Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BI4142

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23-02-2009
Datum publicatie
18-05-2009
Zaaknummer
AWB 08/1260 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing vergoeding SpeechEasy conform landelijke mailinstructie van verweerder van 1 februari 2008. Die instructie is kennelijk een door verweerder ontwikkelde gedragslijn met betrekking tot aanvragen van hulpmiddelen tegen stotteren. Volgens de Vereniging Stottercentra Nederland (VSN) is over de lange termijn effecten van dergelijke hulpmiddelen nauwelijks iets bekend. Conclusie van de mailinstructie is dat apparaten tegen stotteren niet een adequate en specifieke werkvoorziening zijn, zodat aanvragen voor die hulpmiddelen moeten worden afgewezen.

Deze gedragslijn kan in beginsel de rechterlijke toets doorstaan. Mede gelet op artikel 2, derde lid van het Reïntegratiebesluit - eis dat een voorziening adequaat is -, kan verweerder niet worden gehouden een voorziening te verlenen waarvan nut en effect onmiskenbaar (nog) onvoldoende duidelijk zijn. Bijzondere omstandigheden zijn niet gebleken. Het enkele feit dat eiser de SpeechEasy twee dagen naar tevredenheid heeft mogen uitproberen zegt immers nog niets over het lange termijn effect.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 08 /1260 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

[naam eiser],

wonende te Bergen op Zoom, eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda),

verweerder.

1. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 maart 2008 (bestreden besluit) inzake de vergoeding voor een apparaat om stotteren tegen te gaan.

Het beroep is behandeld ter zitting van 24 november 2008, waarbij aanwezig waren eiser en namens verweerder

mr. [naam persoon].

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is al sinds hij kind is bekend met stotteren. Hij heeft hiervoor diverse therapieën uitgeprobeerd met wisselend resultaat. Hij werkt als assistent-inkoper. In zijn functie is praten een noodzaak: zowel intern als extern, voornamelijk met leveranciers, telefonisch en face-to-face. Ook in deze gesprekken heeft hij last van stotteren. Hij bouwt daardoor extra spanning en vermoeidheidsklachten op. Dit versterkt het stotteren weer en het belemmert hem in zijn functioneren.

Op 13 december 2007 heeft eiser bij verweerder als voorziening een zogenaamde SpeechEasy aangevraagd, een apparaat om stotteren tegen te gaan.

Bij besluit van 14 januari 2008 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

2.2 Eiser heeft in beroep, zakelijk samengevat, aangevoerd dat een stotteraar de woorden eerst ziet verschijnen en dan begint de angst voor het uitspreken ervan.

De SpeechEasy helpt om langzamer te spreken en zo te corrigeren. Rust en zelfvertrouwen nemen dan toe. Op de lange termijn moeten de effecten nog blijken, maar dat geldt volgens eiser ook voor bestaande stottertherapieën. Als de SpeechEasy wordt onderzocht op lange termijn effecten, zouden ook de andere stottertherapieën op dit aspect moeten worden onderzocht, aldus eiser. Eiser heeft verder aangegeven in een inwerkperiode te verkeren bij een nieuwe werkgever en zich daar opnieuw waar te moeten maken om een vast contract te verdienen. De SpeechEasy zou helpen om zijn werk zelfverzekerder te kunnen uitvoeren. Als hij de nieuwe baan door zijn stotterprobleem niet naar behoren zou kunnen uitvoeren en deze zou verliezen, zou hij een baan moeten gaan zoeken waarin hij niet hoeft te spreken. Daardoor zou zijn eigenwaarde helemaal tot het minpunt dalen en zouden zijn andere klachten ook verergeren, aldus eiser.

2.3 Het wettelijk kader

Artikel 35 van de WIA luidt, voor zover thans van belang, als volgt.

1. Het UWV kan aan de persoon met een naar het oordeel van het UWV structurele functionele beperking, en die arbeid in dienstbetrekking verricht of die arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten (…), op aanvraag voorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid (…).

2. Onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden uitsluitend verstaan:

(…)

c. meeneembare voorzieningen ten behoeve van de inrichting van de arbeidsplaats, de productie- en werkmethoden, (…), die in overwegende mate op het individu van de persoon, bedoeld in het eerste lid, zijn afgestemd; en

d. (…).

