Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2009:BI0141

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
19-02-2009
Datum publicatie
06-04-2009
Zaaknummer
AWB 08/151
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil de waarde per 1 januari 2001 van een gebouw dat vanaf die datum tot box 1 behoort. Ingevolge een goedkeuring in het besluit van 9 maart 2001, nr. RTB2001/947, van de Staatssecretaris van Financiën mag, indien discussie bestaat over de waarde van een onroerende zaak, worden uitgegaan van de WOZ-waarde op de waardepeildatum 1 januari 1999 vermeerderd met 20% daarvan. De rechtbank wijst het standpunt van de inspecteur af dat deze goedkeuring niet geldt als belanghebbende zelf waardetaxaties heeft overgelegd, waardoor de waarde wel kan worden vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is deze beperkte uitleg van de goedkeuring niet te lezen in de tekst ervan. De rechtbank stelt de waarde van het gebouw, ter berekening van de afschrijvingskosten en het boekverlies bij de (latere) overgang van het gebouw van box 1 naar box 3 op de genoemde WOZ-waarde plus 20%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0744
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 08/151

Uitspraakdatum: 19 februari 2009

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

verweerder.

Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 104.375. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar aangetekend.

1.2. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 december 2007 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 10 januari 2008, ontvangen door de rechtbank op 11 januari 2008, beroep ingesteld. Ter zake is van belanghebbende een griffierecht van € 39 geheven.

1.4. De inspecteur heeft geen verweerschrift of op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2009 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede, de inspecteur. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank gelijktijdig behandeld de beroepschriften van belanghebbende die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder respectievelijk de kenmerken AWB 08/150, AWB 08/151, AWB 08/152 en AWB 08/153.

1.6. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en heeft deze overgelegd aan de rechtbank en belanghebbende. Belanghebbende heeft ter zitting een cijfermatig overzicht overgelegd aan de rechtbank en de inspecteur.

1.7. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1. Belanghebbende heeft op 6 augustus 1997 voor een bedrag van, omgerekend, € 657.981 de eigendom, in verhuurde staat, verworven van de onroerende zaak gelegen aan [adres] te [woonplaats] (hierna: het gebouw).

2.2. Het gebouw is verhuurd aan een besloten vennootschap waarin belanghebbende middellijk alle aandelen bezit. Per 1 januari 2001 bedroeg de overeengekomen jaarhuur € 102.100.

2.3. Belanghebbende heeft het gebouw op 26 augustus 2005 verkocht aan een onafhankelijke derde voor een bedrag van € 1.300.000.

2.4. Van het gebouw zijn de volgende waardeschattingen bekend (voor zo veel nodig omgerekend naar euro’s):

Waardepeildatum Bedrag Opgemaakt door toelichting

1 januari 1999 1.603.659 Gemeente [woonplaats] WOZ-beschikking 2001

6 november 2000 1.792.431 [makelaars] Taxatie i.o.v. belanghebbende i.v.m. mogelijke verkoop

1 januari 2001 1.450.000 Rijkstaxateur Taxatie op verzoek inspecteur, opgemaakt op 29 maart 2006

27 juni 2002 1.925.000 [Makelaars] Advies vraagprijs waarbij geschatte opbrengst ligt tussen 1.700.000 en 1.800.000

2 juli 200[makelaars] Advies vraagprijs waarbij geschatte opbrengst ligt tussen 1.800.000 en 2.025.000

1 januari 2003 1.329.000 Gemeente [woonplaats] WOZ-beschikking 2005

1 april 2003 1.350.000 Rijkstaxateur Taxatie op verzoek inspecteur, opgemaakt op 29 maart 2006

2.5. De jaarlijkse afschrijving bedraagt 2½ % van de afschrijvingsgrondslag.

2.6. Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2001 het gebouw aangegeven voor een waarde van € 726.000 bij het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (hierna: box 3). De inspecteur heeft op 25 februari 2003 de aanslag opgelegd. Belanghebbende heeft de inspecteur bij brief van 5 maart 2003 verzocht om een navorderingsaanslag over 2001 op te leggen. Uit deze brief volgt dat het gebouw ten onrechte in box 3 is aangegeven. Uit de bijlage bij deze brief volgt dat het gebouw per 1 januari 2001 bij het belastbaar inkomen uit werk en woning (hierna: box 1) dient te worden aangegeven en dat de waarde per die datum € 2.025.000 bedraagt.

2.7. De inspecteur heeft op 13 maart 2003 bij de gemachtigde van belanghebbende telefonisch navraag gedaan over de waardevaststelling van het gebouw op het bedrag van € 2.025.000. De aangiftemedewerker van de gemachtigde heeft aan de inspecteur meegedeeld dat deze waarde is gebaseerd op informatie van makelaarskantoor [makelaars]. De inspecteur heeft daarna de navorderingsaanslag over het jaar 2001 opgelegd conform het verzoek.

3. Geschil

3.1. Tussen partijen is in geschil wat de waarde in het economische verkeer van het gebouw is in het onderhavige jaar en hoe hoog de daarmee samenhangende afschrijvingskosten zijn.

3.2. Belanghebbende staat primair een waarde van € 2.025.000 en subsidiair een waarde van € 1.924.391 voor, terwijl de inspecteur een waarde van € 1.450.000 voorstaat.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen partijen ter zitting daar aan hebben toegevoegd verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting.

3.4. Belanghebbende concludeert primair tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk van woning van € 75.625. Belanghebbende concludeert subsidiair tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk van woning van € 80.655. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van artikel 3.92, eerste lid, letter a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (het inkomen uit) het gebouw behoort tot het resultaat uit overige werkzaamheden van box 1. Het is evenmin tussen partijen in geschil dat de afschrijvingsgrondslag wordt bepaald door de waarde in het economische verkeer van het gebouw per 1 januari 2001.

4.2. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich mee dat degene die zich beroept op een aftrekpost daarvoor in beginsel de bewijslast heeft. Het is belanghebbende die zich beroept op een aftrekpost in verband met de afschrijving van het gebouw.

4.3. Belanghebbende heeft primair gesteld dat de afschrijvingsgrondslag € 2.025.000 bedraagt. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur, er niet in geslaagd deze stelling aannemelijk te maken. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat uit het arrest van de Hoge Raad van 5 februari 1969, nr. 16 047, gepubliceerd in BNB 1969/63, volgt dat voor zaken waarvoor een markt bestaat, in beginsel de verkoopprijs op die markt de waarde in het economische verkeer vormt, waarbij het de verkoopprijs omschrijft als de prijs die bij aanbieding van de zaak ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde daarvoor zou zijn besteed. De rechtbank acht het aannemelijk dat een vraagprijs voor een gebouw doorgaans hoger ligt dan de prijs die de meestbiedende gegadigde betaalt. Belanghebbende heeft geen omstandigheden aangevoerd waaruit zou blijken dat dit algemene uitgangspunt voor dit gebouw niet zou gelden. De makelaar die deze vraagprijs aan belanghebbende heeft geadviseerd geeft ook zelf aan dat de te verwachten opbrengst vermoedelijk tussen € 1.800.000 en € 2.025.000 ligt. Daarnaast heeft een andere makelaar, ongeveer gelijktijdig, een vraagprijs geadviseerd van € 1.925.000 met een te verwachten opbrengst tussen € 1.700.000 en € 1.800.000. Voorts merkt de rechtbank op dat per 6 november 2000 het gebouw is getaxeerd op € 1.792.431.

4.4. Het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot de conclusie dat belanghebbende er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de waarde van het gebouw en daarmee de afschrijvingsgrondslag in het onderhavige jaar € 2.025.000 bedraagt.

4.5. Met betrekking tot belanghebbendes stelling dat de inspecteur door het opleggen van de navorderingsaanslag over het jaar 2001, nadat hij daarover informatie bij belanghebbende had ingewonnen, het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat de afschrijvingsgrondslag € 2.025.000 bedraagt, overweegt de rechtbank als volgt.

