Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BI0227

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
16-03-2009
Datum publicatie
06-04-2009
Zaaknummer
AWB 09/251
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft uitspraak gedaan in een zaak waarin onder meer in geschil was of er een bezwaarschrift was ingediend en of er op dit bezwaar uitspraak was gedaan. In die zaak stelde de inspecteur dat hij geen bezwaarschrift had ontvangen en dat op het bezwaar (dus) geen uitspraak was gedaan. De inspecteur heeft om herziening van de uitspraak van de rechtbank verzocht, omdat hij er achter is gekomen dat er wél uitspraak op het betreffende bezwaar is gedaan. De rechtbank verklaart het verzoek kennelijk ongegrond, omdat er geen sprake is van feiten en omstandigheden die bij de inspecteur redelijkerwijs niet bekend konden zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0809
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/251

Uitspraakdatum: 16 maart 2009

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], gevestigd te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder, tevens verzoeker tot herziening,

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder, tevens verzoeker tot herziening, inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 14 oktober 2008 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van belanghebbende betreffende de aan belanghebbende opgelegde verzuimboetes behorende bij de aan hem opgelegde naheffingsaanslagen omzetbelasting over het derde en vierde kwartaal van 2007. Het procedurenummer van de uitspraak van de rechtbank is 08/1608. Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen ingesteld, zodat de uitspraak op 26 november 2008 onherroepelijk is geworden.

1.2. Op 16 januari 2009 is bij de rechtbank het verzoek van de inspecteur binnengekomen om deze uitspraak te herzien. Ter zake van dit verzoek heeft de griffier van de inspecteur een griffierecht geheven van € 39.

2. Gronden

2.1. De overwegingen 2.2 tot en met 2.5 en 2.11 van de uitspraak van rechtbank van 14 oktober 2008 luiden:

“Boete eerste verzuim

2.2. Belanghebbende heeft een aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal van het jaar 2007 ingediend. Volgens deze aangifte diende belanghebbende een bedrag van € 2.335 te voldoen. Belanghebbende heeft echter slechts een bedrag van € 1.585 betaald. Met dagtekening 27 november 2007 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd ter grootte van het verschil (€ 750). Tevens is aan belanghebbende een verzuimboete ten bedrage van € 7 opgelegd.

2.3. In geschil is of deze boete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

2.4. Tot de gedingstukken behoort een kopie van het door belanghebbende opgemaakte bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag over het derde kwartaal van 2007. Dit bezwaarschrift is gedagtekend 6 december 2007. De inspecteur heeft geen uitspraak op bezwaar gedaan. Hij betwist dat er een bezwaarschrift is ingediend.

2.5. Op grond van artikel 24a, tweede lid, AWR wordt een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag geacht mede te zijn gericht tegen de boete. Nu de inspecteur geen uitspraak op bezwaar heeft gedaan en de in artikel 25, eerste lid, AWR genoemde termijn voor het doen van uitspraak thans nog niet is verstreken, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk voor zover het de boete van € 7 betreft. Alvorens er beroep kan worden aangetekend, dient namelijk de bezwaarprocedure te zijn doorlopen. In verband met de betwisting door de inspecteur, zal de griffier het bezwaarschrift op grond van artikel 6:15 Awb doorzenden aan de inspecteur.

(…)

Boete tweede verzuim

(…)

2.11. De inspecteur heeft de boete opgelegd op basis van een tweede verzuim als bedoeld in paragraaf 23, onderdeel 5, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998. De bewijslast dat er sprake is van een tweede verzuim, rust op de inspecteur. Nu de boete met betrekking tot het eerste verzuim thans nog niet onherroepelijk vaststaat, is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur niet aan zijn bewijslast heeft voldaan. De rechtbank merkt het verzuim met betrekking tot de naheffingsaanslag omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2007 dan ook aan als een eerste verzuim. In dat kader vermindert de rechtbank de boete tot 1% van de niet-betaalde belasting, te weten € 9 (afgerond). De rechtbank acht deze boete in dit geval passend en geboden.’’

2.2. De inspecteur verzoekt om herziening van de uitspraak van de rechtbank op grond van de omstandig¬heid dat er, in afwijking in zoverre van hetgeen hij eerder heeft gesteld, wel uitspraak is gedaan op het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag over het derde kwartaal van 2007. Deze uitspraak zou zijn gedaan op 26 januari 2008. In het herzieningsverzoek schrijft de inspecteur onder andere:

“In mijn verweerschrift van 2 juli 2008 heb ik achteraf bezien een onjuiste stelling ingenomen door op te merken dat tegen de aanslag over het derde kwartaal 2007 géén bezwaar is ingediend. Dit geldt ook voor mijn betwisting ter zitting. Nu reeds op 26 januari 2008 uitspraak op bezwaar is gedaan stond voor uw uitspraak van 14 oktober 2008 reeds vast dat de aanslag over het derde kwartaal onherroepelijk was. (…) Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag over het derde kwartaal niet in beroep gekomen.”

2.3. Op grond van artikel 8:88 van de Awb kan de rechtbank op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden, waren zij bij de rechtbank eerder bekend geweest.

2.4. Indien de rechtbank veronderstellenderwijs uitgaat van de juistheid van de stelling van de inspecteur in het herzieningsverzoek, dat reeds op 26 januari 2008 uitspraak op bezwaar is gedaan, heeft het volgende te gelden. Naar het oordeel van de rechtbank had de inspecteur reeds vóór de uitspraak redelijkerwijs bekend moeten zijn met het feit dat er reeds op 26 januari 2008 uitspraak is gedaan op het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting over het derde kwartaal van 2007. Er is derhalve reeds hierom geen sprake van feiten of omstandigheden die tot herziening kunnen leiden.

2.5. Gelet op het vorenoverwogene is het verzoek van de inspecteur kennelijk ongegrond.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het verzoek om herziening kennelijk ongegrond.

Aldus gedaan door mr. drs. M.G.J.M. van Kempen, rechter, en door deze en mr. J.M.J.F. Jansen, griffier ondertekend.

De griffier, De rechter,

mr. J.M.J.F. Jansen mr. drs. M.G.J.M. van Kempen

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2009.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.