3. (…).

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.

Die regels van het vierde lid van artikel 35 van de WIA zijn neergelegd in het Reïntegratie-besluit (Besluit van 5 december 2005, Staatsblad 618, zoals dit besluit laatstelijk is gewijzigd per 1 januari 2007). In dat besluit zijn onder meer regels gegeven over de verstrekking van arbeidsplaatsvoorzieningen.

Artikel 2 van het Reïntegratiebesluit luidt, voor zover thans van belang, als volgt.

1. Een voorziening als bedoeld in artikel 35 van de Wet WIA wordt niet verleend indien het een voorziening betreft:

a. die algemeen gebruikelijk is; of

b. waarvoor vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is.

2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan een in dat lid bedoelde voorziening worden verleend indien deze dient ter vergoeding van kosten of voorzieningen waarvoor vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is en die vrijwel uitsluitend is geïndiceerd voor de werksituatie, dan wel vrijwel uitsluitend kan worden gebruikt voor of in de werksituatie.

3. Bij de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt bij de beoordeling en berekening van de kosten en de verlening van een voorziening als bedoeld in het eerste en tweede lid uitgegaan van de goedkoopste adequate voorziening.

2.4 Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het nut en het effect van de SpeechEasy, bij gebrek aan onderzoek daarnaar, onvoldoende duidelijk is. Daarom kan deze voorziening niet als een adequate en specifieke werkvoorziening worden beschouwd, aldus verweerder.

Deze afwijzing komt, zo is ter zitting door de gemachtigde van verweerder ook bevestigd, vrijwel letterlijk overeen met de landelijke mailinstructie van verweerder van 1 februari 2008 (gedingstuk B7). Die mailinstructie is kennelijk een door verweerder ontwikkelde gedragslijn hoe om te gaan met (toekomstige) aanvragen van hulpmiddelen tegen stotteren. De mail- instructie meldt dat er meerdere apparaten tegen stotteren in de handel zijn, zoals de SpeechEasy en de Defstut. Volgens de site van de Vereniging Stottercentra Nederland (VSN) is echter lange termijn onderzoek nodig om na te gaan of mensen een apparaat blijven gebruiken en wat de effecten hiervan zijn op de spraak. Over de lange termijn effecten is nauwelijks iets bekend, aldus de VSN. Samenvattend is de conclusie van de mailinstructie dat apparaten tegen stotteren niet als een adequate en specifieke werkvoorziening kunnen worden beschouwd, omdat het nut en effect van deze voorziening, bij gebrek aan onderzoek daarnaar, onvoldoende duidelijk is. Aanvragen voor de SpeechEasy, Defstut en alle overige hulpmiddelen tegen stotteren moeten volgens de mailinstructie daarom worden afgewezen.

De vraag die de rechtbank nu moet beantwoorden is of deze gedragslijn de rechterlijke toets kan doorstaan. Die vraag dient in beginsel bevestigend te worden beantwoord. Mede gelet op artikel 2, derde lid van het Reïntegratiebesluit, waaruit volgt dat een voorziening -uiteraard- wel te allen tijde adequaat dient te zijn, kan verweerder niet worden gehouden een voorziening te verlenen waarvan het nut en het effect onmiskenbaar (nog) onvoldoende duidelijk is. Bijzondere omstandigheden om daar in dit geval anders over te oordelen zijn gesteld noch gebleken. Het enkele feit dat eiser de SpeechEasy twee dagen heeft mogen uitproberen en dat dit hem zeer goed is bevallen, levert nog geen bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld op. Twee dagen naar tevredenheid uitproberen van de SpeechEasy zegt immers nog niets over het lange termijn effect. En ook de wens van eiser om het stotteren tegen te gaan om daardoor beter in de (nieuwe) werksituatie te kunnen functioneren is, hoewel volstrekt invoelbaar, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om als een bijzondere omstandigheid aangemerkt te kunnen worden.

Het bovenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit stand kan houden. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, rechter, en in aanwezigheid van R.V. van Vliet, griffier, in het openbaar uitgesproken op

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en begint te lopen op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: