Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BI3296

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
17-04-2009
Datum publicatie
11-05-2009
Zaaknummer
AWB 08-2070
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ4189, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank is de besluitnemer niet buiten de delegatiebevoegdheid van artikel 38 van de Wfsv getreden door bij de vaststelling van de gedifferentieerde WGA-premie met uitbetaalde WAO-uitkeringen rekening te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/2070

Uitspraakdatum: 17 april 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij beschikking met dagtekening 13 december 2007 is de hoogte van de gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 34 van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: de Wet Wfsv) (hierna genoemd gedifferentieerde premie) voor het jaar 2008 voor belanghebbende vastgesteld op 1,74%.

1.2. Bij brief met dagtekening 14 december 2007, bij de inspecteur binnen gekomen op 18 december 2007, heeft belanghebbende daartegen bezwaar aangetekend.

1.3. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 maart 2008 de hoogte van de gedifferentieerde premie voor 2008 gehandhaafd.

1.4. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 25 april 2008, ontvangen bij de rechtbank op 28 april 2008, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 288.

1.5. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden voor de enkelvoudige belastingkamer op 14 november 2008 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigden van belanghebbende, alsmede de inspecteur. De rechtbank heeft op 10 november 2008 een pleitnota van de inspecteur ontvangen. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht te zijn voorgelezen ter zitting. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij medegedeeld dat zij op korte termijn partijen zal berichten omtrent het al dan niet doorwijzen van de onderhavige procedure naar de meervoudige kamer.

1.7. Bij brief van 27 november 2008 heeft de rechtbank partijen bericht dat de onderhavige procedure is doorverwezen naar de meervoudige kamer. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat op 12 december 2008 naar partijen is verzonden.

1.8. Verweerder heeft vóór de tweede mondelinge behandeling nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan belanghebbende.

1.9. Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad voor de meervoudige belastingkamer op 3 februari 2008 te Breda. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, de gemachtigden van belanghebbende, alsmede de inspecteur. De rechtbank heeft op 30 januari 2008 een pleitnota van de inspecteur ontvangen. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht te zijn voorgelezen ter zitting. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Bij de berekening van de hoogte van de gedifferentieerde premie is rekening gehouden met één aan belanghebbende toegerekende WAO-uitkering. Het betreft hier een aan [uitzendkracht], een voormalige uitzendkracht, toegekende WAO-uitkering. Blijkens de gegevens van [instantie], welke behoren tot de stukken van het geding, is [uitzendkracht] bij belanghebbende in dienst getreden op 7 januari 2002 en is hij op 25 mei 2002 uit dienst getreden. De eerste dag van arbeidsongeschiktheid was 23 mei 2002 en de WAO-uitkering van [uitzendkracht] is ingegaan op 21 mei 2003.

2.2. Naar aanleiding van het door de Belastingdienst ingestuurde WAO instroomoverzicht schrijft [de heer] van Brabant Accountants en Belastingadviseurs in zijn schrijven van 30 januari 2008 het volgende:

"(…) Uit het instroomoverzicht blijkt dat het om dezelfde werknemer gaat als waarop vorig jaar in eerste instantie de gedifferentieerde WGA- premie 2007 is gebaseerd. Tegen de beschikking van 2007 is toendertijd bezwaar gemaakt (beschikking met nummer [00000]), omdat de werknemer niet bekend is bij cliënt. U heeft dat bezwaarschrift toen toegewezen en de gedifferentieerde WGA-pemie 2007 alsnog vastgesteld op 0,4%.

Ik verzoek u dan ook om het huidige bezwaarschrift toe te wijzen en de gedifferentieerde WGA-premie 2008 vast te stellen op 0,3%."

2.3. Belanghebbende exploiteert een uitzendbureau en heeft de administratie van de werknemers verdeeld in administratieve eenheden. De administratieve eenheid L02 betreft daarbij het vaste personeel en de administratieve eenheid L03 betreft de uitzendkrachten.

