Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BI2086

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
24-04-2009
Datum publicatie
24-04-2009
Zaaknummer
811436-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte haar echtgenoot in een hulpeloze toestand heeft gelaten nadat hij een overdosis morfine had geslikt terwijl dit de dood ten gevolge heeft gehad.

De rechtbank overweegt dat het feit dat iemand zelfmoord heeft willen plegen niet relevant is voor de beantwoording van de vraag of die persoon in een hulpeloze toestand verkeert. Wanneer sprake is van een hulpeloze toestand moet hulp worden verleend, ook indien de hulpbehoevende zichzelf door bijvoorbeeld zelfmoord in die toestand heeft gebracht.

De rechtbank merkt nog op dat er onder bepaalde omstandigheden in een zelfmoordsituatie sprake zou kunnen zijn van een noodtoestand bij degene die hulp zou moeten verlenen. Het is voorstelbaar dat in een dergelijk geval een conflict ontstaat tussen een geschreven plicht, het inschakelen van adequate medische hulp, en een ongeschreven plicht, het respecteren van de doodswens van de hulpbehoevende, hetgeen zou kunnen leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging. De rechtbank is echter van oordeel dat van een zodanig belangenconflict in dit geval geen sprake is geweest.

Daarnaast sluit de vaststelling dat verdachte “ontoerekeningsvatbaar” was niet uit dat sprake is geweest van opzettelijk handelen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte tenminste voorwaardelijk opzet heeft gehad op het laten voortduren van de hulpeloze toestand waarin haar echtgenoot zich bevond nu genoegzaam is gebleken dat verdachte voldoende inzicht heeft gehad in haar handelen.

De rechtbank ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 39
Wetboek van Strafrecht 255
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2009/398
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 811436-07

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 april 2009

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op 1[datum] te Seoel (Korea)

wonende te [adres]

raadsman mr. Drenth, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 juni 2008 en 16 april 2009, waarbij de officier van justitie, mr. De Brouwer, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte haar echtgenoot [slachtoffer] in een hulpeloze toestand heeft gelaten, terwijl [slachtoffer] daardoor is komen te overlijden.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op:

- de verklaringen en de aantekeningen van huisarts [naam huisarts]

- de verklaringen van [getuige 1];

- de verklaring van getuige [getuige 2];

- de verklaringen van verdachte;

- de printlijst van de vaste telefoonlijn van verdachte.

Op grond van een op die bewijsmiddelen gebaseerde reconstructie van de relevante gebeurtenissen op 30 april 2007 en 1 mei 2007 is de officier van justitie van mening dat verdachte haar echtgenoot [voornaam] [achternaam [achternaam slachtoffer] in hulpeloze toestand heeft gelaten door na te laten medische hulp in te schakelen en door onjuiste informatie aan de arts te vertrekken en in strijd met het advies van de arts te handelen terwijl haar echtgenoot ten gevolge van dit nalaten is komen te overlijden.

Daarnaast is de officier van justitie van mening dat er, ondanks de volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte, sprake is geweest van voorwaardelijk opzet omdat er bij verdachte geen sprake was van het ontbreken van ieder inzicht in de draagwijdte van haar gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.

Allereerst heeft de raadsman daartoe aangevoerd dat [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] zelfmoord heeft gepleegd en er dus bewust voor heeft gekozen om te sterven. Deze keuze heeft hij door eigen handelen ten uitvoer gebracht zodat niet kan worden gesproken van een “hulpeloze toestand” of “hulpbehoevende” als bedoeld in artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht.

Daarnaast heeft de verdediging betoogd dat bij verdachte ten tijde van het feit ieder inzicht in de draagwijdte van haar gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan ontbrak. Er is daarom geen sprake van (voorwaardelijk) opzet zodat ook om die reden verdachte dient te worden vrijgesproken.

Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat niet is komen vast te staan op welk tijdstip [slachtoffer] precies is komen te overlijden. Het is volgens de raadsman daarom niet mogelijk om vast te stellen welke handelingen voor de dood van [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] hebben plaatsgevonden zodat de feitelijke handelingen van verdachte niet kunnen worden meegenomen voor het bewijs.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt het volgende vast.

Verdachte heeft verklaard dat zij op 30 april 2007 thuis was aan d[adres] met haar echtgenoot, [slachtoffer] [voornaam slachtoffer] stapte die avond op enig moment uit bed en zei dat hij “die medicijnen” in ging nemen waarna hij richting de badkamer liep. Daarna is haar echtgenoot in bed gaan liggen en zijn ze in slaap gevallen. Rond 1.00 uur op 1 mei 2007 werd verdachte wakker van het gesnurk van haar echtgenoot en merkte zij dat hij zwaar ademde. Verdachte is toen naar beneden gegaan en heeft naar eigen zeggen het ziekenhuis gebeld maar er werd niet opgenomen. Blijkens de gegevens van de vaste telefoonlijn van verdachte is er op 1 mei 2007 omstreeks 1.25 uur contact gezocht met de huisarts [naam huisarts].

Vervolgens is verdachte weer gaan slapen en werd zij rond 5.00 uur wederom wakker . Ze merkte dat haar echtgenoot heel erg aan het zweten was en heeft toen een washandje op zijn hoofd gelegd en zijn hoofd afgeveegd. Haar echtgenoot zei toen nog iets maar dat was gemompel. Getuige [getuige 2] verklaart dat zij met verdachte over de bewuste avond heeft gesproken. Tijdens dit gesprek vertelde verdachte dat zij ’s nachts wakker was geworden omdat [voornaam slachtoffer] raar ademde. Getuige [getuige 2] heeft aan verdachte gevraagd wat ze met zwaar ademen bedoelde en verdachte deed voor hoe [voornaam slachtoffer] ademde. Getuige [getuige 2] omschrijft dit als “zwaar ademen”. Verdachte heeft ook tegen getuige [getuige 2] gezegd dat zij zag dat [voornaam slachtoffer] schuim op zijn mond had en dat zij het schuim meerdere malen met een washandje had weggeveegd. Ze had [voornaam slachtoffer] ook nog vastgehouden en het verbaasde haar dat [voornaam slachtoffer] haar niet afweerde.

Verdachte verklaart dat rond 6.30 uur de wekker ging omdat haar echtgenoot moest werken. Hij werd echter niet wakker van de wekker. Zij heeft de wekker toen uitgezet en is verder gaan slapen. Vervolgens is verdachte om ongeveer 8.30 uur wakker geworden van de kinderen. Verdachte is naar beneden gegaan en ze heeft haar vader gebeld. Blijkens de telefoongegevens heeft verdachte haar vader rond 10:20 uur gebeld. Ze vroeg hem om te komen omdat ze iets moest vertellen wat niet over de telefoon kon . Ze kreeg haar echtgenoot namelijk niet wakker. Ze had geprobeerd om hem wakker te krijgen door hem heen en weer te schudden en ze had hem water gegeven. Toen haar vader arriveerde heeft zij hem gevraagd om bij [voornaam slachtoffer] te gaan kijken.

De vader van verdachte, [getuige 1], verklaart dat hij op 1 mei 2007 rond 10.30 uur werd gebeld door verdachte. Ze vroeg of hij naar haar toe wilde komen want ze wilde praten. Hij kwam rond 11.30 uur bij verdachte aan en verdachte vertelde hem dat [voornaam slachtoffer] erg ziek was en dat hij op bed lag met iets dat op zware hoofdpijn leek. Zij vertelde dat [voornaam slachtoffer] daarvoor tabletten had geslikt. Verdachte liet hem toen doordrukverpakkingen zien van morfine tabletten. Omstreeks 11.45 uur is [getuige 1] naar de slaapkamer van [voornaam slachtoffer] gegaan. Hij heeft toen aan [voornaam slachtoffer] gevraagd of hij iets voor hem kon betekenen maar [voornaam slachtoffer] reageerde niet. [voornaam slachtoffer] had volgens hem een zwakke ademhaling en was niet aanspreekbaar. Hij kreunde zachtjes. [getuige 1] is toen naar beneden gegaan en heeft tegen verdachte gezegd dat zij met de doordrukstrip van de morfine naar de dokter moest gaan.

Verdachte ging vervolgens met de lege strips naar huisarts [naam]. [naam] verklaart dat verdachte op 1 mei 2007 rond 12.30 uur naar hem toe kwam en vertelde dat haar echtgenoot op 30 april 2007 rond 22.00 uur tabletten had ingenomen. Hij zag dat ze een lege strip liet zien en dat daarop stond Morfine 100 Mg Zetard (de rechtbank begrijpt: Retard). Ze vertelde dat haar echtgenoot nog aanspreekbaar was en dat hij kleine slokjes water nam. [naam] zei tegen verdachte dat ze moest bellen als haar echtgenoot niet meer aanspreekbaar was of niet meer reageerde. Hij adviseerde haar om haar echtgenoot wakker te houden, te observeren en water te laten drinken.

Verdachte verklaart dat zij tegen de dokter heeft gezegd dat haar echtgenoot nog ademde, dat hij zweette en dat de dokter haar adviseerde om af en toe even bij haar echtgenoot te gaan kijken.

Hierop is verdachte naar huis gegaan. [getuige 1] verklaart dat verdachte terug kwam van de dokter en dat de dokter had geadviseerd aan te kijken hoe het verder zou verlopen met [voornaam slachtoffer] en om [voornaam slachtoffer] water te geven. Dit bevreemdde [getuige 1] aangezien [voornaam slachtoffer] niet meer aanspreekbaar was. [getuige 1] is toen nogmaals naar [voornaam slachtoffer] gaan kijken. Hij zag dat hij nog steeds zwak ademde en dat hij kreunde, alsof hij pijn had. Zijn polsslag was onveranderd. Daarna vertrok [getuige 1] met de kinderen van verdachte naar [naam]. Rond 15.00 uur heeft hij verdachte nog gebeld en gevraagd naar de toestand van [voornaam slachtoffer]. Zij zei dat de toestand ongewijzigd was en dat zij nog wel een nieuwe lap op zijn voorhoofd had gelegd.

Verdachte verklaart dat zij, nadat zij terug kwam van de huisarts, nog bij [voornaam slachtoffer] is gaan kijken en dat hij ademde , dat zij hem een beetje water heeft gegeven door zijn hoofd naar achteren te doen en dat hij zweette. Zij beaamt dat haar vader de waarheid spreekt als hij zegt dat [voornaam slachtoffer] niet meer aanspreekbaar was. Daarna is verdachte boodschappen gaan doen. Na het boodschappen doen is zij niet meer naar [voornaam slachtoffer] gaan kijken maar is zij op de bank in slaap gevallen. Toen ze wakker werd is ze bij [voornaam slachtoffer] gaan kijken. Ze zag dat hij er heel stil bij lag en is naar de dokter gegaan. Dokter [naam] bevestigt dat verdachte rond 17.00 uur nogmaals naar de praktijk is gekomen. Hij hoorde dat verdachte zei dat haar echtgenoot niet meer reageerde. Hij is daarna naar het huis van verdachte gegaan en zag dat [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] overleden was. Hij voelde koud aan en had lijkvlekken op zijn armen en benen. In het bloed van [voornaam] [achternaam [achternaam slachtoffer] is een zeer hoge concentratie morfine aangetoond . Op grond van de zeer hoge concentratie van morfine in het bloed kan het overlijden van [voornaam] [achternaam [achternaam slachtoffer] worden verklaard.

De rechtbank moet beslissen of op basis van voornoemde feiten en omstandigheden tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde kan worden gekomen. Hiertoe dienen enkele punten nader te worden bekeken.

Hulpeloze toestand

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat niet kan worden gesproken van een “hulpeloze toestand” als bedoeld in artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht nu [voornaam] [achternaam [achternaam slachtoffer] zelfmoord wilde plegen. Hij verwijst hierbij naar een uitspraak van de rechtbank Den Bosch (LJN: AF9725).

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat vast is komen te staan dat [voornaam slachtoffer] [achternaam slachtoffer] zelfmoord heeft gepleegd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht bedoeld is om de belangen van hulpbehoevenden te beschermen. Bovendien blijkt dat sprake is van hulpbehoevendheid wanneer er gevaar bestaat voor leven of gezondheid van een persoon, terwijl de hulpbehoevende zichzelf niet redden kan. Naar het oordeel van de rechtbank wordt met artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht -evenals in het daarmee samenhangende artikel 450 van die wet- strafbaar gesteld het niet nakomen van de rechtsplicht om in die artikelen genoemde gevallen hulp te verlenen aan personen die in levensgevaar verkeren. Uit de memorie van toelichting van artikel 450 van het Wetboek van Strafrecht en de beraadslaging in de Tweede Kamer naar aanleiding van dit wetsartikel (Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, 1e druk, derde deel) blijkt dat hij, die een ander met de dood ziet worstelen en bij macht is hulp te verlenen, daartoe verplicht is. Bij ogenblikkelijke nood moet de burger datgene doen wat de vertegenwoordigers van het openbaar gezag zouden verrichten indien zij tegenwoordig waren. Tijdens de beraadslaging over dit artikel is gesproken over het nalaten een drenkeling uit het water te halen of een gehangene af te snijden. De minister van justitie merkt tijdens deze discussie op dat als de dood reeds is ingetreden het geen kwaad kan te wachten tot de politie er is. Maar als er nog leven is of kan zijn, moet hulp verleend worden.

In het licht van deze wetgeschiedenis is de rechtbank van oordeel dat het feit dat iemand zelfmoord heeft willen plegen niet relevant is voor de beantwoording van de vraag of die persoon in een hulpeloze toestand verkeert. Daarnaast moet worden vastgesteld dat wanneer sprake is van een hulpeloze toestand hulp moet worden verleend, ook indien de hulpbehoevende zichzelf door bijvoorbeeld een zelfmoordpoging in die toestand heeft gebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank bevond [voornaam] [achternaam [achternaam slachtoffer] zich na het innemen van de grote hoeveelheid morfine in een hulpeloze toestand zoals bedoeld in artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte had adequate hulp moeten inschakelen.

De rechtbank merkt nog op dat er onder bepaalde omstandigheden in een zelfmoordsituatie sprake zou kunnen zijn van een noodtoestand bij degene die hulp zou moeten verlenen. Het is voorstelbaar dat in een dergelijk geval een conflict ontstaat tussen een geschreven plicht, het inschakelen van adequate medische hulp, en een ongeschreven plicht, het respecteren van de doodswens van de hulpbehoevende, hetgeen zou kunnen leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.

De rechtbank is echter van oordeel dat van een zodanig belangenconflict in dit geval geen sprake is geweest. Weliswaar heeft [voornaam] [achternaam [achternaam slachtoffer] zelfmoord gepleegd, maar niet is gebleken dat er voor verdachte sprake was van een conflict van plichten omdat niet is vast komen te staan dat [voornaam] [achternaam [achternaam slachtoffer] al geruime tijd een doordachte, weloverwogen en persistente doodswens had en dat verdachte van deze doodswens op de hoogte was. Dit blijkt evenmin uit het handelen van verdachte nu zij ’s nachts de dokter heeft geprobeerd te bellen, zij ’s ochtends haar vader heeft laten komen en zij met de lege morfinestrips naar de huisarts is gegaan.

Opzet

Blijkens de dubbelrapportage van psychiater [naam] en psycholoog [naam] was verdachte ten tijde van het plegen van het feit lijdende aan een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens. Verdachte moet volgens de deskundigen volledig ontoerekeningsvatbaar worden beschouwd. Aan de orde is de vraag of verdachte door de ziekelijke stoornis van haar geestvermogens opzet heeft gehad op de ten laste gelegde gedragingen. Vooropgesteld dient te worden dat een ziekelijke stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat indien bij de verdachte ten tijde van haar handelen ieder inzicht in de draagwijdte van haar gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken (vgl. onder meer HR 14 december 2004, LJN AR3226). Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn. De vaststelling dat verdachte ‘ontoerekeningsvatbaar’ was, sluit niet uit dat sprake is geweest van opzettelijk handelen.

Zoals de rechtbank hierboven reeds heeft aangehaald heeft verdachte ’s nachts geprobeerd de dokter te bellen, is zij ’s middags naar de huisarts gegaan met de lege morfinestrips en heeft zij met de huisarts over de toestand van haar echtgenoot gesproken. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat verdachte voldoende inzicht heeft gehad in haar handelen. De stoornis van verdachte was dus niet ernstig genoeg om het (voorwaardelijk) opzet uit te sluiten.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte willens en wetens, in aanmerking nemende de op haar rustende verplichtingen haar echtgenoot te onderhouden en te verzorgen, haar echtgenoot in hulpeloze toestand heeft gelaten. Zij heeft namelijk onjuiste informatie aan de huisarts verstrekt door niet te vertellen dat haar echtgenoot niet meer aanspreekbaar was en dat hij schuim op de mond had. Tevens blijkt uit het feit dat verdachte daarna het advies van de huisarts om haar echtgenoot in de gaten te houden niet heeft opgevolgd dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij haar echtgenoot in een hulploze toestand zou laten. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte tenminste voorwaardelijk opzet heeft gehad op het laten voortduren van de hulpeloze toestand waarin haar echtgenoot zich bevond.

Nu het intreden van de dood een geobjectiveerd gevolg is, hoeft het opzet van verdachte niet gericht te zijn geweest op het veroorzaken van de dood. Voldoende is dat er een causaal verband aanwezig is tussen het laten voortduren van de hulpeloze toestand en de dood. Voor de vaststelling van het causaal verband tussen het feit en het strafverzwarend gevolg is niet nodig dat het gebezigde bewijsmateriaal de mogelijkheid uitsluit dat het gevolg zich ook zou hebben voorgedaan als verdachte tijdig had ingegrepen. Als verdachte het gevaar voor het intreden van het gevolg heeft vergroot in een voldoende relevante mate is dat voor de redelijke toerekening toereikend (HR 30 september 2003, NJ 2005, 69). De rechtbank is van oordeel dat het overlijden van [voornaam] [achternaam [achternaam slachtoffer] redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend doordat verdachte heeft nagelaten adequate medische hulp in te schakelen toen er gevaar was voor leven en gezondheid van haar echtgenoot.

Tijdstip overlijden

Uit hetgeen hierboven is vastgesteld blijkt dat [voornaam] [achternaam [achternaam slachtoffer] nog leefde op het moment dat verdachte naar de huisarts ging. Toen zij terugkwam zijn zowel haar vader als zijzelf nog bij [voornaam] [achternaam [achternaam slachtoffer] gaan kijken en zij hebben geconstateerd dat [voornaam] nog in leven was maar niet meer aanspreekbaar. Toch heeft verdachte de huisarts daarover niet ingelicht, maar is boodschappen gaan doen en op de bank in slaap gevallen zonder de lichamelijke toestand van haar echtgenoot in de gaten te houden. De rechtbank is daarom van oordeel dat het nalaten, zoals dat feitelijk in de tenlastelegging staat omschreven, in ieder geval ook heeft plaatsgevonden toen [voornaam] [achternaam [achternaam slachtoffer] nog in leven was.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte haar echtgenoot in een hulpeloze toestand heeft gelaten nadat hij een overdosis morfine had geslikt terwijl dit de dood ten gevolge heeft gehad.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 1 mei 2007 te Breda opzettelijk [slachtoffer], zijnde de echtgenoot van verdachte, tot wiens onderhoud, en verzorging verdachte krachtens de wet verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gelaten, immers heeft zij, verdachte, nadat voornoemde [slachtoffer] een overdosis, morfinepillen had geslikt nagelaten adequate medische hulp/verzorging in te schakelen, door onjuiste, informatie aan de arts te verstrekken en

