en onderhoud)(SBC-code 267040) en telefonist, receptionist (SBC-code 315120). Daarnaast is eiseres de functie van receptionist, baliemedewerker ((SBC-code 315150) voorgehouden. De arbeidsdeskundige heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres bepaald op 3,91%.

De bezwaararbeidsdeskundigen [naam persoon] en [naam persoon] hebben nader onderzoek verricht en daarover op 11 juli 2007 ([naam persoon]) respectievelijk 24 juli 2008 ([naam persoon]) gerapporteerd. In het rapport van 11 juli 2007 heeft de bezwaararbeidsdeskundige Kuiken de functie van typist/ datatypist laten vervallen. In plaats van deze functie heeft [naam persoon] de functie van receptio-nist/baliemedewerker aan de schatting ten grondslag gelegd. Kuiken heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres bepaald op 11,25%.

2.5.1 De rechtbank heeft de functiebelasting van de geduide functies vergeleken met de FML. De rechtbank constateert dat op het formulier Resultaat Functiebeoordeling van 15 november 2006 signaleringen [M, G en *] voorkomen. Zoals hiervoor in 2.3 is overwogen, dient ten aanzien van al deze signaleringen te worden toegelicht waarom de geduide functies door eiseres kunnen worden verricht.

De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige (zie gedingstukken B10 en B16), maar vooral de bezwaararbeidsdeskundigen [naam persoon] (gedingstuk B32) en [naam persoon] (gedingstuk A24) bij de beoordeling van de passendheid van de functies alle signaleringen afdoende hebben toegelicht.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat in het rapport van de verzekeringsarts is vermeld dat eiseres is aangewezen op werkzaamheden waarbij zij geregeld van houding kan afwisselen. Naar het oordeel van de rechtbank had dit vereiste in de FML opgenomen moeten worden.

In zijn uitspraak van 12 december 2007, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN-nummer BC1544, heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geoordeeld dat het niet opnemen van een dergelijk vereiste in de FML niet tot de conclusie leidt dat de medische grondslag van de schatting de rechterlijke toets niet kan doorstaan. Wel ligt in zo’n geval volgens de CRvB een deugdelijke motiveringsplicht op de arbeidsdeskundigen van verweerder. “Het ligt immers op de weg van de arbeidsdeskundige om de belasting in de geselecteerde functies zorgvuldig te toetsen ook aan een door de verzekeringsarts aangegeven maar niet in de FML opgenomen vereiste zoals dat van afwisseling van zitten, staan en lopen. Indien de arbeidsdeskundige op deugdelijke wijze motiveert waarom de functies (ook) aan dat vereiste voldoen, is er geen grond de schatting niet in stand te laten.”, aldus de CRvB.

De rechtbank is in de verschillende rapportages niet kunnen blijken dat door de arbeidsdeskundigen getoetst is of eiseres ‘geregeld van houding kan afwisselen’, waarbij de rechtbank er -met de CRvB in zijn uitspraak van 12 oktober 2007 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN-nummer BB6347) van uit gaat het daarbij niet slechts moet gaan om het even vertreden maar om een reële afwisseling. De enkele vermelding van de arbeidsdeskundige in zijn rapport van

29 november 2006 (en herhaald in zijn rapport van 2 maart 2007) dat er altijd de mogelijkheid bestaat (op elk willekeurig moment) te vertreden, acht de rechtbank onvoldoende, met name nu de arbeidsdeskundige in zijn rapport van

29 november 2006 tevens vermeldt dat alle functies overwegend zittend worden uitgevoerd.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder de geschiktheid van de functies voor eiseres onvoldoende heeft toegelicht en dat het bestreden besluit een deugdelijke arbeidskundige onderbouwing mist. Het beroep van eiseres dient dan ook gegrond te worden verklaard wegens strijd met het motiveringsbeginsel zoals neergelegd in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eiseres met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.6 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed. Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten van eiseres, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag. Aangezien eiseres met een toevoeging procedeert moeten die kosten worden betaald aan de griffier, waarvoor een acceptgiro zal worden toegezonden.

2.7 Ter voorlichting van eiseres wijst de rechtbank erop dat de rechtbank de FML in stand heeft gelaten. Mocht eiseres zich in dat oordeel niet kunnen vinden, dient zij hiertegen hoger beroep in te stellen bij de CRvB.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

gelast dat het UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 39,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het UWV aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, rechter, en in tegenwoordigheid van R.V. van Vliet, griffier, in het openbaar uitgesproken op

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en begint te lopen op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: