Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BI2181

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
24-04-2009
Datum publicatie
24-04-2009
Zaaknummer
02-635040-07
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BM0025, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als jager op een jachtterrein met een geweer een kogel afgevuurd waardoor het slachtoffer, op een afstand van ongeveer 300 meter, is geraakt. Het slachtoffer is als gevolg van de schotverwonding enige dagen later overleden. De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat verdachte het slachtoffer niet heeft gezien. Bovendien is er onvoldoende steun voor de stelling dat het slachtoffer is getroffen door een rechtstreeks schot en kan de juistheid van verdachtes verklaring, dat sprake is geweest van een ricochet, niet worden uitgesloten. Geen (voorwaardelijk) opzet op de dood of zwaar lichamelijk letsel. Wel is er sprake van dood door schuld, omdat verdachte schoot met een geweer met een reikwijdte van ten minste 1.500 meter. Van verdachte, een ervaren jager, had verwacht mogen worden dat hij zich realiseerde dat er mensen op het terrein aanwezig konden zijn, dat hij schoot met een vuurwapen met een grote reikwijdte en dat de aanwezige ruigte onvoldoende was als kogelvanger voor de gebruikte munitie uit een geweer. Er is sprake van onbewuste schuld. Het handelen van verdachte was aanmerkelijk onvoorzichtig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 635040-07 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 april 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. Koningsveld, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 8, 9 en 10 april 2009, waarbij de officier van justitie, mr. Van Delft, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] heeft gedood dan wel dat hij haar opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, terwijl het feit de dood tot gevolg heeft gehad, dan wel dat door zijn schuld [slachtoffer] is overleden doordat verdachte met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd op of in de richting van die [slachtoffer].

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] heeft gedood. Volgens de officier van justitie is op grond van het tactisch onderzoek komen vast te staan dat [slachtoffer] is getroffen door een kogel die door verdachte is afgevuurd. Daarbij is gewezen op onder meer de verklaring van het slachtoffer en de verklaringen van verdachte zelf.

Het causaal verband tussen het door verdachte geloste schot en het overlijden van [slachtoffer] baseert de officier van justitie op het pathologisch rapport, uitgebracht door dr. [naam] van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

De verklaring van verdachte, dat hij op een duif heeft en geschoten en dat de kogel vervolgens is gericocheerd, waarna [slachtoffer] door de kogel moet zijn getroffen, acht de officier van justitie ongeloofwaardig. Hij baseert zich daarbij onder meer op technische rapporten van het NFI die zijn standpunt zouden ondersteunen. Volgens de officier van justitie heeft verdachte nooit op een duif geschoten, maar is [slachtoffer] rechtstreeks getroffen door een kogel die is afgevuurd door verdachte.

De officier van justitie kwalificeert het handelen van verdachte als doodslag. Verdachte heeft geschoten in de richting van een gebied waar mensen kunnen lopen. In het verlengde van dat gebied ligt het bedrijventerrein [naam] en een woonwagenkampje. Verdachte heeft deze gebieden met het door hem gebruikte wapen van het kaliber .222 en munitie van datzelfde kaliber gemakkelijk kunnen bereiken.

Naar de mening van de officier van justitie is er sprake van voorwaardelijk opzet op levensberoving. De kans dat er iemand zou worden getroffen door de kogel van verdachte is, gelet op de reikwijdte van de kogel, de hoogte waarop geschoten is, namelijk een hoogte waarop zich bij mensen vitale organen bevinden, en het gebied waarop de kogel is afgevuurd, als aanmerkelijk te beschouwen. Gesteld wordt dat verdachte zich daarmee willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg, levensberoving, zal intreden. Deze aanmerkelijke kans heeft verdachte aanvaard.

De officier van justitie voelt zich in zijn opvatting gesteund door een uitspraak van het Hof Amsterdam van 8 september 2008 (LJN: BF0887).

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair en subsidiair ten laste gelegde en heeft verzocht verdachte vrij te spreken.

Ten aanzien van het primair en eerste subsidiair is het volgende aangevoerd.

Verdachte beschikt al jarenlang over een jachtakte en hij is een zeer geoefend en ervaren jager. Het jachtterrein nabij de Bavelse berg is kennelijk ook uitermate geschikt voor de jacht op het kleinere wild en is daartoe ook aangewezen.