vervolgens in strijd met het medisch advies de lichamelijke toestand van voornoemde [slachtoffer] onvoldoende in de gaten te houden en niet tijdig de arts te waarschuwen,

terwijl het feit de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen is er in casu geen sprake geweest van een botsing van een geschreven en een ongeschreven plicht zodat niet kan worden gesproken van een noodtoestand in de zin van artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn verder geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte overweegt de rechtbank als volgt.

Over verdachte is een rapportage opgesteld door de psycholoog [naam] en de psychiater [naam]. Verdachte is volgens de deskundigen lijdende aan een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens, in diagnostische zin te omschrijven als een psychotische stoornis niet anderszins omschreven, met als differentiaal diagnostische overweging mogelijk schizofrenie van het paranoïde type.

Er is bij verdachte sprake van een kwetsbaarheid om psychotisch ontregeld te raken bij oplopende druk. Situaties waarin de druk oploopt kunnen op deze wijze aanleiding geven tot psychotische ontregeling, met daaruit voortkomend (grote) problemen om zich in maatschappelijk opzicht staande te houden. De deskundigen adviseren verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar te beschouwen voor hetgeen haar ten laste is gelegd. Daarnaast concluderen zij tot de oplegging van de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis.

De rechtbank kan zich vinden in de conclusie van de deskundigen ten aanzien van de volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte en zal deze conclusie overnemen. Dit betekent dat zij verdachte om die reden zal ontslaan van alle rechtsvervolging.

Vervolgens is de vraag aan de orde of een maatregel, zoals door de deskundigen geadviseerd, moet worden opgelegd. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

Blijkens het dossier en het verhandelde ter zitting verblijft verdachte momenteel op civielrechtelijke titel in een psychiatrisch ziekenhuis. Los van de vraag of er in het geval van verdachte sprake is van een gevaar zoals genoemd in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, is de rechtbank van oordeel dat een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis gezien de civielrechtelijke plaatsing geen toegevoegde waarde meer heeft. Nu de rechtbank het opleggen van een maatregel niet opportuun acht zal zij volstaan met ontslag van alle rechtsvervolging.

6 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 39, 255 en 257 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het opzettelijk in een hulpeloze toestand laten van iemand tot wiens onderhoud en verzorging zij krachtens wet verplicht is, terwijl dit feit de dood ten gevolge heeft;

- verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezen verklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Kralingen, voorzitter, mr. Scheffers en mr. Trippenzee-Braaksma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Fleskens, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 april 2009.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

zij op of omstreeks 1 mei 2007 te Breda opzettelijk [slachtoffer], zijnde de echtgenoot van verdachte, tot wiens onderhoud, verpleging en verzorging verdachte krachtens de wet verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten,

immers heeft zij, verdachte, nadat voornoemde [slachtoffer] een overdosis,

althans een grote hoeveelheid (morfine)pillen had geslikt/ binnen had gekregen, [slachtoffer] adequate lichamelijke verzorging onthouden en/of nagelaten (adequate) medische hulp/verzorging in te schakelen,

door onjuiste, althans onvoldoende informatie aan de arts te verstrekken en/of

(vervolgens) (in strijd met het medisch advies) de lichamelijke toestand van voornoemde [slachtoffer] niet, danwel onvoldoende in de gaten te houden en/of niet tijdig de arts te waarschuwen,

terwijl het feit de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;