3. Geschil

3.1. In geschil zijn de hoogte van de gedifferentieerde premie en de uniforme premie WAO (hierna: uniforme premie) als bedoeld in artikel 34 van de Wet Wfsv voor het jaar 2008. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de gedifferentieerde premie voor 2008 0,3% bedraagt en, naar de rechtbank verstaat, de uniforme premie nihil.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen partijen ter zitting hieraan hebben toegevoegd wordt verwezen naar het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en verlaging van de gedifferentieerde premie naar een percentage van 0,3 en, naar de rechtbank verstaat, de uniforme premie naar nihil. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep voor zover het de gedifferentieerde premie betreft en niet-ontvankelijkheid voor zover het de uniforme premie betreft.

4. Beoordeling van het geschil

De uniforme premie

4.1.1. Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 14 december 2007 bezwaar gemaakt tegen de gedifferentieerde premie. Bij uitspraak op bezwaar van 19 maart 2008 heeft de inspecteur op dit bezwaar beslist. In beroep heeft belanghebbende tevens bezwaren aangevoerd tegen de uniforme premie.

4.1.2. Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wet Wfsv, stelt [instantie] onder goedkeuring van de Minster van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, een percentage vast

voor de berekening van de uniforme premie. Voor het jaar 2008 is de uniforme premie door [instantie] vastgesteld bij besluit van 7 augustus 2007 (Staatscourant 2007, nr. 170) en is de premie goedgekeurd door de Minster van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij besluit van 27 augustus 2007 (Staatscourant 2007, nr. 170).

4.1.3. Blijkens artikel 59, eerste lid van de Wet Wfsv worden de premies voor de werknemersverzekeringen geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels. Dat leidt ertoe dat, net als voor de loonbelasting, de bepalingen van de AWR van toepassing zijn en dat de Wet Wfsv moet worden beschouwd als een “belastingwet” als bedoeld in artikel 26 AWR. Artikel 26 AWR bepaalt dat, in afwijking van artikel 8:1, eerste lid, Awb, tegen een ingevolge een belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld indien het betreft een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking.

4.1.4. Nu de Wet Wfsv noch enige andere wet de mogelijkheid biedt om tegen het besluit van [instantie] ter vaststelling van de uniforme premie, bezwaar in te stellen, is op grond van het bepaalde in artikel 26 AWR geen bezwaar en beroep tegen de premievaststelling mogelijk. Het besluit waarbij de hoogte van de uniforme premie wordt vastgesteld is een besluit van algemene strekking en geen voor bezwaar vatbare beschikking. De hoogte van de uniforme premie staat derhalve niet ter beoordeling van de rechter in belastingzaken.

4.1.5. In het onderhavige geval heeft belanghebbende haar bezwaren tegen de uniforme premie pas aangevoerd in het beroepschrift. Artikel 7:1, eerste lid, Awb bepaalt dat degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep in te stellen, eerst bezwaar moet maken tegen dat besluit. Belanghebbende zou zich met haar bezwaren dus eerst tot de inspecteur hebben moeten richten en is bij de rechtbank aan het verkeerde adres. Nu, zoals hiervoor overwogen, tegen de vaststelling van de uniforme premie geen bezwaar openstaat, zou de inspecteur het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk hebben moeten verklaren. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding voor doorzending van het beroepschrift als bezwaarschrift naar de inspecteur maar zal zij om redenen van proceseconomie zelf de niet-ontvankelijkheid uitspreken.

De gedifferentieerde premie

4.2.1. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de inspecteur in het kader van de bezwaarprocedure tegen de gedifferentieerde premie voor 2007 een onherroepelijk standpunt heeft ingenomen dat ook heeft te gelden voor 2008. In de uitspraak over 2007 is vastgesteld dat de aan [uitzendkracht] toegekende WAO-uitkering niet mee zou tellen bij de berekening van de gedifferentieerde premie voor 2007. Nu die uitspraak onherroepelijk is geworden staat daarmee volgens belanghebbende ook vast dat die WAO-uitkering in latere jaren niet meer van belang kan zijn.

4.2.2. Uit de hiervoor onder 2.2. geciteerde brief blijkt dat belanghebbende in 2007 bezwaar heeft gemaakt omdat [uitzendkracht] bij haar niet bekend was. De inspecteur heeft gesteld dat [instantie] in het kader van de beoordeling van het bezwaar over 2007 heeft meegedeeld dat [uitzendkracht] niet werkzaam was geweest bij belanghebbende en dat om die reden het bezwaar over 2007 gegrond is verklaard, maar dat deze gegevens achteraf onjuist bleken te zijn. Volgens de inspecteur is het bezwaar over 2007 ten onrechte gegrond verklaard.

4.2.3. De beschikking gedifferentieerde premie is een beschikking die wordt genomen op grond van het bepaalde in artikel 38, tweede lid van de Wet Wfsv. Het betreft een jaarlijks te nemen beschikking naar de feiten en omstandigheden die voor dat betreffende jaar bepalend zijn. Ieder jaar moet op zijn eigen merites worden beoordeeld. De inspecteur is daarom bij de vaststelling van een beschikking voor een bepaald jaar in beginsel niet gebonden aan het voor een eerder jaar ingenomen standpunt.

4.2.4. Voorzover belanghebbende heeft bedoeld dat de bezwaarprocedure over 2007 bij haar het in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat de aan [uitzendkracht] toegekende WAO-uitkering niet mee zou tellen bij de berekening van de gedifferentieerde premie, heeft het volgende te gelden. Ter zitting heeft belanghebbende erkend dat [uitzendkracht] bij haar bekend was. Uit de stukken blijkt ook dat belanghebbende bekend was met de aanvraag van een WAO-uitkering voor [uitzendkracht]. De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat de beslissing van de inspecteur in de bezwaarprocedure over 2007 op een fout berustte en dat belanghebbende dat wist of had kunnen weten. In een geval waarbij belanghebbende weet, of redelijkerwijs behoorde te weten, dat de aan het standpunt van de inspecteur ten grondslag liggende feiten onjuist zijn, kan er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn van in rechte te honoreren opgewekt vertrouwen.

4.3.1. Belanghebbende stelt zich voor dat geval op het standpunt dat de verhoging van de gedifferentieerde premie, vanwege de aan [uitzendkracht] toegekende WAO-uitkering, ten onrechte ook is toegepast op de administratieve eenheid L02, waarin de administratie van het vaste personeel van belanghebbende is ondergebracht.

4.3.2. Artikel 38 van de Wet Wfsv bepaalt, voor zover van belang, het volgende:

“ (…) Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde lid, kan worden bepaald dat de opslag of korting voor een werkgever dan wel voor categorieën van werkgevers wordt vastgesteld, waarbij de korting of opslag voor categorieën van werkgevers kan verschillen of op nihil kan worden vastgesteld. Indien een werkgever met toepassing van de artikelen 96 of 97 is aangesloten bij verschillende sectoren, wordt voor elk bedrijfsonderdeel van de werkgever waar werkzaamheden worden verricht die behoren tot een afzonderlijke sector, de opslag of korting toegepast als was dat bedrijfsonderdeel een afzonderlijke werkgever. (…)”

Artikel 95 van de Wet Wfsv bepaalt :

“1. Bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van Financiën en nadat hij [instantie] in de gelegenheid heeft gesteld daarover advies uit te brengen, wordt het bedrijfs- en beroepsleven ingedeeld in sectoren, waarbij elke sector één of meer takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan omvat en kan een sector worden onderverdeeld in sectoronderdelen, waarbij elk sectoronderdeel de bedrijfsactiviteiten van één of meer werkgevers omvat.

2. Indien een sector in sectoronderdelen is ingedeeld, stelt de inspecteur ten aanzien van elke bij de betrokken sector aangesloten werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking vast bij welk sectoronderdeel de werkgever behoort of bij welk sectoronderdeel de werkzaamheden die hij doet verrichten, behoren.”

Artikel 96 van de Wfsv bepaalt:

“1. Een werkgever is van rechtswege aangesloten bij de op grond van artikel 95 vastgestelde sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet verrichten.

2. Indien een werkgever werkzaamheden doet verrichten die behoren tot verschillende sectoren, is hij van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe de werkzaamheden behoren waarvoor hij als werkgever in de regel het grootste bedrag aan premieplichtig loon betaalt of vermoedelijk zal betalen.

3. Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen met betrekking tot de aansluiting van een of meer categorieën van werkgevers bij een sector regels worden gesteld die afwijken van het eerste of tweede lid.”

Artikel 97 van de Wfsv bepaalt:

“1. De werkgever die op grond van artikel 96 bij een sector is aangesloten of ophoudt bij een sector aangesloten te zijn, doet daarvan binnen twee weken schriftelijk melding bij de inspecteur.

2. De inspecteur deelt een werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking mee, bij welke sector en vanaf welke datum hij op grond van artikel 96 is aangesloten.

3. In afwijking van artikel 96, tweede lid, beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking ambtshalve of op verzoek dat een werkgever met ingang van een door de inspecteur aan te geven datum voor door de inspecteur aan te wijzen werkzaamheden is aangesloten bij een andere sector dan de sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij overigens doet verrichten.”

4.3.3. De premie is per werkgever verschuldigd (artikel 34, eerste lid, Wet Wfsv). Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de hiervoor geciteerde bepalingen dat slechts in het geval de werkgever met toepassing van de artikelen 96 of 97 van de Wet Wfsv is ingedeeld bij verschillende sectoren, voor elk bedrijfsonderdeel een aparte gedifferentieerde premie wordt vastgesteld. Nu deze situatie niet op belanghebbende van toepassing is - de administratieve eenheden zijn geen bedrijfsonderdelen in vorenstaande zin - heeft de inspecteur voor het onderhavige jaar terecht één gedifferentieerde premie voor belanghebbende vastgesteld.

4.4.1. Belanghebbende heeft tevens een aantal standpunten naar voren gebracht die er, kort gezegd, op neer komen dat geconcludeerd moet worden tot onverbindendverklaring van het Besluit Wfsv voor zover bij berekening voor de korting en de opslag op de gedifferentieerde premie rekening wordt gehouden met WAO-uitkeringen.

4.4.2. Ingevolge artikel 38, vierde lid, onder a, b en c, van de Wet Wfsv kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (hierna: Amvb) nadere regels worden gesteld omtrent:

a. de wijze waarop het rekenpercentage en het gemiddeld percentage worden vastgesteld bij de berekening van de gedifferentieerde premie

b. de wijze waarop de opslag en korting worden vastgesteld bij de gedifferentieerde premie

c. de minimaal en maximaal voor werkgevers geldende premiepercentages.

Voornoemde regels zijn uitgewerkt in artikel 2.6 tot en met 2.13 van het Besluit Wfsv. Bij besluit van 7 augustus 2007, in de Staatscourant gepubliceerd als het Besluit gedifferentieerde premie Werhervattingskas 2008 (Stcrt. 29 augustus 2007, nr. 166/pag. 26, hierna: Besluit Werkhervattingskas 2008), zijn de premies en parameters voor de berekening van de gedifferentieerde premie vastgesteld. Voorts heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij ministeriële regeling van 11 juli 2007 (Stcrt. 20 juli 2007, nr. 138/pag. 22, hierna: de Regeling) de opslag op de gemiddelde premie, zoals bedoeld in artikel 2.8, tweede lid van het Besluit Wfsv, voor het jaar 2008 vastgesteld.

4.4.3. Anders dan belanghebbende meent, is het Besluit Wfsv naar het oordeel van de rechtbank een Amvb als bedoeld in artikel 38 van de Wet Wfsv. Volgens artikel 2.9, tweede lid, van het Besluit Wfsv wordt bij de berekening van de opslag en korting in het kader van het vaststellen van de gedifferentieerde premie uitdrukkelijk rekening gehouden met aan de werkgever toe te rekenen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Anders dan belanghebbende is de rechtbank van oordeel dat artikel 38, vierde lid, van de Wet Wfsv aan de besluitnemer de ruimte laat andere uitkeringen dan WGA-uitkeringen in de bepaling van het percentage van de gedifferentieerde premie te betrekken. Dat dat ook de bedoeling was van de wetgever blijkt uit de Memorie van Toelichting bij de Invoeringswet Wet WIA, waarin onder meer is gesteld:

“Uitgaande van de wens om vanaf 2007 premiedifferentiatie in de WGA toe te passen, is vervolgens bezien hoe dat in de aanvangsjaren kan worden vormgegeven. Het is mogelijk in de aanvangsjaren het risicopercentage WGA (i.c. de opslagen en kortingen) mede te bepalen aan de hand van gerealiseerde WAO-lasten. Daartegen kan echter een aantal bezwaren worden ingebracht. Ten eerste worden de WAO-lasten al doorberekend aan de werkgever, namelijk via de premiedifferentiatie Pemba. Hantering van deze lasten bij de WIA-premiedifferentiatie betekent dat werkgevers hier feitelijk tweemaal mee worden geconfronteerd. De WAO-lasten gelden immers als basis voor de aan hen toe te rekenen arbeidsongeschiktheidslasten in zowel het oude als het nieuwe stelsel. Overigens geldt ter nuancering van dit bezwaar dat de WAO-instroom in 2005 beperkt en vanaf 2006 nagenoeg nihil is, zodat het doorberekenen van WAO-lasten in het eigenrisicodragen en de premiedifferentiatie WAO steeds geringer van omvang wordt.