4.6. Belanghebbende heeft bij monde van de gemachtigde op de vraag van de inspecteur waarop de waardevaststelling van het gebouw was gebaseerd geantwoord dat het ging om informatie van [makelaars]. Gemachtigde heeft daarbij niet aangegeven dat het om een geadviseerde vraagprijs ging en dat dit makelaarskantoor had aangegeven dat de verwachte opbrengst zou liggen tussen € 1.800.000 en € 2.025.000. Gemachtigde is een professionele belastingadviseur van wie mag worden verwacht dat hij weet dat een vraagprijs niet per definitie de waarde in het economische verkeer is. Deze kennis dient, naar het oordeel van de rechtbank, aan belanghebbende te worden toegerekend. Voorts beschikte belanghebbende over een taxatierapport van een andere makelaar, waarin de waarde van het gebouw lager werd ingeschat. Daarnaast beschikte belanghebbende over een door weer een andere makelaar geadviseerde vraagprijs die eveneens een lagere verkoopopbrengst inschatte. Het lag op de weg van belanghebbende om meer informatie te verstrekken. Dat, zoals gemachtigde heeft gesteld, deze gegevens wel bij belanghebbende maar niet bij hem bekend waren, dient voor rekening van belanghebbende te komen. Voor een professionele belastingadviseur, zoals gemachtigde, moet het duidelijk zijn geweest dat de inspecteur niet zonder meer akkoord was gegaan als hij weet zou hebben gehad van de op dat moment bij belanghebbende voorhanden zijnde informatie. De rechtbank rekent deze kennis van de gemachtigde toe aan belanghebbende, waar nog bij komt dat belanghebbende zelf ook geen volledige openheid van zaken heeft gegeven. Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel kan derhalve naar het oordeel van de rechtbank niet slagen.

4.7. Belanghebbende staat subsidiair een waarde voor van € 1.924.391. Het is tussen partijen niet in geschil dat dit het bedrag is zoals dat volgt uit de toepassing van het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 9 maart 2001, nr. RTB2001/947 (hierna: het besluit), waarop belanghebbende een beroep doet. Hierin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

(…)

Het vaststellen van de waarde in het economische verkeer kan tot veel discussie aanleiding geven en tot extra kosten leiden. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Veegwet Wet inkomstenbelasting 2001 heb ik toegezegd een voorschrift te doen uitgaan, teneinde dit zoveel mogelijk te voorkomen. Met dit besluit doe ik deze toezegging gestand.

Goedkeuring

Ik keur voorzover nodig goed, dat voor het vaststellen van de waarde in het economische verkeer op de openingsbalans per 1 januari 2001, van onroerende zaken die ter beschikking worden gesteld door belastingplichtigen, voor wie de voordelen uit deze ter beschikkingstelling, door invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001, gaan behoren tot het resultaat uit overige werkzaamheden, wordt uitgegaan van de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde met waardepeildatum 1 januari 1999 (hierna: de WOZ-waarde), verhoogd met 20%.

Hierbij merk ik het volgende op.

1. De goedkeuring geldt uitsluitend voor de waardering van onroerende zaken op de openingsbalans per 1 januari 2001.

2. De toezegging geldt uitsluitend voor gevallen waarin de afbakening van het WOZ-object overeenkomt met het vermogensbestanddeel dat op de beginbalans gewaardeerd moet worden. In gevallen waarin de WOZ-waarde niet met de waarde in het economische verkeer overeen kan komen zal de waarde in het economische verkeer anders bepaald moeten worden. Voorbeelden hiervan zijn in elk geval de volgende situaties:

a. Wanneer de onroerende zaak is bezwaard met een recht van erfpacht en in andere gevallen waarin, door de vestiging van een beperkt zakelijk recht, geen sprake is van volle en onbezwaarde eigendom.