Zoals gebruikelijk, is verdachte in de jachthut gaan zitten nadat hij lokvogels op een akkerland had uitgezet. Tijdens het wachten op het wild heeft verdachte met zijn verrekijker de omgeving gecontroleerd op eventuele passanten. Rond 15.00 uur zag hij dat een duif in de buurt van de lokvogels ging zitten. Verdachte heeft, vanuit de jachthut, aangelegd en een schot gelost. Die kogel is gericocheerd. Naar later bleek heeft de kogel [slachtoffer] verwond, aan welke verwonding zij uiteindelijk is overleden.

De verdediging leest de rapporten van het NFI aldus, dat op de jas van [slachtoffer] een vuilzoom is aangetroffen en dat de kogel moet zijn gericocheerd op een hard trefmedium waarbij voorbeelden genoemd zijn van steen, metaal, glas of hout. Het rapport past exact in de verklaring van verdachte dat hij iets heeft zien opspatten, wat duidt op de ricochet met een hard voorwerp.

Op basis van de bevindingen van het NFI en gelet op de positie van verdachte kan de conclusie enkel en alleen zijn dat verdachte niet rechtstreeks op het slachtoffer heeft geschoten, zelfs niet heeft kunnen schieten. Daartoe heeft verdachte ook geen enkele reden gehad, laat staan een motief.

Evenmin kan worden geconcludeerd dat verdachte zou hebben geschoten in de richting van een onoverzichtelijk terrein dan wel het bedrijventerrein [naam]. Verdachte heeft enkel in de richting geschoten van het doel, zijnde de duif.

De verdediging heeft gewezen op de bevindingen van de rechtbank tijdens de gehouden schouwen waarbij geconstateerd is dat het slachtoffer heel slecht te zien moet zijn geweest.

Aangevoerd is dat geen sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Uit geen enkele omstandigheid is af te leiden dat verdachte op een laakbare wijze grovelijk essentiële veiligheidsmaatregelen heeft veronachtzaamd. De kans dat een kogel ricocheert is ook volstrekt verwaarloosbaar en had niet als een reële mogelijkheid meegenomen behoeven te worden.

Ten aanzien van het tweede subsidiair ten laste gelegde, de dood door schuld, is aangevoerd dat het enkel afvuren van een kogel met een vuurwapen op een jachtterrein niet is te kwalificeren als roekeloos of aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een open en overzichtelijk terrein en dat verdachte, die over een jachtvergunning beschikt en als een zeer ervaren jager kan worden beschouwd, met een zeer grote regelmaat met een verrekijker het terrein heeft gecontroleerd.

Geconcludeerd wordt dat sprake is geweest van een bizar ongeluk.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

Op 22 november 2007 is omstreeks 15.00 uur een melding binnengekomen bij de meldkamer van de politie van [slachtoffer] . Hierbij heeft zij aangegeven dat zij was neergeschoten op het bedrijventerrein [naam] in Breda. Korte tijd later is zij op een dam nabij de Bavelse berg door hulpdiensten gevonden waarna zij onmiddellijk naar het ziekenhuis is vervoerd. Diezelfde avond heeft zij bij de politie verklaard dat zij haar honden aan het uitlaten was en dat op een gegeven moment haar zicht richting boerderij gericht was. Uit deze verklaring begrijpt de rechtbank dat dit de boerderij is van de familie [naam], gelegen aan de [adres]. [slachtoffer] hoorde een knal en daarna voelde zij iets in haar linker zij. Zij zag en voelde bloed aan haar verwondingen.

Op 26 november 2007 heeft de politie van een GGD-arts de melding gekregen dat [slachtoffer] eerder die nacht omstreeks 02.46 uur was overleden.

Op verzoek van het Openbaar Ministerie heeft dr. [naam], arts-patholoog, verbonden aan het NFI, pathologisch onderzoek verricht. In zijn rapport zijn door [dr. naam] twee huiddefecten omschreven. Er was aan de links-/voorwaartse zijde van de borst en op 109 cm afstand van de voetzoolrand een scherprandig, vrijwel rond huiddefect. Aan de voetwaartse zijde hiervan werd een onderhuids aanwezig perforatiekanaal gezien. Aan de rugzijde, op 106 cm afstand van de voetzoolrand werd een vrijwel rond huiddefect gezien, ook tamelijk scherprandig.

Ten aanzien van de doodsoorzaak is geconcludeerd dat er geen sprake was van reeds bestaande ziekelijke orgaanafwijkingen die het intreden van de dood zouden kunnen verklaren of hiervoor een betekenis zouden kunnen zijn geweest. Ook waren er geen abnormale verwikkelingen van de operatie die het intreden van de dood zou kunnen verklaren. Het hart toonde ernstige afwijkingen, welke hartfunctiestoornis en het overlijden kunnen verklaren. Deze afwijkingen zijn recent ontstaan en worden opgevat als verwikkeling van de opgelopen schotletsels.

Op verzoek van de verdediging heeft dr. [naam] zich in een aanvullend rapport nader uitgelaten over zijn conclusie. Hierbij is aangegeven dat er sprake is geweest van een infarcering van het hart “tussen de 3 en 12 uur oud”. Dit betekent dat “tussen de 3 en 12 uur” voor het intreden van de dood infarcering (versterf) van het hart ontstond.

Ter zitting heeft dr. [naam] verklaard dat de hartafwijkingen recent zijn ontstaan en verwikkelingen zijn van de doorschotverwondingen. De kans dat dit is ontstaan voor het schietincident is naar de mening van de getuige-deskundige verwaarloosbaar. Ter zitting is geconcludeerd dat de dood kan worden toegerekend aan de schotverwonding en de verwikkelingen die daarna zijn ontstaan.

Voor de rechtbank staat hiermee vast dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van de schotverwondingen en de verwikkelingen die daarna zijn ontstaan.

Verder staat voor de rechtbank vast dat de schotverwonding is veroorzaakt door verdachte. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij omstreeks 15.00 uur met een kogelgeweer .222 op het terrein achter de boerderij van de familie [naam] aan de [adres] vanuit een achter die boerderij gelegen jachtkeet heeft geschoten. Uit de verklaring van [slachtoffer] (zie voetnoot 2) blijkt dat zij rond dat tijdstip slechts één schot heeft gehoord.

Is sprake van (voorwaardelijk) opzet?

De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of sprake is van doodslag, dan wel van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, de dood tot gevolg hebbend, dan wel dat door de schuld van verdachte [slachtoffer] is overleden.

Doodslag impliceert een (voorwaardelijk) opzettelijk handelen. Dat verdachte opzettelijk met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd op [slachtoffer] met de bedoeling haar te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen is de rechtbank niet gebleken. Ook de officier van justitie is niet uitgegaan van deze vorm van opzettelijk handelen van verdachte.

Met betrekking tot het voorwaardelijk opzet overweegt de rechtbank het volgende.

Zoals de Hoge Raad ook in haar arrest van 25 maart 2003 (NJ 2003, 552) heeft overwogen is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip "aanmerkelijke kans" afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.

Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.

Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Zowel ter zitting (zie voetnoot 7) als bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij vanuit de jachtkeet met een verrekijker het jachtterrein steeds heeft bekeken. Op een gegeven moment heeft verdachte een duif gespot die dicht bij de door hem uitgezette lokkraaien is gaan zitten. Verdachte heeft zijn .222 Remmington kogelgeweer met daarin .222 munitie vanuit de jachtkeet aangelegd en vervolgens heeft hij geschoten op de duif. Verklaard is dat hij daarbij rekening heeft gehouden met de wind. Volgens verdachte heeft de kogel de duif geschampt. Verdachte zag dat het zand van de grond opspatte.

Verder heeft verdachte uitdrukkelijk verklaard dat hij het slachtoffer of haar honden niet heeft zien lopen. Het strafdossier bevat geen bewijsmiddelen waaruit het tegendeel blijkt.

De verklaring van verdachte dat hij het slachtoffer niet heeft zien lopen acht de rechtbank aannemelijk. Tijdens de tweede schouw op 6 november 2008 op het jachtterrein is een deel van de route die door [slachtoffer] is gelopen voordat zij door de kogel werd getroffen, gelopen door [naam], parketsecretaris. Zij verklaarde ongeveer 1.65 meter lang te zijn en dus van ongeveer dezelfde lengte als van [slachtoffer]. Mevrouw [naam] droeg een trui met een kleur die ongeveer hetzelfde was als de kleur van de jas die [slachtoffer] destijds heeft gedragen. Door de rechtbank - die wist waar mevrouw [naam] ongeveer moest lopen - werd geconstateerd dat mevrouw [naam] heel slecht te zien was. Pas wanneer zij met haar gezicht in de richting van de jachtkeet stond, was zij te zien. Als zij met haar gezicht in een andere richting stond was zij niet te zien. Ook met een verrekijker was zij alleen te zien wanneer zij met haar gezicht in de richting van de jachtkeet stond en wanneer zij zwaaide.

Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij het slachtoffer niet heeft gezien, aannemelijk. Hieruit volgt dat niet kan worden bewezen dat verdachte op de middag van 22 april 2007 wist dat [slachtoffer] zich op of in de onmiddellijke nabijheid van het jachtterrein bevond.

Verder heeft verdachte aangevoerd dat de kogel is gericocheerd. Ter zitting zijn hierover diverse (getuige-)deskundigen gehoord.

De getuige-deskundige [dr. naam] (zie hiervoor voetnoot 6) heeft verklaard dat sprake is geweest van een vrij horizontaal perforatiekanaal, ervan uitgaande dat het lichaam van het slachtoffer overeind stond. Verder is verklaard dat de kogel in het lichaam geen harde structuur heeft geraakt. Op een vraag van de rechtbank of de getuige-deskundige kan aangeven of de kogel als gevolg van een eventuele ricochet in het lichaam van het slachtoffer is getuimeld, heeft dr. [naam] verklaard dat hij dat niet kan aangeven. Wel is daarbij aangegeven dat, als de kogel al in het lichaam is getuimeld, deze recht is getuimeld, zonder te veranderen van baan.

Op verzoek van het Openbaar Ministerie is op 13 februari 2009 gerapporteerd door ing. [naam] van het NFI. Daarbij is de vraag voorgelegd of door middel van schietproeven onderzocht kan worden of er bij het schietincident op 22 november 2007 wel of niet sprake is geweest van een ricochet zoals de verdachte heeft verklaard. In het rapport wordt de conclusie getrokken dat de in de jas van het slachtoffer aangetroffen vrijwel zekere inschotbeschadiging kan zijn veroorzaakt door een direct schot of een indirect schot (projectiel gericocheerd). Indien de beschadiging in de jas van het slachtoffer een indirecte (gericocheerde) inschotbeschadiging betreft, is het waarschijnlijker dat het projectiel gericocheerd is op een hard trefmedium (zoals steen, metaal, glas of hout) dan op de aarde van het plaats delict.

Verder is ter zitting van 10 april 2009 als deskundige gehoord de heer [naam], forensisch wapendeskundige bij het NFI. Door de deskundige is verklaard dat, wanneer een kogel een object raakt, diverse aspecten een rol spelen. De kogel zal snelheid verminderen, van richting veranderen en, afhankelijk van wat de kogel treft, aan energie verliezen. Op een vraag wat de reactie van een kogel is wanneer deze op zand ricocheert is het volgende verklaard. Een kogel met een softnose punt heeft aan de bovenkant een klein stukje lood zitten. Dat stukje lood vervormt als een paddenstoel wanneer deze een object raakt. Als de hoek waaronder het projectiel het object raakt heel flauw is, bestaat de mogelijkheid dat het projectiel het object alleen met de zijkant raakt en niet met de punt zodat geen paddenstoel ontstaat. Wel verliest de kogel dan snelheid.

Ter zitting is deze deskundige ook geconfronteerd met de zogenaamde gelatineproef (het NFI-rapport van 20 december 2007) en de constatering dat sprake is geweest van gladde, scherprandige uitschotverwonding. Desgevraagd heeft de deskundige aangegeven dat ook wanneer sprake is van een paddenstoelvervorming van het projectiel, dit een mooie uitschotwond kan opleveren.

Ten slotte heeft de deskundige aangegeven dat hij zich kan vinden in de conclusie van de getuige-deskundige dat de in de jas van het slachtoffer aangetroffen inschotbeschadiging kan zijn veroorzaakt door een direct schot of een indirect schot.

De hiervoor aangehaalde technische rapporten en de verklaringen van de (getuige-) deskundigen ter zitting bieden onvoldoende steun voor het standpunt van de officier van justitie dat [slachtoffer] is getroffen door een rechtstreeks schot en sluiten naar het oordeel van de rechtbank niet uit dat de verklaring van verdachte dat sprake is van een ricochet, juist is. Dit betekent dat niet kan worden gezegd dat de verklaring van verdachte als onaannemelijk van de hand moet worden gewezen.

De omstandigheid dat verdachte heeft verklaard dat hij, nadat hij geschoten heeft, de lokkraaien is gaan halen, terwijl ter zitting door de getuige [naam] is verklaard dat door de politie met jachtopzichters in linie het terrein is afgezocht naar eventuele sporen en dat in het gedeelte vanaf de jachthut tot aan het zogenaamde “vuil” zijn geen voetsporen zijn aangetroffen, doet hier niet aan af.

Gelet op wat hiervoor is overwogen kan naar het oordeel van de rechtbank niet geconcludeerd worden dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg, het raken en het dientengevolge komen te overlijden van [slachtoffer], zou intreden en die kans bewust heeft aanvaard. Op grond hiervan kan naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake zijn van voorwaardelijk opzet zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van wat hem primair en eerste subsidiair is tenlastegelegd.

Door de officier van justitie is ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet nog gewezen op een uitspraak van het Hof te Amsterdam. De rechtbank is echter van oordeel dat daar sprake is van een andere situatie. In die zaak is het de verdachte geweest die willens en wetens de gevaarzettende situatie in het leven heeft geroepen door met een doorgeladen wapen een gevecht aan te gaan en dat wapen als slagwapen te gebruiken.

Ten aanzien van het tweede subsidiair tenlastegelegde overweegt de rechtbank het volgende.

De vraag is of het aan de schuld van verdachte te wijten is dat [slachtoffer] een schotverwonding heeft opgelopen of dat sprake was van een ongeval.

In de rechtspraak wordt onderscheid gemaakt in verschillende vormen van schuld. Onder meer wordt een onderscheid gemaakt tussen bewuste en onbewuste schuld. Er is sprake van bewuste schuld indien de dader het gevolg heeft voorzien maar er op vertrouwde dat hij het gevolg wel kon vermijden. Onder onbewuste schuld wordt in de rechtspraak verstaan het geval dat de dader zich het gevolg of de betreffende omstandigheden helemaal niet heeft voorgesteld. Hij had dit echter kunnen en behoren te doen en hij had dan vervolgens het gevolg kunnen vermijden.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van enige schuldvorm bij de verdachte gaat de rechtbank uit van het volgende.

Ter zitting heeft verdachte verklaard (zie voetnoot 7) dat hij een jarenlange jachtervaring heeft en dat hij ongeveer 10 jaar op het perceel bij de Bavelse berg jaagt vanuit de jachtkeet. Een groot gedeelte van het jaar komt verdachte daar meerdere keren per week om te jagen op klein wild. Aangegeven is dat hij het terrein kent. Ook is verklaard dat hij mensen heeft zien lopen tussen het daar gelegen water en de Bavelse berg in. Ook weet verdachte dat er een woonwagenkampje is en dat er een bedrijventerrein is gelegen achter de ruigte. Boven op de Bavelse berg heeft verdachte regelmatig mensen zien lopen. Verder heeft verdachte verklaard dat hij weet dat er een ruigte van onkruid is - ook wel de troep genoemd - waar je niet doorheen kunt kijken.

Voor de rechtbank is komen vast te staan dat het terrein waar gejaagd is voor het publiek toegankelijk is. Er is sprake van een openbaar terrein waar zich ook regelmatig mensen bevonden. Verdachte wist dit. Verder staat voor de rechtbank vast dat verdachte het terrein, gezeten in de jachthut, door zijn beperkte blikveld en door de ruigte, niet helemaal heeft kunnen overzien en dat hij om die reden [slachtoffer], die op een afstand van ongeveer 300 meter van de jachthut liep toen zij werd getroffen, niet heeft gezien.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet had mogen schieten met een kogelgeweer met een reikwijdte van ten minste 1.500 meter. Van verdachte, een ervaren jager, had verwacht mogen worden dat hij zich realiseerde dat er mensen in het gebied aanwezig konden zijn, dat hij schoot met een vuurwapen met een grote reikwijdte en dat de aanwezige ruigte onvoldoende was als kogelvanger voor dergelijke zware munitie uit een kogelgeweer. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte, weliswaar het gevolg niet heeft voorzien, maar dat hij dat echter had kunnen en behoren te doen en het gevolg vervolgens wel had kunnen voorkomen. Er is dus sprake van onbewuste schuld bij verdachte.

In dit kader wijst de rechtbank nog op de verklaring van de door de rechter-commissaris in strafzaken gehoorde getuige-deskundige [naam] . Deze deskundig heeft verklaard dat een jager zich er van dient te vergewissen of er wel of geen mensen rondlopen en of er paden of wegen zijn en dat er een geschikte kogelvanger is. Verder is aangegeven dat een kogelvanger, bestaande uit een struikgewas of een begroeiing van lichthout onvoldoende is. Door de getuige-deskundige is verklaard dat hij daar zelf niet zou schieten met een kogelgeweer.

De rechtbank kwalificeert het handelen van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig. Gelet hierop kan wat verdachte als tweede subsidiair is ten laste gelegd, wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

(tweede subsidiair)

op 22 november 2007 te Breda, zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen

door op een tijdstip gelegen omstreeks 15.00 uur met een vuurwapen een kogel

af te vuren in de richting van een voor hem, verdachte, onoverzichtelijk

terrein, zonder daarbij zich ervan vergewist te hebben dat op dat terrein geen

perso(o)n(en) aanwezig was/waren, waardoor het aan zijn schuld te wijten is

geweest dat een persoon genaamd [slachtoffer], die zich op voornoemd terrein

bevond, zodanig letsel, te weten schotverwondingen in de buik, heeft bekomen,

dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht, de doodslag, aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren. Daarbij is gesteld dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een van de zwaarste misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht. Bij zijn vordering heeft de officier van justitie rekening gehouden met de houding van verdachte tijdens het politieonderzoek en ter zitting. Verder heeft de officier van justitie rekening gehouden met de leeftijd van verdachte en het blanco strafblad.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat verdachte op leeftijd is en dat hij kampt met een slechte gezondheid. Verder is aangevoerd dat verdachte voor het leven is gebrandmerkt en getekend door dit feit. Hij heeft nimmer de dood van [slachtoffer] gewild. De verdediging houdt het er voor dat sprake is geweest van een vreselijk tragisch ongeluk. Naar de mening van de verdediging dient volstaan te worden met het opleggen van een geheel voorwaardelijke straf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan dood door schuld van [slachtoffer].

Op 22 november 2007 heeft verdachte op een onoverzichtelijk terrein bij de Bavelse berg in Breda met een verdragend kogelgeweer geschoten. Op dat moment liet [slachtoffer] daar haar twee honden uit. Zij werd geraakt door de door verdachte afgevuurde kogel. Enkele dagen na opname in het ziekenhuis is [slachtoffer] als gevolg van de kogelwond en de verwikkelingen die daarna zijn opgetreden, overleden.

Verdachte heeft, als ervaren jager, aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld door met een kogelgeweer met een grote reikwijdte te schieten in een gebied waar mensen konden lopen. Door zijn optreden heeft verdachte niet gehandeld conform de regels die daarvoor gelden in de jachtwereld.

De gevolgen van het handelen van verdachte zijn enorm tragisch. Het leed dat de dood van [slachtoffer] in haar omgeving heeft veroorzaakt is groot en onomkeerbaar. Deze gevolgen zijn te wijten aan het gedrag van verdachte. De rechtbank neemt dit verdachte dan ook zeer kwalijk.

Ook neemt de rechtbank verdachte kwalijk dat hij pas eind januari 2008, derhalve 2 maanden na de dood van [slachtoffer], openheid van zaken heeft gegeven.

Enerzijds moet worden vastgesteld dat verdachte lang heeft volhard in zijn ontkenning iets met de dood van [slachtoffer] te maken hebben gehad, anderzijds acht de rechtbank het voorstelbaar dat verdachte zijn eenmaal ingeslagen weg heeft voortgezet.

Door zijn houding heeft verdachte onnodig veel leed veroorzaakt. Niet alleen bij de nabestaanden van het slachtoffer, maar ook mensen in de eigen directe omgeving van verdachte. De rechtbank noemt hierbij met name de familie [naam] die ook op een gegeven moment als verdachten zijn aangemerkt. Ook heeft verdachte mevrouw [naam] ertoe aangezet bewijsmateriaal weg te werken.

De officier van justitie is bij zijn eis uitgegaan van een bewezenverklaring van doodslag.

Nu de rechtbank slechts de dood door schuld bewezen acht, kan van een langdurige gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie is gevorderd, geen sprake zijn.

Bij de bepaling van de soort en de hoogte van de strafmaat heeft de rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met de leeftijd van verdachte en zijn slechte gezondheid, zoals onder meer ook gebleken tijdens de gehouden zittingen. Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte een blanco strafblad heeft.

