Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BI0174

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
03-03-2009
Datum publicatie
06-04-2009
Zaaknummer
AWB 08/845
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is autohandelaar. Hij kocht onder meer auto’s in bij Duitse leveranciers. Bij belanghebbende is een boekenonderzoek ingesteld naar, met name, de toepassing van de margeregeling. De toepasselijkheid van deze regeling moet door de wederverkoper aannemelijk gemaakt worden door middel van zijn administratieve vastleggingen en de daarbij bewaarde relevante bescheiden, waaronder de inkoopverklaringen. De inkoopverklaring dient om de bewijspositie van belanghebbende te verlichten, doch behoeft niet doorslaggevend te zijn. Voor de toepassing van de margeregeling rusten, behoudens het afgeven van een inkoopverklaring, niet meer, of zwaardere administratieve verplichtingen op de wederverkoper dan op andere (omzet)belastingplichtigen.

Belanghebbende is in de op haar rustende bewijslast geslaagd. De administratie kon dienen voor de vaststelling van belanghebbendes verplichtingen met betrekking tot de omzetbelasting. Van alle onder de margeregeling ingekochte auto’s bevond zich een dubbel van de inkoopverklaringen in de administratie van belanghebbende, welke inkoopverklaringen voldeden aan de daaraan gestelde eisen. Voorts heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat ter zake van de auto’s door de leveranciers op enigerlei wijze omzetbelasting als voorbelasting is afgetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0822
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/845

Uitspraakdatum: 3 maart 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2003 en met dagtekening 28 juli 2006, een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 75.300, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 18.825.

1.2. De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 11 januari 2008 de naheffingsaanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een bedrag van € 67.979, de boete verminderd tot € 12.746.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 11 februari 2008, ontvangen bij de rechtbank op 12 februari 2008, beroep ingesteld.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2008 te [woonplaats].

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende haar gemachtigde, en de inspecteur. De zaken met de nummers 08/845, 08/846 ([BV]) en 08/847 zijn gelijktijdig behandeld.

1.7. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur.

1.8. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende exploiteerde tot 22 april 2003 een onderneming die zich bezig houdt met de in- en verkoop van gebruikte auto’s. Belanghebbende betrok ondermeer auto’s van Duitse leveranciers. Belanghebbende was als zodanig wederverkoper in de zin van artikel 2a, eerste lid, onderdeel k, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB).

2.2. Sinds 22 april 2003 wordt de onderneming gedreven voor rekening van [BV]. Belanghebbende houdt sedert oprichting van [BV] alle aandelen in deze vennootschap. Directeur-grootaandeelhouder van belanghebbende is [directeur].

2.3. In maart 2005 is door de inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar, met name, de toepassing van de regeling voor gebruikte goederen, antiek en kunstvoorwerpen als bedoeld in hoofdstuk V, afdeling 5, van de Wet OB (hierna: de margeregeling). In dit onderzoek werden gelijktijdig betrokken [BV] en de eenmanszaak [zaak].

2.4. In het tot de stukken van het geding behorende rapport van het boekenonderzoek is vermeld dat de administratie van belanghebbende in het onderhavige tijdvak bestond uit de in- en verkoopfacturen, kasbladen en bankafschriften. De controlerende ambtenaar geeft voorts aan geen verschillen te hebben geconstateerd in de omzetverantwoording door belanghebbende.

2.5. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat belanghebbende personenauto’s heeft doorverkocht met gebruikmaking van de margeregeling. Het ging daarbij om gebruikte personenauto’s welke, met name in de periode 2000 tot 22 april 2003, werden ingekocht van Nederlandse particulieren en van in de Bondsrepubliek Duitsland gevestigde personen (de leveranciers). Na deze periode koopt belanghebbende voornamelijk in bij [firma] te [woonplaats].

2.6. Ter zake van de in geschil zijnde auto’s zijn door de inspecteur in de administratie van belanghebbende afschriften aangetroffen van door belanghebbende aan de leveranciers uitgereikte inkoopverklaringen als bedoeld in artikel 4a, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Tijdens de controle is geconstateerd dat op een inkoopverklaring de handtekening van de leverancier ontbrak. Belanghebbende heeft, na daartoe door de inspecteur in de gelegenheid te zijn gesteld, alsnog een handtekening door de leverancier laten plaatsen. Bij de inkoopverklaringen bewaarde belanghebbende afschriften van paspoorten van de personen die de onderhavige auto’s aan haar hebben geleverd.

2.7. De inspecteur heeft een nader onderzoek ingesteld naar de volgende leveranciers: [leverancier1], [leverancier2] en [leverancier3]. Deze drie leveranciers bleken niet als ondernemer bekend bij, noch traceerbaar door de Duitse belastingautoriteiten op de bij belanghebbende bekende adressen. De inspecteur heeft de inkopen van deze leveranciers vervolgens beschouwd als zijnde niet verricht onder de margeregeling en vervolgens omzetbelasting over de inkoopprijs van de bij hen aangekochte personenauto’s nageheven.

2.8. Belanghebbende is in contact gekomen met deze leveranciers via de internetsite [site]. De leveringen vonden plaats op een parkeerplaats in Nederland, in het onderhavige tijdvak ging het om zeventien gebruikte auto’s, welke zijn geleverd tussen 6 februari 2003 en 17 april 2003. De aankopen werden, behoudens een enkele uitzondering, contant betaald.

2.9. Bij de aankoop van de onderhavige auto’s werden aan belanghebbende telkenmale een Fahrzeugbrief en een Abmeldebescheinigung overhandigd. Deze bescheiden zijn door belanghebbende bij de aanvraag van de Nederlandse kentekens opgestuurd naar de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: RDW). Afschriften van deze bescheiden zijn door belanghebbende niet bewaard.

2.10. Voorts is tijdens het onderzoek geconstateerd dat belanghebbende in het onderhavige tijdvak ten onrechte een auto heeft geleverd tegen het nultarief als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Wet OB, juncto Post a6, van Tabel 2, behorende bij de Wet OB. De inspecteur heeft de omzetbelasting ad € 1.965 ter zake van deze verkoop nageheven.

2.11. Daarnaast heeft de inspecteur een correctie aangebracht ter zake van een tweetal auto’s welke in 2001 onder het normale BTW-regime werden ingekocht en verkocht, doch waren begrepen in de berekening van de globalisatieregeling. Het hiermede gemoeide bedrag aan omzetbelasting bedraagt € 7.321. Deze correctie is in de bezwaarprocedure door de inspecteur ongedaan gemaakt en derhalve niet meer in geschil.

2.12. De naheffingsaanslag bestaat, na bezwaar, uit € 66.014 ter zake van de correctie margeregeling en € 1.965 ter zake van de correctie nultarief.

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vragen of:

1. De naheffingsaanslag ter zake van de toepassing van de margeregeling terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd;

2. Er terecht een boete is opgelegd en zo ja of deze tot het juiste bedrag is opgelegd.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de inspecteur bevestigend. Belanghebbende stelt hierbij het volgende:

1. De toepassing van de margeregeling is ten onrechte door de inspecteur geweigerd;

2. De aanslag is opgelegd met schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel;

3. De inspecteur heeft onzorgvuldig gehandeld bij de afhandeling van het bezwaarschrift;

4. De inspecteur heeft tijdens het boekenonderzoek het in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat er geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd.

Gezien het beroepschrift verzet belanghebbende zich niet meer tegen de naheffing ter zake van de, onder 2.10 opgenomen, weigering van het nultarief.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Van hetgeen zij ter zitting hieraan hebben toegevoegd is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van

€ 1.965. Voorts concludeert belanghebbende tot vernietiging van de boete.

3.4. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Met betrekking tot de toepassing van de margeregeling:

4.1. Op grond van artikel 28b, eerste lid van de Wet OB wordt voor de leveringen door een wederverkoper van, onder meer, gebruikte goederen de belasting onder bepaalde voorwaarden berekend over de winstmarge. De winstmarge is het verschil tussen de vergoeding en hetgeen ter zake van de levering van een dergelijk goed aan de wederverkoper door haar is of moet worden voldaan.

4.2. Op grond van artikel 28b, tweede lid, van de Wet OB is de margeregeling slechts van toepassing indien het goed aan de wederverkoper is geleverd door:

a. een ander dan een ondernemer;

b. een ondernemer, met toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel r, van de Wet OB;

c. een ondernemer die ingevolge artikel 25, derde lid, van de Wet OB is ontheven van de verplichtingen, opgelegd bij of krachtens de artikelen 34 en 35, van de Wet OB mits het een in zijn bedrijf gebruikt bedrijfsmiddel betreft;

d. een andere wederverkoper, die de margereling toepast; of

e. een ondernemer of een wederverkoper uit een andere lidstaat, mits het een levering is als bedoeld in artikel 26 bis, B, lid 2, tweede, derde of vierde gedachtestreep, van de Zesde Richtlijn.

4.3. Op grond van artikel 28i van de Wet OB kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld inzake de toepassing van de margeregeling. In dat verband is in artikel 4a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting onder meer bepaald dat de wederverkoper bij toepassing van de margeregeling verplicht is aan zijn leverancier een door deze te ondertekenen inkoopverklaring uit te reiken. In die verklaring moeten blijkens het bepaalde in voormeld artikel 4a op duidelijke en overzichtelijke wijze zijn vermeld:

a. de dag waarop de levering wordt verricht;

b. naam en adres van de wederverkoper;

c. naam en adres van de leverancier;

d. een duidelijke omschrijving van het geleverde goed en, voor zover het een motorrijtuig betreft, tevens het kenteken;

e. de hoeveelheid van de geleverde goederen;

f. het bedrag dat aan de leverancier ter zake van de levering is of moet worden voldaan;

g. een verklaring van de leverancier dat hij ter zake van de levering aan hem van het goed in het geheel geen belasting in aftrek heeft gebracht. De wederverkoper is verplicht een dubbel van de uitgereikte inkoopverklaring te bewaren.

4.4. Uitgangspunt voor de toepassing van de margeregeling is dat de goederen afkomstig zijn van personen die bij de aanschaf van de goederen de omzetbelasting niet hebben kunnen aftrekken. De bewijslast voor de toepasselijkheid van de margeregeling rust op belanghebbende. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat de onder 4.3 genoemde inkoopverklaring dient om de bewijspositie van belanghebbende te verlichten, doch niet doorslaggevend behoeft te zijn. Voorts merkt de rechtbank op dat voor de toepassing van de margeregeling, behoudens de onder 4.3 genoemde, niet meer, of zwaardere administratieve verplichtingen op de wederverkoper rusten dan op andere (omzet)belastingplichtigen.

4.5. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de conclusie dat de toepasselijkheid van de margeregeling door belanghebbende aannemelijk gemaakt moet worden door middel van de door haar bijgehouden administratie en de daarbij bewaarde relevante bescheiden waaronder de inkoopverklaringen.

4.6. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende in de op haar rustende bewijslast is geslaagd. Niet gesteld en niet gebleken is dat sprake zou zijn van een uitzondering als bedoeld in art. 4a, derde lid van de Uitvoeringsbeschikking. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat de inspecteur uit het in zijn opdracht ingestelde boekenonderzoek niet de conclusie heeft kunnen trekken dat de administratie niet kon dienen voor de vaststelling van belanghebbendes verplichtingen met betrekking tot de omzetbelasting. Voorts overweegt de rechtbank dat zich van alle onder de margeregeling ingekochte auto’s een dubbel van de inkoopverklaringen in de administratie van belanghebbende bevond en dat deze inkoopverklaringen voldeden aan de onder 4.3 opgesomde vereisten.

4.7. Dat, gelijk de inspecteur heeft gesteld, de leveranciers niet als ondernemers in Duitsland stonden geregistreerd doet aan het bovenstaande niet af. Voor levering van gebruikte goederen onder de margeregeling is een dergelijke registratie niet absoluut noodzakelijk. Uit de informatie welke de inspecteur door middel van de internationale gegevens uitwisseling met de Duitse belastingdienst heeft ontvangen, valt voorts op geen enkele wijze af te leiden of ter zake van de onderhavige auto’s aftrek van voorbelasting is genoten door de leveranciers. De inspecteur heeft in dit verband nog gesteld, dat een aantal van deze auto’s via de laatste tenaamstelling in Duitsland te relateren valt aan aldaar gevestigde ondernemers. De rechtbank acht dit evenwel onvoldoende om te kunnen concluderen dat de margeregeling met betrekking tot die auto’s voor belanghebbende niet van toepassing zou zijn. De rechtbank overweegt hierbij dat ook ter zake van die auto’s gesteld noch gebleken is dat op enigerlei wijze omzetbelasting in aftrek is gebracht.

