Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BI0553

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
24-02-2009
Datum publicatie
08-04-2009
Zaaknummer
AWB 08/3013
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2011:BR6095, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen samenvatting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0794
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/3013

Uitspraakdatum: 24 februari 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 30 mei 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor de jaren 2000 tot en met 2004 opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen naar een bedrag van € 39.435 alsmede de bij beschikking opgelegde boete van € 9.858.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2009.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende drijft een onderneming in het verwerken van kunststofhalffabricaten tot industriële apparaten en de handel in die halffabricaten. Bij belanghebbende heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonbelasting over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004. Het boekenonderzoek heeft plaatsgevonden in februari 2005. In dat jaar bestond belanghebbende 40 jaar.

2.2. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de inspecteur twee naheffingsaanslagen loonbelasting opgelegd. De eerste naheffingsaanslag betreft het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004. Deze naheffingsaanslag bevat de volgende correcties aan loonbelasting:

Correctie 2000 2001 2002 2003 2004 Totaal

€ € € € €

Onkostenvergoeding 5.089 2.963 2.840 2.840 2.840

Kilometervergoeding - - - 567 2.386

Overdracht auto naar privé - - - 260 -

Verstrekte maaltijden - 114 220 252 328

Representatiekosten 4.368 2.514 4.024 3.853 2.590

Kledingkosten 375 242 245 192 333

Totaal correcties 9.832 5.833 7.329 7.964 8.477 39.435

Rente 1.851 844 818 673 420 4.606

Boete 2.458 1.458 1.832 1.991 2.119 9.858

Totaal aanslag 14.141 8.135 9.979 10.628 11.016 53.899

2.3. De tweede naheffingsaanslag betreft een naheffingsaanslag over het tijdvak

1 januari 2005 tot en met 30 november 2005. Deze naheffingsaanslag is een zogenaamde bruteringsaanslag en bedraagt € 39.588.

2.4. Belanghebbende heeft tegen deze beide aanslagen bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase heeft de heer [de heer], directeur van belanghebbende, een gesprek gehad met de inspecteur met als doel te komen tot een vaststellingsovereenkomst. Partijen zijn mondeling een bedrag van € 33.575 overeengekomen.

2.5. In de vervolgens opgemaakte vaststellingsovereenkomst heeft de inspecteur vastgelegd dat het bedrag van € 33.575 betrekking had op het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004 en wat de gevolgen van de vaststellingsovereenkomst waren voor de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 30 november 2005. Aangezien [de heer] van mening was dat in het afgesproken bedrag van € 33.575 ook de loonbelasting over het jaar 2005 was begrepen, heeft hij de vaststellingsovereenkomst niet ondertekend.

2.6. De inspecteur is bij de uitspraak op bezwaar uitgegaan van de gemaakte afspraak voor het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004. Voorts heeft de inspecteur de boetes bij de uitspraak verlaagd tot € 6.151 en verder verminderd met 10% wegens undue delay tot € 5.533. Bij uitspraak op bezwaar tegen de naheffingsaanslag voor het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004 zijn de correcties aan loonbelasting als volgt verminderd:

Correctie

2000 2001 2002 2003 2004 Totaal

€ € € € €

Onkostenvergoeding 5.089 2.963 2.840 2.840 2.840

Kilometervergoeding - - - 567 2.386

Overdracht auto naar privé - - - 260 -

Verstrekte maaltijden - 114 220 252 328

Representatiekosten 1.092 628 1.006 963 647

Kledingkosten 375 242 245 192 333

Afslag -/-413 -/-333 -/-276 -/-522 -/-276

Totaal correcties 6.143 3.614 4.035 4.552 6.258 24.602

Rente 1.157 523 450 385 310 2.824

Boete 1.536 904 1.009 1.138 1.565 6.151

Totaal aanslag 8.836 5.041 5.494 6.075 8.133 33.577

2.7. In geschil is of de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004 terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

2.8. Met betrekking tot de vaststellingsovereenkomst overweegt de rechtbank als volgt.

Vaststaat dat de overeenkomst is tot stand gekomen in een gesprek tussen [de heer], die niet deskundig is op het gebied van belastingen, en de inspecteur. Partijen geven een verschillende interpretatie van de inhoud van het gesprek. De inspecteur stelt dat hij gewezen heeft op de consequenties voor 2005; belanghebbende ontkent dat. Gezien het verschil in deskundigheid lag het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van de inspecteur om [de heer] volledig in te lichten over de consequenties van de vaststellingsovereenkomst. Niet is komen vast te staan dat dat is gebeurd. In elk geval acht de rechtbank aannemelijk dat [de heer] die consequenties toen niet heeft begrepen; hij heeft immers direct na de ontvangst van de brief van de inspecteur diens interpretatie afgewezen. Dit een en ander, in onderling verband bezien, leidt de rechtbank tot de conclusie dat belanghebbende niet aan de overeenkomst gebonden is omdat wilsovereenstemming ontbreekt. De rechtbank zal derhalve de juistheid van de naheffingsaanslag integraal beoordelen.