Gelet op deze bijzondere omstandigheden acht de rechtbank een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet op zijn plaats. De rechtbank zal verdachte een taakstraf opleggen voor het maximum aantal uren en, gelet op de ernst van het feit, daarnaast een gevangenisstraf waarvan een groot gedeelte voorwaardelijk zal zijn, wat betekent dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam] vordert een schadevergoeding van € 10.318,53.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde bedrag is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde en in bijlage B bij dit vonnis vermelde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8.2 De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde en in bijlage B bij dit vonnis vermelde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

Gebleken is dat die voorwerpen aan verdachte toebehoren en het feit is begaan met betrekking tot deze voorwerpen.

8.3 De teruggave aan de rechthebbenden

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde en in bijlage B vermelde in beslag genomen voorwerpen aan de diverse rechthebbenden, omdat deze redelijkerwijs als rechthebbenden kunnen worden aangemerkt.

8.4 De bewaring ten behoeve van de rechthebbenden

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de hierna in de beslissing genoemde en in bijlage B vermelde in beslag genomen voorwerpen, aangezien thans niemand als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 27, 33, 33a, 36f en 307 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder primair en eerste subsidiair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

(tweede subsidiair) aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 293 dagen, waarvan 270 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (bijlage B) zijn genummerd 1 tot en met 4, 6 tot en met 35 en 46 tot en met 55;

- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zijn genummerd 5 en 36;

- gelast de teruggave aan na te noemen rechthebbenden van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zijn genummerd

59 en 60 aan [naam],

60 en 61 aan [naam] en

62 tot en met 64 aan [naam];

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zijn genummerd 56 tot en met 58;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam] van € 10.318,53, waarvan € 5.318,53 ter zake van materiële schade en € 5.000,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf

22 november 2007 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; (BP.06)

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam], € 10.318,53 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 86 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; (BP.04)

- wijst de vordering tot gevangenneming af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Kralingen, voorzitter, mr. Dekker en mr. Pick, rechters, in tegenwoordigheid van Van den Goorbergh, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 april 2009.

Mr. Pick en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 22 november 2007 te Breda opzettelijk [slachtoffer] van het

leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen

een kogel afgevuurd op voornoemde [slachtoffer], althans met een vuurwapen een

kogel afgevuurd in de richting van voornoemde [slachtoffer], althans met een

vuurwapen een kogel afgevuurd in de richting van een voor hem verdachte

onoverzichtelijk terrein en/of in de richting van een bedrijventerrein genaamd

[naam], op welk(e) terrein(en), naar verdachte wist, althans redelijkerwijs

kon vermoeden zich mensen bevonden/konden bevinden en door welke kogel

voornoemde [slachtoffer], die zich bevond op het voor verdachte onoverzichtelijke

terrein, is getroffen, (mede) tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op

26 november 2007 is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 november 2007 te Breda aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel ((een) schotverwonding(en) in

de buik, althans het lichaam), heeft toegebracht, door opzettelijk met een

vuurwapen een kogel af te vuren op, althans in de richting van, voornoemde

[slachtoffer], althans door met een vuurwapen een kogel af te vuren in de richting

van een voor hem verdachte onoverzichtelijk terrein en/of in de richting van een bedrijventerrein genaamd [naam], op welk(e) terrein(en), naar verdachte wist,

althans redelijkerwijs kon vermoeden, zich mensen bevonden/konden bevinden

en door welke kogel voornoemde [slachtoffer], die zich bevond op het voor verdachte onoverzichtelijke terrein, is getroffen terwijl het feit de dood (mede) tengevolge

heeft gehad;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 2 Wetboek van Strafrecht

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 november 2007 te Breda, zich roekeloos, in elk geval

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen

door op een tijdstip gelegen omstreeks 15.00 uur met een vuurwapen een kogel

af te vuren op/in de richting van, een voor hem, verdachte, onoverzichtelijk

terrein, zonder daarbij zich ervan vergewist te hebben dat op dat terrein geen

perso(o)n(en) aanwezig was/waren, waardoor het aan zijn schuld te wijten is

geweest dat een persoon genaamd [slachtoffer] die zich op voornoemd terrein

bevond, zodanig letsel, te weten schotverwondingen in de buik, althans het

lichaam, heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden.

art 307 lid 2 Wetboek van Strafrecht