4.8. Dat belanghebbende in haar administratie geen afschrift heeft bewaard van de Fahrzeugbrief en de Abmeldebescheinigung valt haar in zoverre te verwijten dat dit de directe controlemogelijkheden van de inspecteur heeft verminderd. Evenwel, gelijk belanghebbende onbestreden heeft gesteld, was zij verplicht deze documenten in te zenden naar de RDW teneinde een Nederlands kenteken voor de onderhavige auto’s te verkrijgen. Daarnaast heeft belanghebbende onbestreden gesteld naderhand niet in staat te zijn geweest alsnog afschriften van deze documenten te bemachtigen bij de RDW. Gesteld noch gebleken is dat de inspecteur, die daartoe de bevoegdheid bezit krachtens de AWR, actie heeft ondernomen deze documenten te achterhalen bij de RDW.

4.9. Het vorengaande overwegende is de rechtbank van oordeel dat het gelijk met betrekking tot de eerste in geschil zijnde vraag aan de kant van belanghebbende ligt. De naheffingsaanslag dient derhalve verminderd te worden tot op het niet langer in geschil zijnde bedrag van € 1.965 ter zake van de weigering van het nultarief.

Met betrekking tot de boete:

4.10. De vergrijpboete opgelegd wegens grove schuld bedroeg 25% van de nageheven belasting en is in de bezwaarprocedure verminderd met 25%, nu er naar het oordeel van de inspecteur een wanverhouding bestond tussen de hoogte van de boete en de beboetbare feiten. De rechtbank leidt hieruit af dat de vergrijpboete welke betrekking heeft op de weigering van het nultarief € 368 bedraagt, zijnde 25% van € 1.965 = € 491, verminderd met 25%.

4.11. Met betrekking tot de boete is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur met hetgeen hij heeft aangevoerd aannemelijk heeft gemaakt dat bij belanghebbende sprake is van grove schuld. Onder grove schuld wordt verstaan een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid. Belanghebbende heeft het nultarief toegepast zonder te beschikken over enig bewijs dat de betreffende auto in verband met de levering daadwerkelijk naar een andere lidstaat is vervoerd. Door niet voor bewijs te zorgen dat de auto in verband met de levering is vervoerd naar een andere lidstaat heeft belanghebbende dermate lichtvaardig gehandeld dat gesproken kan worden van grove onachtzaamheid. In zoverre is dan ook sprake van grove schuld. De rechtbank acht de boete van € 368 in dit geval zowel passend als geboden.

4.12. De rechtbank verwerpt belanghebbendes stelling dat de boete formeel niet, dan wel niet op de juiste wijze werd aangekondigd. De boete werd bij brief van 15 juni 2006, overeenkomstig artikel 67k van de AWR, onder vermelding van de gronden door de inspecteur aangekondigd, waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld de gronden gemotiveerd te betwisten. Voorts is belanghebbende, gelijk de inspecteur onbestreden heeft gesteld vóór het opleggen van de boete door de toezending van het rapport van het boekenonderzoek op 4 juli 2006, overeenkomstig het bepaalde in artikel 67g AWR in kennis gesteld van de gronden waarop de boete berust.

4.13. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Nu de zaken, die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de nummers 08/845, 08/846 en 08/847 samenhangende zaken zijn in de zin van artikel 3 van het Besluit zal de rechtbank in ieder van deze zaken een proceskostenveroordeling uitspreken van € 322.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag tot € 1.965;

- vermindert de boete tot € 368;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 322, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 285 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 3 maart 2009 door mr. W. Brouwer, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. drs. M.H. van Schaik, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.