Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BI0324

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
17-03-2009
Datum publicatie
07-04-2009
Zaaknummer
AWB 07/2140
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank is de B.V. i.o. in haar oprichtingsfase voor rekening en risico van belanghebbende gedreven en is de naheffingsaanslag terecht opgelegd aan belanghebbende.

Aan het rapport van het boekenonderzoek kan geen gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleent dat belanghebbende niet als belastingplichtige zou worden aangemerkt.

Het niet vermelden van de letters ‘i.o.’op de naheffingsaanslag is een zodanig geringe onvolkomenheid dat naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan omtrent de identiteit van de belastingplichtige (zo ook Hoge Raad 31 augustus 1998, nr. 33 569, BNB 1998/335) en geen sprake is van een onjuiste tenaamstelling.

De inspecteur heeft de toepassing van het nultarief wegens intracommunautaire leveringen terecht geweigerd aangezien belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van goederenvervoer van de ene lidstaat naar de andere lidstaat.

Belanghebbende heeft recht op de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting. De inspecteur niet aannemelijk dat de leverancier geen ondernemer was voor de omzetbelasting. Voor zover de inspecteur in het verweerschrift bedoelt te stellen dat belanghebbende wist of had moeten weten dat hij door zijn aankopen onderdeel was van een BTW-fraude, maakt hij dit niet aannemelijk. (HvJ EG nummer: C-439/04 “Axel Kittel” en C-440/04 “Recolta Recycling BVBA”, gepubliceerd in VN 2006/42.13).

Door het niet verstrekken van een afschrift heeft de inspecteur gehandeld in strijd met de Wet openbaarheid van bestuur en is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van bijzondere omstandigheden die leiden tot een integrale proceskostenvergoeding van de bezwaarfase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/26.4 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0792
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/2140

Uitspraakdatum: 17 maart 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 27 april 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de over het tijdvak van 1 september 1999 tot en met 30 november 1999 aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting en de daarbij bij afzonderlijke beschikking vastgestelde vergrijpboete.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 22 juni 2001 over het tijdvak van 1 september 1999 tot en met 30 november 1999 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd ad

€ 89.695 (exclusief heffingsrente ad € 5.091) aan [belanghebbende] h.o. [BV] met aanslagnummer: [00000] (hierna: de naheffingsaanslag). De inspecteur heeft gelijktijdig bij afzonderlijke beschikking aan [belanghebbende] h.o. [BV] een vergrijpboete opgelegd ad € 22.423.

1.2. Op 3 juli 2001 heeft belanghebbende bezwaar aangetekend tegen de voormelde naheffingsaanslag en de boetebeschikking.

1.3. De inspecteur heeft bij de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van

27 april 2007 de naheffingsaanslag gehandhaafd en de vergrijpboete verminderd tot

€ 20.182.

1.4. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 16 mei 2007, ontvangen door de rechtbank op 21 mei 2007, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 143.

1.5. De inspecteur heeft met dagtekening 26 september 2007 een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft met dagtekening 26 januari 2009 stukken ingediend, deze stukken zijn op 28 januari 2009 in afschrift verstrekt aan de inspecteur en zijn aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2009.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde

alsmede de inspecteur.

De zaken bij de rechtbank geregistreerd onder de nummers AWB 07/2140 en AWB 07/2138 zijn gelijktijdig ter zitting behandeld.

1.7. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnotitie voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan belanghebbende.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Op 23 augustus 1999 is in het handelsregister van de Kamer van Koophandel [woonplaats] (hierna: KvK) als nieuw bedrijf ingeschreven: ‘[BV] i.o’ (hierna: de BV i.o.). De bedrijfsactiviteiten van de BV i.o. bestaan uit de import, export van en groothandel in foodproducten (voornamelijk bevoorrading van schepen) en non-foodproducten (onder andere elektronica). In het uittreksel van de KvK van 23 augustus 1999 staat vermeldt dat belanghebbende de bevoegde functionaris van de BV i.o. is. Het inschrijvingsformulier is ondertekend door belanghebbende. Met dagtekening 23 augustus 1999 is belanghebbende op het formulier ‘inschrijving overige functionarissen’ aangemerkt als bevoegd persoon om namens de BV i.o. op te treden, dit formulier is door belanghebbende ondertekend.

Ter zitting is vast komen te staan dat de handtekening op de tot de gedingstukken behorende intentieverklaring met dagtekening 23 augustus 1999 niet van belanghebbende is.

2.2. Met dagtekening 30 augustus 1999 is een ‘Opgaaf Gegevens startende onderneming’ bij de inspecteur ingediend met betrekking tot [BV], deze opgaaf is ondertekend door belanghebbende. In deze opgaaf worden onder het onderdeel ‘persoonsgegevens ondernemer, mede-ondernemers, aandeelhouders’ vermeld: [administratiekantoor] (hierna: [kantoor]), belanghebbende en [de heer].

Het aanvraagformulier ‘verklaring geen bezwaar’ in verband met de oprichting van [BV] vermeldt als oprichter [kantoor], de aanvraag is ingediend op 16 september 1999 door [de heer].

2.3. Met dagtekening 29 september 1999 is door de Belastingdienst Ondernemingen [woonplaats] een rapport opgesteld aangaande het op 22 september 1999 bij [BV] i.o. afgelegde bedrijfsbezoek. Onder het kopje Rechtsvorm onderneming worden als firmanten vermeld: belanghebbende en [kantoor]. Verder vermeldt het rapport dat de BV nog in oprichting is en dat belanghebbende de bevoegde functionaris is.

2.4. De op 27 december 1999 ingediende aangiftes omzetbelasting over het tijdvak van 1 september 1999 tot en met 30 november 1999 zijn tenaamgesteld op [BV] i.o., [adres], [woonplaats]. Deze aangiftes zijn ondertekend door belanghebbende.

2.5. In de notariële akte van oprichting, verleden op 13 januari 2000, wordt de [kantoor] vermeld als oprichter van [BV] en wordt belanghebbende benoemd tot directeur van deze B.V. Blijkens het handelsregister is belanghebbende met ingang van 13 januari 2000 bestuurder van [BV] en is [de heer] enig aandeelhouder. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de KvK d.d. 11 december 2000 is de heer [de heer] enig bestuurder van [kantoor].

2.6. Door de Belastingdienst Ondernemingen [woonplaats] is op 6 januari 2000 bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiftes omzetbelasting over het tijdvak september 1999 tot en met november 1999. Het rapport van dit onderzoek is gedagtekend 6 april 2000. Onder het kopje Rechtsvorm onderneming worden als firmanten vermeld: belanghebbende en [kantoor]. Verder vermeldt het rapport onder meer dat de BV nog in oprichting is en dat het de bedoeling is om in de loop van januari 2000 over te gaan tot oprichting van de BV.

2.7. Het boekenonderzoek heeft tot een aantal correcties geleid. Zo heeft de inspecteur tijdens het boekenonderzoek onjuistheden geconstateerd met betrekking tot de door [BV] aan belanghebbende in rekening gebrachte facturen. Aangezien [BV] in september 1999 haar activiteiten heeft gestaakt kunnen deze facturen volgens de inspecteur niet door deze ondernemer zijn afgegeven en is niet voldaan aan artikel 35 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). De inspecteur heeft derhalve de aftrek van voorbelasting geweigerd tot een bedrag van fl. 198.131,40.

Belanghebbende heeft ten aanzien van een bedrag ad fl. 309.425,25 het nultarief voor intracommunautaire leveringen toegepast. Volgens de inspecteur zijn op de verkoopfacturen niet bestaande BTW-identificatienummers vermeld en is er geen enkel bewijs omtrent het feitelijke vervoer van de verkochte goederen naar het land van de afnemers, België.

De inspecteur weigert derhalve de geclaimde toepassing van het nultarief en verhoogt de verschuldigde omzetbelasting met fl. 309.425,25 maal 17,5% is fl. 229.149.

Ten slotte concludeert de inspecteur dat belanghebbende nog een bedrag aan omzetbelasting verschuldigd is van fl. 8.024 en dat hij de omzetbelasting ad fl. 3.884 met betrekking tot een aantal in rekening gebrachte facturen ten onrechte nog niet in aftrek had gebracht.

De totale omzetcorrectie bedraagt: fl. 198.131 + fl. 229.149 + fl. 8.024 - fl. 3.884 = fl. 431.420.

Dit bedrag is gecorrigeerd door middel van de drie hierna te noemen naheffingsaanslagen.

2.8. Met dagtekening 22 juni 2001 is over het tijdvak 1 september 1999 tot en met

30 november 1999 met aanslagnummer: [00000] een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd ad fl. 197.663 / € 94.786 (inclusief heffingsrente ad fl. 11.221 / € 5.091) aan [belanghebbende] h.o. [BV]. Gelijktijdig met deze naheffingsaanslag heeft de inspecteur bij afzonderlijke boetbeschikking een vergrijpboete opgelegd ad

€ 22.423.

Bij de uitspraken op bezwaar van 13 april 2007 heeft de inspecteur deze naheffingsaanslag gehandhaafd, de daarbij opgelegde vergrijpboete heeft hij verminderd tot € 20.182.

2.9. Met dagtekening 31 december 2004 is met aanslagnummer: [000000] over het tijdvak van 1 augustus 1999 tot en met 8 december 1999 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd ad € 88.320 (exclusief heffingsrente ad € 15.451) aan [belanghebbende] h.o. [BV] i.o. Bij de uitspraak op bezwaar van 13 april 2007 heeft de inspecteur deze naheffingsaanslag verminderd tot € 72.833 (exclusief heffingsrente ad € 12.741).

2.10. Met dagtekening 10 december 2004 is met aanslagnummer: 990013 over het tijdvak 1 augustus 1999 tot en met 8 december 1999 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd ad fl. 222.478. Bij de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 15 maart 2006 (LJN: AW1761) is deze naheffingsaanslag verminderd tot fl. 27.847. Deze naheffingsaanslag is niet in geschil.

2.11. Het onderhavige beroep, bij de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 07/2140, betreft de naheffingsaanslag met aanslagnummer: [00000]. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de naheffingsaanslag met aanslagnummer: [000000] is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 07/2138.

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

A) Is de tenaamstelling van de naheffingsaanslag juist?

B) Heeft de inspecteur de aftrek van voorbelasting ad fl. 198.131 met betrekking tot de door [BV] aan belanghebbende in rekening gebrachte facturen terecht geweigerd?

C) Heeft belanghebbende recht op integrale vergoeding van de kosten van de bezwaarfase? Zo ja, tot welk bedrag?

D) Is de vergrijpboete terecht en naar het juiste bedrag opgelegd?

Belanghebbende beantwoordt de vragen A, B en D ontkennend en vraag C bevestigend, de inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken alsmede hetgeen ter zitting daaraan is toegevoegd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de naheffingsaanslag omzetbelasting en de vergrijpboete en integrale vergoeding van de kosten van de beroepsfase. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4. Ter zitting is vast komen te staan dat het geschilpunt aangaande de op de zaak betrekking hebbende stukken enkel nog wordt aangevoerd in verband met de proceskostenvergoeding. Belanghebbende heeft ter zitting tevens aangegeven dat zijn stelling met betrekking tot meerdere aanslagen kan komen ter vervallen.

4. Beoordeling van het geschil

A) Is de tenaamstelling van de naheffingsaanslag juist?

4.1. Volgens belanghebbende moet de naheffingsaanslag omzetbelasting wegens onjuiste tenaamstelling worden vernietigd. Belanghebbende stelt hiertoe dat hij geen ondernemer is in de zin van de Wet OB. Daarnaast kon belanghebbende aan de handelingen van de inspecteur het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de naheffingsaanslag niet aan hem zou worden opgelegd. Ten slotte stelt belanghebbende dat de tenaamstelling onjuist is daar deze vermeldt ‘[BV] ’ in plaats van ‘[BV] i.o.’. Gelet op het voormelde is het volgens belanghebbende niet duidelijk dat de naheffingsaanslag voor hem was bedoeld en is de naheffingsaanslag opgelegd aan de BV.

4.2. Belanghebbende stelt dat hij geen ondernemer is in de zin van de Wet OB en de naheffingsaanslag reeds om die reden ten onrechte aan hem is opgelegd. Niet in geschil is dat de handelingen waarop de naheffingsaanslag is gebaseerd, zijn aan te merken als door een ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet OB verrichte handelingen en dat een BV i.o. (nog) geen ondernemer voor de wet OB is. In geschil is echter aan wie deze ondernemershandelingen ingevolge artikel 12 van de Wet OB kunnen worden toegerekend.

4.3. Blijkens het uittreksel van de KvK van 23 augustus 1999 is aan belanghebbende de bevoegdheid verleend om namens de BV i.o. te handelen, dit formulier is door belanghebbende zelf ondertekend. Ook de overige feiten en omstandigheden brengen de rechtbank tot de conclusie dat de BV i.o. in de oprichtingsfase voor rekening en risico van belanghebbende is gedreven. De rechtbank sluit hierbij aan bij hetgeen het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch in zijn uitspraak van 15 maart 2006 (LJN: AW1761) heeft overwogen met betrekking de tenaamstelling van de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting met aanslagnummer: 990013.

Belanghebbende bepleit dat het feitencomplex van het aan het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch voorgelegde geschil afwijkt van het onderhavige geschil. Deze afwijking heeft echter uitsluitend betrekking op de door de inspecteur ter inzage verstrekte stukken, dit is naar het oordeel van de rechtbank niet van dien aard dat niet bij de uitspraak van het gerechtshof kan worden aangesloten.

Belanghebbende heeft met hetgeen hij heeft overgelegd en verklaard niet aannemelijk gemaakt dat [kantoor] de voorfase van de BV i.o. heeft bekrachtigd als zijnde voor haar rekening en risico gedreven dan wel dat [kantoor] als enig aandeelhouder van de BV i.o. stilzwijgend volmacht aan belanghebbende heeft verleend om namens de BV i.o. te handelen.

Gelet op het vorenoverwogene is de onderneming voor rekening en risico van belanghebbende gedreven en is de naheffingsaanslag omzetbelasting op grond van artikel 7 juncto 12 van de Wet OB terecht opgelegd aan belanghebbende. De rechtbank is niet gebleken dat de naheffingsaanslag niet overeenkomstig artikel 3:41 van de Awb is bekendgemaakt.

4.4. Volgens belanghebbende mocht hij, gelet op de rapporten van 29 september 1999 en 6 april 2000, redelijkerwijs aannemen dat de inspecteur de organisatievorm had beoordeeld en het standpunt had ingenomen dat de naheffingsaanslag niet aan belanghebbende zou worden opgelegd doch aan de in de rapporten aangewezen firmanten van [BV] i.o. zijnde, belanghebbende èn [kantoor] tezamen.

4.5. Het rapport met dagtekening 29 september 1999 had als doel: ‘het verstrekken van inlichtingen over fiscale regelgeving en het wijzen op de administratieve verplichtingen’. Het rapport van 6 april 2000 was gericht op de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak september 1999 tot en met november 1999. De beoordeling van de vraag wie de belastingplichtige was, maakte derhalve geen onderdeel uit van de boekenonderzoeken. Nu ook overigens geen feiten en/of omstandigheden aannemelijk zijn gemaakt die bij belanghebbende in redelijkheid de indruk hebben kunnen wekken dat de inspecteur vóór het opleggen van de naheffingsaanslag het standpunt heeft ingenomen dat belanghebbende niet als belastingplichtige kon worden aangemerkt, faalt belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel.

4.6. Ten slotte stelt belanghebbende dat de tenaamstelling onjuist is daar deze vermeldt ‘[BV] ’ in plaats van ‘[BV] i.o.’. Gelet hierop is het volgens belanghebbende niet duidelijk dat de naheffingsaanslag voor hem was bedoeld en is de naheffingsaanslag opgelegd aan de BV.

Gelet op hetgeen overwogen onder punt 4.3 tot en met 4.5 dient de naheffingsaanslag te worden opgelegd aan belanghebbende. Het enkele feit dat de naheffingsaanslag opgelegd is aan [belanghebbende] h.o. [BV] in plaats van [belanghebbende] h.o. [BV] i.o. heeft naar het oordeel van de rechtbank niet tot gevolg dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd. Het is immers voor beide partijen redelijkerwijs duidelijk dat de naheffingsaanslag is bedoeld voor belanghebbende. Het niet vermelden van de letters ‘i.o.’ is een zodanig geringe onvolkomenheid dat naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan omtrent de identiteit van de belastingplichtige (zo ook Hoge Raad 31 augustus 1998, nr. 33 569, BNB 1998/335).

4.7. Vraag A dient bevestigend te worden beantwoord.

B) Heeft de inspecteur de aftrek van voorbelasting ad fl. 198.131 met betrekking tot de door [BV] aan belanghebbende in rekening gebrachte facturen terecht geweigerd?

4.8. Ingevolge artikel 15, eerste lid, onder a, van de Wet OB is omzetbelasting welke de ondernemer in aftrek brengt, de belasting welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur.

4.9. De inspecteur stelt dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van de op de door [BV] in rekening gebrachte facturen vermelde omzetbelasting. Deze facturen hebben betrekking op de periode 7 september 1999 tot en met 24 november 1999. Volgens de inspecteur was de laatstgenoemde vennootschap in het onderhavige tijdvak geen ondernemer voor de omzetbelasting aangezien [BV] reeds in september 1998 haar activiteiten heeft gestaakt.

4.10. Tussen partijen staat vast dat er daadwerkelijk goederen zijn geleverd, dat de inkoopfacturen ter zake van die leveringen door belanghebbende zijn betaald en dat de inkoopfacturen zijn opgemaakt overeenkomstig de in artikel 35 van de Wet OB (teksteditie 1999) voorgeschreven wijze. Met de enkele verwijzing naar niet overgelegde verklaringen van de FIOD en de stelling dat [BV] geen omzetbelasting op aangifte heeft voldaan, maakt de inspecteur niet althans onvoldoende aannemelijk dat [BV] ten tijde van de factuurdata geen ondernemer was voor de omzetbelasting en dat er daardoor geen sprake zou zijn van door een ondernemer in rekening gebrachte omzetbelasting in de zin van artikel 15 van de Wet OB. Gelet op het voormelde is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de vereisten van artikel 15 van de Wet OB en heeft belanghebbende recht op aftrek van de in rekening gebrachte omzetbelasting ad fl. 198.131.

4.11. Het Europese Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in haar arresten van 6 juli 2006 (nummer: C-439/04 “Axel Kittel” en C-440/04 “Recolta Recycling BVBA”, gepubliceerd in VN 2006/42.13) overwogen:

“In geval van een levering aan een belastingplichtige die niet wist en niet had kunnen weten dat de betrokken handeling deel uitmaakte van fraude door de verkoper, moet artikel 17 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een bepaling van nationaal recht volgens welke de nietigverklaring van de verkoopovereenkomst krachtens een bepaling van burgerlijk recht ingevolge welke deze overeenkomst absoluut nietig is wegens strijdigheid met de openbare orde op grond van een ongeoorloofde oorzaak aan de zijde van de verkoper, leidt tot het verlies van het recht op aftrek van de door deze belastingplichtige voldane belasting over de toegevoegde waarde. Niet relevant is in dit verband, of deze nietigheid het gevolg is van BTW-fraude of van andere fraude.

Daarentegen staat het aan de nationale rechter het recht op aftrek te weigeren indien aan de hand van objectieve elementen wordt vastgesteld dat de belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij door zijn aankoop deelnam aan een transactie die onderdeel is van BTW-fraude.”

De inspecteur heeft niet gesteld dat belanghebbende wist of had moeten weten dat hij door zijn aankopen onderdeel was van een BTW-fraude. Voor zover de inspecteur dit met hetgeen hij in het verweerschrift onder punt B.3/C.3 schrijft wel bedoelt te stellen, maakt hij dit niet aannemelijk.

4.12. Het vorenoverwogene leidt bij de rechtbank tot de conclusie dat belanghebbende de door [BV] in rekening gebrachte omzetbelasting terecht in aftrek heeft gebracht.

4.13. Vraag B dient ontkennend te worden beantwoord.

C) Heeft belanghebbende recht op integrale vergoeding van de kosten van de bezwaarfase, zo ja tot welk bedrag?

4.14. Belanghebbende beroept zich op een vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten van de bezwaarfase. De onderhavige naheffingsaanslag is gedagtekend 22 juni 2001, er is derhalve sprake van een vóór 12 maart 2002 genomen besluit. Dientengevolge is artikel 8:75 van de Awb, zoals dit luidde vóór de wijziging bij de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures (wet van 24 januari 2002, Stb. 2002, 55) van toepassing. Op grond van artikel 1, onderdeel d van het op 1 januari 1994 in werking getreden Besluit proceskosten fiscale procedures is een integrale proceskostenvergoeding mogelijk indien sprake is van bijzondere omstandigheden.

4.15. De inspecteur heeft ter zitting bevestigd dat belanghebbende geen stukken meer mocht kopiëren aangezien hij volgens de inspecteur erg veel wilde kopiëren en de inspecteur het niet redelijk vond dat belanghebbende ook stukken wilde kopiëren die hij al in bezit had.