Ten tweede kent de WAO geen onderscheid tussen volledig en duurzaam arbeidsongeschikten en gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Door ongecorrigeerde WAO-lasten door te berekenen in de WGA-financiering, wordt geen recht gedaan aan het in het wetsvoorstel WIA juist ten principale onderscheiden van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid en volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid.

De regering heeft bovenstaande bezwaren onderkend, maar acht de argumenten vóór hantering van premiedifferentiatie in de aanvangsjaren van groter gewicht. Dit betekent dat noodzakelijkerwijs WAO-lasten worden betrokken bij de publieke WGA- en IVA-premiestelling in de aanvangsjaren. Bedacht zij dat verzekeraars hun premies eveneens mede zullen baseren op het schadeverleden van bedrijven en dus op in het verleden gerealiseerde WAO-lasten. Het betrekken van WAO-lasten bij de bepaling van de gedifferentieerde WGA- en IVA-premies beperkt bovendien de financiële consequenties van de overgang van het WAO- op het WIA-premieregime en voorkomt een schoksgewijze premieontwikkeling bij die overgang.

Het hanteren van uitsluitend WAO-lasten bij de bepaling van het risicopercentage WGA, doet zich alleen voor in 2007 en is daarmee in de tijd beperkt. Vanaf 2008 zal het risicopercentage WGA immers worden vastgesteld op basis van een combinatie van gerealiseerde WAO-lasten en gerealiseerde WGA-lasten, waarbij de WGA-lasten in ieder navolgend jaar een groter onderdeel vormen.” (Tweede kamer, vergaderjaar 2004-2005, 30 118, nr. 3, p. 17-19)

4.4.4. Artikel 38 van de Wet Wfsv bepaalt dat ‘bij of krachtens’ Amvb nadere regels worden gesteld. Artikel 2.8, tweede lid, van het Besluit Wfsv bepaalt dat de gemiddelde premie, bedoeld in het eerste lid, kan worden verhoogd met een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage. De Regeling is de uitwerking van de in voornoemde artikelen vervatte delegatiemogelijkheid. De rechtbank is van oordeel dat het in de Regeling vermelde opslagpercentage blijft binnen de door de wetgever en de besluitnemer gestelde grenzen. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank eveneens te gelden voor de in het Besluit Werkhervattingskas 2008 vermelde premies en parameters voor de berekening van de gedifferentieerde premie.

4.5. Belanghebbendes beroep op het discriminatieverbod van de artikelen 26 IVBPR en 14 EVRM faalt. Belanghebbende heeft gesteld dat voor haar de gedifferentieerde premie hoger uitkomt dan voor werkgevers die privaat verzekerd zijn, omdat bij die laatste groep de WAO-uitkeringen niet worden meegerekend. Belanghebbende heeft ook verwezen naar de restitutie van de opslag aan eigenrisicodragers. Naar het oordeel van de rechtbank is de situatie van privaat verzekerde werkgevers en eigenrisicodragers zodanig afwijkend van die van publiek verzekerde werkgevers, dat niet van gelijke gevallen gesproken kan worden en is geen sprake van schending van genoemde verdragsbepalingen.

Conclusie

4.6. Niet in geschil is dat de gedifferentieerde premie is vastgesteld overeenkomstig de daarvoor geldende wet- en regelgeving. Al het vorenoverwogene leidt dan tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard voor zover het de uitspraak op bezwaar betreft ter zake van die gedifferentieerde premie en niet-ontvankelijk voor zover het betreft de uniforme premie.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond voorzover het de bestreden uitspraak op bezwaar betreft; en

- niet-ontvankelijk voor het overige.

Aldus gedaan door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr. dr. M.J.G.A.M. Weerepas, rechters, en door de voorzitter en mr. M. Jansen, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.