Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BI0350

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
07-04-2009
Zaaknummer
AWB 08/3875
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Proceskostenvergoeding

De rechtbank vindt aanleiding de verweerder te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank verstaat de gemaakte “no cure no pay”-afspraak tussen belanghebbende en gemachtigde zo, dat indien het beroep gegrond wordt verklaard, er proceskosten zullen worden gemaakt. Alsdan is voldaan aan het kostenvereiste van artikel 8:75 van de Awb. Tevens is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Gemachtigde heeft voldoende aannemelijk gemaakt, dat hij op beroepsmatige wijze werkzaam is en niet slechts incidenteel rechtsbijstand verleent. Het enkele feit dat gemachtigde is gepensioneerd doet daar niet aan af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/799
FutD 2009-0791
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/3875

Uitspraakdatum: 18 maart 2009

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [woonplaats],

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 8 augustus 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking waarbij de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning), is gewaardeerd krachtens de Wet waardering onroerende zaken en de met die beschikking in één geschrift bekendgemaakte aanslag onroerende-zaakbelastingen 2007.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2009.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde

alsmede namens verweerder.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de vastgestelde waarde tot € 267.000 en vermindert de aanslag onroerende-zaakbelastingen dienovereenkomstig;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 648, en wijst de gemeente [woonplaats] aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de gemeente [woonplaats] het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Verweerder heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de woning, per waardepeildatum

1 januari 2007 (hierna: de waardepeildatum), vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2008 tot

1 januari 2009 op € 318.000. In het desbetreffende geschrift is ook de aanslag onroerende-zaakbelastingen 2008 bekend gemaakt. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de waarde gehandhaafd.

2.2. Belanghebbende is gebruiker en genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning. De woning is een appartement met parkeerplaats, berging en een dakterras. De inhoud van de woning is ongeveer 294 m³. In de beroepsfase heeft verweerder de waarde ambtshalve verminderd tot € 267.000.

2.3. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van tussen € 265.000 en € 291.000. Ter zitting is komen vast te staan, dat belanghebbende zich kan verenigen met de ambtshalve vermindering van de waarde tot € 267.000. Partijen zijn een waarde van € 267.000 overeengekomen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. Het beroep is daardoor gegrond.

2.4. Artikel 30, lid 2, Wet WOZ bepaalt dat, indien de WOZ beschikking en de aanslag(en) in de onroerende zaakbelastingen in één geschrift zijn vastgesteld, het bezwaar tegen de beschikking mede wordt geacht de aanslag(en) te betreffen. Verweerder heeft geen uitspraak gedaan op het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag. De rechtbank gaat om redenen van proceseconomie voorbij aan het door verweerder achterwege laten van de toepassing van artikel 30, lid 2, van de wet, nu het bepaalde in artikel 18a van de AWR waarborgt, dat de aanslag onroerende-zaakbelastingen moet worden verminderd indien een lagere waarde voor de WOZ onherroepelijk komt vast te staan.

2.5. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

2.6. De rechtbank vindt aanleiding de verweerder te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat zijn gemachtigde een vergoeding zal ontvangen op basis van “no cure no pay”. De rechtbank verstaat deze afspraak zo, dat indien het beroep gegrond wordt verklaard, er proceskosten zullen worden gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is alsdan voldaan aan het kostenvereiste van artikel 8:75 van de Awb. Dat de gemachtigde de hoogte van dit bedrag gelijkstelt aan het bedrag van een eventuele proceskostenvergoeding, staat naar het oordeel van de rechtbank aan een proceskostenvergoeding niet in de weg.

2.7. Gemachtigde heeft vóór zijn pensionering een onderneming gedreven onder de naam “Bureau Administratieve fiscale en financiële Ondersteuning”. Voorts heeft gemachtigde voldoende aannemelijk gemaakt, dat hij niet slechts incidenteel rechtsbijstand verleent. De gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat hij na zijn pensionering weliswaar de bedrijfsuitoefening als zodanig heeft gestaakt, maar nog steeds op beroepsmatige wijze werkzaam is voor relaties en kennissen op het terrein van belastingaangiften, toeslagen en andere belastingzaken. Deze werkzaamheden verricht hij tegen een gereduceerd tarief dan wel een onkostenvergoeding. In deze hoedanigheid heeft de gemachtigde de laatste jaren, toen de beroepsprocedures in eerste aanleg bij de belastingkamer van het gerechtshof werden behandeld, diverse zaken bij het gerechtshof aanhangig gemaakt, zo heeft de gemachtigde verklaard. Tot slot heeft gemachtigde onweersproken gesteld dat hij in deze hoedanigheid bij een eerdere procedure bij het Hof een proceskostenvergoeding heeft ontvangen in verband met door hem beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Op basis van het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat er sprake is van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1 onder a van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Met het Gerechtshof te Den Haag (uitspraak van 15 juli 2008, nr. 06/00266, onder andere gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN BD8626), is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat de gemachtigde gepensioneerd is, daar niet aan afdoet.

2.8. De door verweerder te vergoeden kosten zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Voor de overige door belanghebbende genoemde proceskosten, te weten reiskosten, wordt de verweerder, met toepassing van het Besluit, veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van € 4.

Aldus gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, en door deze en mr. drs. I.E. van Eerd, griffier ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.