Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BI0235

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
12-03-2009
Datum publicatie
06-04-2009
Zaaknummer
AWB 07/2539
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Navordering: nieuw feit?

Belanghebbende is dga van een BV. In het jaar 1993 heeft hij ten gunste van de BV een recht van vruchtgebruik gevestigd op een pand; dat pand is verkocht in 2000 waarbij belanghebbende ƒ 250.000 ontving. Tevens heeft hij een recht van vruchtgebruik voor 30 jaar gevestigd op een pand ten gunste van de BV, tegen een vergoeding van ƒ 2,2 miljoen. In de aangifte van de BV zijn de vruchtgebruiken vermeld, in die van belanghebbende niet. Belanghebbende en de BV worden door de belastingdienst als entiteit behandeld. Bij de aanslagregeling van belanghebbende wordt de aangifte van de BV niet geraadpleegd. De aanslag is conform de aangifte. Later wordt nagevorderd: de waardeaangroei van de eerste bloot-eigendom wordt belast plus de koopsom voor het tweede vruchtgebruik. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur bij een juiste toepassing van de geïntegreerde werkwijze van de belastingdienst reeds ten tijde van de vaststelling van de primitieve aanslag op de hoogte had kunnen en moeten zijn van de vruchtgebruiktransacties. Geen nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/32.2.1
FutD 2009-0811
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/2539

Uitspraakdatum: 12 maart 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2000 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: de navorderingsaanslag) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 2.484.148 en gelijktijdig een boete vastgesteld van ƒ 363.520.

1.2. De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 14 mei 2007 de aanslag gehandhaafd en de boetebeschikking vernietigd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 12 juni 2007, ontvangen bij de rechtbank op 13 juni 2007, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier een griffierecht geheven van € 39.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2009 te Breda. Aldaar zijn gelijktijdig de procedures met de procedurenummers AWB 07/2537, 07/2538, 07/2539 en 07/2540 behandeld. Ter zitting zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, en de inspecteur. Van hetgeen ter zitting is verhandeld is een proces-verbaal opgesteld, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van [Holding] B.V. (hierna: Holding 1). Zijn broer, [de heer] (hierna: de broer), is directeur en enig aandeelhouder van [Holding] B.V. (hierna: Holding 2, en tezamen met Holding 1 te noemen: de holdings).

2.2. Belanghebbende en de broer waren tot 31 december 2001 tevens, ieder voor 50%, eigenaar van alle aandelen B.V. (hierna: [Holding]). De verkrijgingsprijs van de aandelen was (voor elk van de aandeelhouders) ƒ 50.000.

2.3. Bij overeenkomst van 20 mei 2000 heeft belanghebbende zijn aandelen in [Holding] verkocht aan Holding 1 voor een bedrag van ƒ 2.221.416. In de koopovereenkomst staat onder meer het volgende:

“Koopsom

De koopsom voor de aandelen bedraagt fl. 2.221.416 (zegge: tweemiljoen tweehonderd een en twintig duizend vierhonderd zestien gulden) en wordt door de koper aan verkoper voldaan middels uitreiking door koper aan verkoper van aandelen in haar eigen kapitaal, welke uitreiking zal plaatsvinden middels notariële akten van emissie en toekenning van aandelen en middels een betaling van contanten tot ten hoogste het bedrag dat in fiscalibus ingevolge de fusie-faciliteit ex artikel 14 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 ter afronding van het aandelenkapitaal is toegestaan. De koopsom wordt derhalve tot het moment van toekenning schuldig gebleven, welke schuldigerkenning verkoper middels ondertekening van onderhavige overeenkomst erkent.

(…)

Overgang rechten

Alle rechten aan de overgedragen aandelen verbonden komen toe aan de koper met ingang van heden.

(…)

Ontbindende voorwaarde

Deze overeenkomst wordt aangegaan onder de ontbindende voorwaarde dat de belastingdienst de verkoop, koop en overdracht erkent op grond van de zogenaamde fusiefaciliteit.”

De broer heeft zijn aandelen in [Holding] onder dezelfde voorwaarden verkocht aan Holding 2.