Niet is gesteld dan wel gebleken dat de stukken waarvan geen kopieën zijn verstrekt stukken zijn waarvan de inspecteur ingevolge artikel 8:29 van de Awb om gewichtige redenen niet wenst dat belanghebbende hier kennis van neemt.

Gelet op artikel 7 van de Wet openbaarheid van bestuur is de inspecteur verplicht tot het verstrekken van informatie. De rechtbank is niet gebleken dat het niet verstrekken van een afschrift van de door belanghebbende gewenste stukken is gebaseerd op een uitzonderingsgrond of beperking van hoofdstuk V van de Wet openbaarheid van bestuur. Dit geldt temeer nu de inspecteur zelf heeft aangegeven dat het niet verstrekken van een afschrift is gebaseerd op de veronderstelling dat belanghebbende deze stukken al in bezit had. Gelet op het vorenoverwogene heeft de inspecteur gehandeld in strijd met de Wet openbaarheid van bestuur en is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van bijzondere omstandigheden die leiden tot een integrale proceskostenvergoeding van de bezwaarfase.

4.16. Bij schrijven van 26 januari 2009 heeft belanghebbende facturen overgelegd waarvan hij verzoekt om integrale vergoeding. Gelet op de dagtekening van de uitspraken op bezwaar, zijnde 13 april 2007 alsmede het feit dat de inspecteur niet heeft bestreden dat de facturen bij integrale proceskostenvergoeding voor vergoeding in aanmerking mogen komen, neemt de rechtbank voor de omvang van de te vergoeden proceskosten van de bezwaarfase de volgende facturen in aanmerking:

Factuurnummer: Datum: Factuurbedrag:

[000000] 26 juli 2006 € 6.565,50

[000000] 13 december 2006 € 506,05

[000000] 15 november 2006 € 1.855,51

[000000] 27 september 2006 € 1.986,71

[000000] 15 februari 2006 € 1.618,10

[000000] 19 oktober 2005 € 143,69

[000000] 1 september 2005 € 293,63

[000000] 18 mei 2005 € 1.618,10

[000000] 30 maart 2005 € 968,36

Totaal: € 15.573,65

De rechtbank stelt de door de inspecteur te vergoeden kosten van de bezwaarfase derhalve vast op € 15.573,65.

4.17. Vraag C dient bevestigend te worden beantwoord.

D) Is de vergrijpboete terecht en naar het juiste bedrag opgelegd?

4.18. De inspecteur heeft op grond van artikel 67f van de AWR een vergrijpboete opgelegd. Ingevolge artikel 67f, tweede lid van de AWR wordt de grondslag voor de boete gevormd door het bedrag van de belasting dat niet of niet tijdig is betaald. Gelet op hetgeen is overwogen bij vraag B is er geen sprake van omzetbelasting die niet of niet tijdig is betaald, de grondslag voor een boete is derhalve nihil. De vergrijpboete dient derhalve te worden vernietigd.

4.19. Vraag D dient ontkennend te worden beantwoord.

5. Proceskosten

5.1. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.2. Belanghebbende verzoekt om integrale proceskostenvergoeding aangezien hij naar zijn mening als gevolg van de proceshouding van de inspecteur extra procedurekosten heeft moeten maken. Ingevolge artikel 2, derde lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) kan een integrale proceskostenvergoeding worden verleend indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur door het eerst in het verweerschrift verstrekken van een aantal stukken dermate (ernstig) onzorgvuldig heeft gehandeld dat dit handelen een vergoeding van de werkelijke proceskosten rechtvaardigt. Van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 2, derde lid van het Besluit is dan ook geen sprake.

5.3. Gelet op het vorenoverwogene berekent de rechtbank de proceskosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van artikel 1, onderdeel a, van het Besluit naar de forfaits zoals neergelegd in bijlage A en B van het Besluit. Deze kosten zijn vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322, met een wegingsfactor 1). Ten aanzien van de complexiteit van de zaak ziet de rechtbank geen aanleiding om het gewicht van de zaak aan te merken als meer dan gemiddeld, de toegepaste wegingsfactor is derhalve 1.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag omzetbelasting;

- vernietigt de boetebeschikking;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van de bezwaarfase van belanghebbende ten bedrage van € 15.573,65 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van de beroepsfase van belanghebbende ten bedrage van € 644 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht ad € 143 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 17 maart 2009 door mr. W. Brouwer, voorzitter, mr. drs. G.H.C. Blommers en mr. N. van Duijn, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. Hermus, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.