2.9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende wel gesteld maar niet aannemelijk gemaakt dat in een eerder boekenonderzoek in 1997 de vaste kostenvergoedingen en specificaties daarvan op hun merites zijn beoordeeld. Evenmin heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat de kostenvergoedingen vooraf of uiterlijk bij betaling ervan zijn gespecificeerd naar aard en veronderstelde omvang . Dit heeft tot gevolg, dat de volledige kostenvergoedingen tot het loon dienen te worden gerekend (Hoge Raad 7 maart 2008, nr. 41 263, onder andere gepubliceerd in BNB 2008/118). Daar doet niet aan af de geloofwaardige stelling van belanghebbende dat de betrokken werknemers wel degelijk kosten maken die door middel van een onkostenvergoeding vergoed zouden kunnen worden. De eis van voorafgaande specificatie van de kostenvergoedingen vloeit nu eenmaal rechtstreeks voort uit artikel 15d van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) in samenhang met artikel 47 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Het gelijk is in zoverre aan de inspecteur.

2.10. De inspecteur heeft zowel in zijn verweerschrift als ter zitting benadrukt dat de door [de heer] gedeclareerde kilometers bij belanghebbende geheel als zakelijk zijn geaccepteerd. De correcties in 2003 en 2004 zien volgens de inspecteur op een foutieve verwerking van de declaraties door belanghebbende in 2003 en het abusievelijk toepassen van een forfait van € 0,28 per kilometer in plaats van € 0,18 per kilometer in 2004. Nu de zakelijkheid van de door [de heer] gedeclareerde kilometers niet meer in geschil is en belanghebbende geen inhoudelijke bezwaren heeft ingebracht tegen de resterende correcties in 2003 en 2004, blijven deze correcties gehandhaafd.

2.11. In dezelfde zin oordeelt de rechtbank over de correctie inzake de overdracht van de auto naar privé, de verstrekte maaltijdvergoedingen en de vergoeding voor kleding.

2.11.1. Belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat de prijs waarvoor de auto naar privé is gegaan, op zakelijke overwegingen berust. Er is blijkbaar geen taxatie opgesteld en de rechtbank acht het redelijk dan de waarde zoals die blijkt uit de Eurotax koerslijst te hanteren. Belanghebbende heeft niet gesteld waarom de waarde lager zou moeten zijn. Nu [de heer] de auto als werknemer van de BV heeft gebruikt, is niet onaannemelijk dat belanghebbende in zijn positie van werknemer is bevoordeeld.

2.11.2. Niet in geschil is dat de ter zake van de maaltijden ingehouden bijdragen lager zijn dan de forfaitaire bedragen die voortvloeien uit de Wet LB. De correctie is terecht toegepast.

2.11.3. Volgens het verweerschrift is de correctie voor kledingvergoeding in de bezwaarfase teruggenomen. Uit het onder 2.6. weergegeven overzicht blijkt inderdaad dat op de naheffing een “afslag” is toegepast die de gecorrigeerde bedragen overtreft. De naheffingsaanslag is dan in zoverre ook niet te hoog.

2.12. Uit de stukken van het geding blijkt, dat de correctie voor de representatiekosten ziet op restaurantbezoek in het weekend. De inspecteur heeft dit restaurantbezoek in beginsel geheel niet als zakelijk aangemerkt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het restaurantbezoek in het weekend voor 75% en in het algemeen voor 66% als zakelijk geaccepteerd. De rechtbank acht met de inspecteur aannemelijk dat [de heer] als directeur van belanghebbende regelmatig met zakelijke relaties heeft gedineerd, maar belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in het weekend voor meer dan de in aanmerking genomen 75% of in het algemeen voor meer dan de geaccepteerde 66% heeft plaatsgevonden. Het gelijk is op dit punt eveneens aan de inspecteur.

2.13. Op grond van artikel 26b, tweede lid, van de AWR juncto artikel 24a, tweede lid, van de AWR wordt het beroepschrift mede geacht te zijn gericht tegen de boete. De inspecteur heeft een vergrijpboete opgelegd van 25% in de zin van artikel 67f AWR. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de boete evenredig met de aanslag verminderd alsmede een vermindering van 10% toegepast wegens overschrijding van de redelijke termijn.

2.14. De boete werd opgelegd omdat de belanghebbende volgens de inspecteur behoort te weten dat:

- vaste kostenvergoedingen die niet naar aard en omvang zijn gespecificeerd tot het loon behoren;

- in het jaar 2004 het wettelijk vrijgestelde bedrag voor zakelijke ritten met een privé-auto is verlaagd van € 0,28 naar € 0,18 per kilometer;

- de waarde van de maaltijden in bedrijfskantines wordt vastgesteld op een forfaitair bedrag;

- vergoedingen van gewone kleding en de stomerijkosten van deze kleding tot het loon behoren;

- vergoedingen die dienen tot bestrijding van de door de werknemer te maken kosten op voldoende wijze door de inhoudingsplichtige aannemelijk gemaakt moeten worden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur voldoende aannemelijk gemaakt dat het aan de grove schuld van belanghebbende is te wijten dat te weinig loonbelasting is afgedragen. De inspecteur heeft hiervoor verwezen naar de tekst uit het handboek loonheffingen dat gratis aan belanghebbende is verstrekt, alsmede naar de adviserende functie van de accountant van belanghebbende. De rechtbank acht een boete van € 6.151 passend en geboden. Nu de inspecteur de boete reeds met 10% heeft verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, ziet de rechtbank geen aanleiding de boete verder te matigen.

2.15. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.16. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 24 februari 2009 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van

mr. drs. I.E. van Eerd, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.