2.4. De aandelen zijn aan Holding 1 en Holding 2 geleverd bij notariële akte van 31 december 2001. In de akte is onder meer het volgende vermeld:

“(…) in aanmerking nemende dat:

? Verkoper en koper een schriftelijke overeenkomst hebben gesloten gedateerd in de maand mei tweeduizend met betrekking tot de overdracht van de, hierna breder omschreven, door de Verkoper gehouden aandelen in de Vennootschap, welke overeenkomst hierna ook wordt aangeduid als “de Overeenkomst”;

(…)

De koopsom voor de aandelen bedraagt, ingevolge de Overeenkomst, (…) in totaal vier miljoen vierhonderd tweeënveertigduizend achthonderd tweeëndertig gulden (ƒ 4.442.832,00) welk bedrag door Kopers aan Verkopers is voldaan via verrekening en waarvoor Verkoper aan Koper kwijting verleent.

Ter uitvoering van de Overeenkomst (…) geeft:

a. (…) [Holding 1] uit:

vierendertig (34) aandelen, elk nominaal groot eenduizend gulden (ƒ 1.000,00) welke aandelen in contanten via verrekening zijn voldaan en gebaseerd is op het bedrag dat volgens de fiscale wetgeving ingevulde de fusiefaciliteit van artikel 14 Wet op de inkomstenbelasting 1964 ter afronding van het aandelen-kapitaal is toegestaan. De vermelde koopsom wordt derhalve door de [Holding 1] schuldiggebleven tot het moment van toekenning, welke schuldigerkenning middels ondertekening van de Overeenkomst is erkend.

(…)

Slotbepalingen

(…)

2. Voor het overige blijft van kracht alles hetgeen partijen eerder bij obligatoire overeenkomsten met elkaar hebben afgesproken.

(…)

5. Geen van partijen kan deze overeenkomst (doen) ontbinden of vernietigen.

2.5. Het aan belanghebbende toekomende bedrag van ƒ 2.221.416 is verwerkt in de rekening-courant die belanghebbende aanhield bij Holding 1. Belanghebbende heeft terzake niets in zijn aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2000 of 2001 vermeld. De verkrijgingsprijs van de aandelen [Holding] was ƒ 50.000.

2.6. Met dagtekening 11 september 2002 is aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2000 opgelegd (hierna: de primitieve aanslag). Ter zake van de verkoop van de aandelen [Holding] is niets belast. Op 26 augustus 2004 is namens de inspecteur een boekenonderzoek gestart, dat tot de onderhavige navorderingsaanslag heeft geleid. Het belastbaar inkomen is met ƒ 2.442.320 verhoogd. Deze verhoging bestaat uit de navolgende correcties.

Correctie [adres] ten bedrage van ƒ 174.640

2.7. Holding 1 en Holding 2 bezaten tot 18 maart 1993 ieder voor 50% de volle eigendom van de onroerende zaken gelegen aan [adres] te [woonplaats] (hierna :[adres]). Op 18 maart 1993 hebben belanghebbende en de broer de blote eigendom [adres] gekocht van de holdings voor ƒ 94.600. Ten gunste van de holdings werd een vruchtgebruik gevestigd.

2.8. Op 9 november 2000 is [adres] verkocht aan de huurder voor ƒ 2.975.000 plus ƒ 100.000 voor roerende zaken. Van de koopsom van ƒ 2.975.000 is een deel groot ƒ 2.474.734 toegerekend aan het vruchtgebruik en aangegeven door de holdings. Het restant ad ƒ 500.266 kwam toe aan belanghebbende en de broer als blote eigenaren. Belanghebbende en de broer hebben ter zake van de verkoop niets aangegeven. De inspecteur heeft daarop het inkomen van belanghebbende verhoogd met 50% van ƒ 349.280, door de inspecteur berekend op ƒ 174.640. Dat bedrag is als volgt berekend:

Waarde vruchtgebruik in 1993 ƒ 455.400

Waardeaangroei bloot eigendom per jaar (30 jaar) ƒ 15.180

Waardeaangroei periode 1993-1995 (onbelast) ƒ -41.760

Waardeaangroei 1996-1999 conform aangiften ƒ -64.360

Bij verkoop gerealiseerde waardeaangroei ƒ 349.280

waarvan voor elke broer ƒ 174.640

Correctie [adres] ten bedrage van ƒ 2.227.680

2.9. Belanghebbende en de broer hebben eind 1999 de onroerende zaak gelegen aan [adres] te [woonplaats] (hierna: [adres]) gekocht voor ƒ 2.700.000 en zijn deze zaak gaan verhuren aan een van de dochterondernemingen van de holdings. Bij akte van 7 december 2000 is ten behoeve van de holdings (ieder voor de onverdeelde helft) een vruchtgebruik gevestigd op [adres] voor de duur van 30 jaar, tegen een koopsom van ƒ 4.455.360. Belanghebbende en de broer hebben ter zake van de vestiging van het vruchtgebruik niets aangegeven. De inspecteur heeft het inkomen van belanghebbende verhoogd met 50% van ƒ 4.455.360 of ƒ 2.227.680.

2.10. In de aangiften vennootschapsbelasting van de holdings over het jaar 2000 zijn de verkoop [adres] en de vestiging van het vruchtgebruik op [adres] als volgt

vermeld:

Vruchtgebruik onroerend goed [adres]

1/2 deel pand [adres] [woonplaats] ƒ 185.044

Afschrijving 2000 ƒ -6.704

Boekwaarde vruchtgebruik op moment van verkoop ƒ 178.340

Verkoop vruchtgebruik 178.340

Waarde 31-12-2000 0

========

Vruchtgebruik onroerend goed [adres]

1/2 deel bedrijfspand [adres] ƒ 2.364.869

Vervangingsreserve [adres] ƒ 1.059.027

Waarde 31-12-2000 ƒ 1.305.842

========

Correctie privégebruik auto ten bedrage van ƒ 40.000

2.11. Aan belanghebbende was een auto ter beschikking gesteld door Holding 1. Belanghebbende heeft in zijn aangifte geen bijtelling toegepast wegens privégebruik daarvan. De inspecteur heeft het inkomen verhoogd met 20% van de cataloguswaarde van de auto of ƒ 40.000.

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vragen:

- of voor wat betreft [adres] en [adres] sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt;

- of, indien bovenstaande vraag bevestigend wordt beantwoord, terecht ƒ 2.227.680 is belast als inkomsten uit vermogen in verband met de vestiging van het vruchtgebruik op [adres];

- of in verband met de verkoop van de aandelen [Holding] enig bedrag in het inkomen moet worden begrepen.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de inspecteur bevestigend.

Niet in geschil is dat sprake is van een nieuw feit voor wat betreft het privégebruik auto en dat het belastbaar inkomen terecht is gecorrigeerd voor wat betreft de verkoop [adres].

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar de rechtbank verstaat, tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de navorderingsaanslag tot een naar een belastbaar inkomen tot ƒ 256.468 (ƒ 2.484.148 minus ƒ 2.227.680). De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Op grond van artikel 16, eerste lid, tweede volzin, van de Algemene wet inzake Rijksbelasting (hierna: AWR) kan een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, geen grond voor navordering opleveren (ambtelijk verzuim), behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

4.2. De inspecteur mag in de regel afgaan op de juistheid van een aangifte (Hoge Raad, 5 november 1986, nr. 24 075, BNB 1987/19). Dat geldt echter niet indien de inspecteur uit anderen hoofde beschikt over informatie waaruit blijkt dat de aangifte onjuist is.

4.3. Vaststaat dat belanghebbende, de broer en de holdings voor de heffing van belastingen door de inspecteur zijn aangemerkt als een entiteit waardoor alle zaken van belanghebbende en de holdings door één onderdeel van de belastingdienst worden beoordeeld. Vaststaat tevens dat de aangiften vennootschapsbelasting van de holdings reeds waren ingediend toen de primitieve aanslag ten name van belanghebbende werd vastgesteld.

4.4. In zijn arrest van 20 oktober 1999, nr. 34 636, BNB 1999/445 overwoog de Hoge Raad:

“Sinds de invoering op 1 januari 1990 van de geïntegreerde werkwijze van de belastingdienst

moet het er in beginsel voor worden gehouden dat de Inspecteur bij de regeling van de aanslag inkomstenbelasting 1990 van belanghebbende kon beschikken over de voor de vennootschapsbelasting 1990 ingediende aangifte van Holding BV waaruit de rekening-courantschuld van belanghebbende aan Holding BV bleek.”

4.5. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen in de aangifte vennootschapsbelasting van Holding 1 was vermeld over de aan- en verkoop van vruchtgebruiken aanleiding had moeten geven tot een onderzoek naar de mogelijke inkomstenbelastingaspecten van deze transacties. Ter zitting heeft de inspecteur dat desgevraagd bevestigd.

4.6. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur bij een juiste toepassing van de geïntegreerde werkwijze van de Belastingdienst reeds ten tijde van de vaststelling van de primitieve aanslag op de hoogte had kunnen en moeten zijn van de onderhavige transacties. Van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt is dan geen sprake.

4.7. Met hetgeen hij heeft aangevoerd en overgelegd heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende ter zake van de onderhavige vruchtgebruiksituaties te kwader trouw was. De rechtbank acht aannemelijk dat het aan onachtzaamheid van de adviseur van belanghebbende te wijten is dat te weinig belasting is geheven, welke onachtzaamheid belanghebbende is toe te rekenen. Dergelijke onachtzaamheid is echter onvoldoende om van (voorwaardelijke) opzet te kunnen spreken, zodat in het onderhavige geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van kwader trouw.

4.8. Voor het geval geen sprake is van een zogenaamd nieuw feit heeft de inspecteur zich beroepen op het leerstuk van interne compensatie en gesteld dat belanghebbende winst uit aanmerkelijk belang heeft gerealiseerd met de verkoop van de aandelen [Holding] die in het jaar 2000 belastbaar is.

4.9. De inspecteur heeft de winst ter zake van de verkoop van de aandelen [Holding] belast in het jaar 2001. Bij uitspraak van heden in de zaak met procedurenummer 07/2540 heeft de rechtbank geoordeeld dat deze winst, zo deze belastbaar is, belast moet worden in het jaar 2000. Van de uitspraak in die zaak is een afschrift aan deze uitspraak gehecht. De inspecteur heeft gesteld dat ten aanzien van betreffende correctie sprake is van een nieuw feit en dat het belastbaar inkomen van ƒ 256.468 met ƒ 2.171.417 (of € 985.346), te belasten naar een tarief van 25%, moet worden verhoogd.

4.10. De inspecteur heeft ter zitting gesteld en door belanghebbende is bevestigd dat de overeenkomst ter zake van de aandelenverkoop, gedateerd mei 2000, de inspecteur eerst bekend is geworden tijdens het boekenonderzoek in 2004. Nu dit feit de inspecteur redelijkerwijs niet bekend kon zijn ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag, is ten aanzien van de vervreemdingswinst behaald bij deze transactie sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.

4.11. Tussen partijen is voor dat geval niet in geschil dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van enige fusiefaciliteit. De bij overeenkomst van 20 mei 2000 overeengekomen en bij akte van 31 december 2001 uitgevoerde aandelentransactie vormt derhalve een vervreemding als bedoeld in artikel 20a, van de Wet IB 1964. Tussen partijen is enkel nog in geschil welke invloed uitgaat van de in de verkoopovereenkomst opgenomen, maar door belanghebbende nog niet ingeroepen, ontbindende voorwaarde.

4.12. De rechtbank is van oordeel dat nu de obligatoire overeenkomst is aangegaan in mei 2000 en die overeenkomst is uitgevoerd in december 2001 door de verrekening in rekening courant en de levering van de aandelen in Holding 1, een mogelijk beroep op de ontbindende voorwaarde niet in de weg kan staan aan het in aanmerking nemen van de vervreemding in 2000. De vervreemding heeft in 2000 plaatsgehad en het voordeel is dan in dat jaar genoten.

Conclusie

4.13. Gelet op het bovenstaande moet worden geoordeeld dat het beroep gegrond is en moet het belastbaar inkomen worden bepaald op ƒ 2.427.885 (ƒ 2.484.148 minus ƒ 2.227.680 plus ƒ 2.171.417), waarvan een bedrag van ƒ 2.171.417 moet worden belast tegen het bijzondere tarief van artikel 57a Wet IB 1964.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1 ).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 2.427.885 (€ 1.101.726,18), waarvan een bedrag van ƒ 2.171.417 (€ 985.346,08) te belasten naar het tarief van artikel 57a, tweede lid, Wet IB 1964;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 644 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 12 maart 2009 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.M. Dondorp-Loopstra, griffier.

De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.