b. Situaties waarin een bijzondere omstandigheid de waarde in het economische verkeer drukt. Zo zal, wanneer de huurder investeringen heeft gepleegd en deze investeringen tot uitdrukking komen in de WOZ-waarde, rekening gehouden moeten worden met het waardedrukkende effect van de verplichting voor de eigenaar om deze kosten te vergoeden.

c. Een onroerende zaak met gemengd gebruik, dat als één WOZ-object wordt beschouwd, maar waarvan slechts een gedeelte onder de terbeschikkingstellingsregeling valt, tenzij dit gedeelte in het taxatieverslag afzonderlijk is gewaardeerd.

In gevallen waarin een WOZ-beschikking wordt herzien is artikel 18a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing

(…).

4.8. De inspecteur heeft aangevoerd dat in dit geval naar zijn mening dit besluit niet van toepassing is omdat uit de tekst van het besluit volgt dat de goedkeuring is bedoeld voor situaties dat belastingplichtigen niet beschikken over een taxatierapport aangaande de betreffende onroerende zaak. Hij leidt dat af uit het feit dat de goedkeuring aanvangt met de woorden: “ik keur voorzover nodig goed”. De rechtbank volgt de inspecteur niet in dat betoog. Als reden voor de goedkeuring wordt in het besluit aangegeven dat het vaststellen van de waarde in het economische verkeer tot veel discussie aanleiding kan geven en tot extra kosten kan leiden. De passage “ik keur voorzover nodig goed” ziet naar het oordeel van de rechtbank op situaties waarin discussie bestaat over de waarde. De uitleg van de inspecteur valt niet te lezen in het besluit. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat, indien de Staatssecretaris van Financiën dezelfde uitleg als de inspecteur voorstaat maar dat niet vermeldt in zijn besluit, een dergelijke onduidelijkheid in het gepubliceerde besluit niet voor rekening van de belanghebbende dient te komen.

4.9. Daarnaast heeft de inspecteur een beroep gedaan op het bepaalde onder punt 2 van het besluit. Daar is, kort samengevat, aangegeven dat de goedkeuring niet geldt als de WOZ-waarde niet met de waarde in het economische verkeer overeen kan komen. De voorbeelden in het besluit onder de letters a., b., en c., zijn niet limitatief.

4.10. Het is niet in geschil dat geen van de genoemde uitzonderingen van toepassing is op het onderhavige geschil. De inspecteur stelt dat de WOZ-waarde per 1 januari 1999 (€ 1.603.659) onjuist is, waarbij hij verwijst naar het taxatieverslag van de rijkstaxateur die een waarde van € 1.450.000 voorstaat. De rechtbank wijst die stelling af. De genoemde uitzonderingen zien, naar het oordeel van de rechtbank, op situaties dat voor de WOZ-waarde uitgangspunten en grondslagen aangaande de feitelijke situatie van het gebouw gelden die niet gelden voor de waardering van het gebouw ten behoeve van artikel 3.92, eerste lid, letter a, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het enkele feit dat de rijkstaxateur de waarde, wat daar ook van moge zijn, met dezelfde uitgangspunten over de feitelijke situatie, anders en veel lager taxeert dan de WOZ-waarde, is onvoldoende om aan te nemen dat de waarde in het economische verkeer niet kan overeenkomen met de WOZ-waarde.

4.11. Uit het voorgaande volgt dat het gelijk op dit punt aan de zijde van belanghebbende is. In dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de afschrijvingskosten over het jaar 2002 dienen te worden berekend op (2½% x € 1.924.391 =) € 48.110 minus € 2.515 (correctie afschrijving over het jaar 2001) = € 45.595.

4.12. De inspecteur heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning op € 104.375 vastgesteld, waarbij hij een afschrijvingsbedrag van € 21.875 heeft gehanteerd. Het is tussen partijen niet in geschil dat het belastbaar inkomen uit werk en woning moet worden verminderd met € 23.720 (= € 45.595 minus € 21.875) tot € 80.655.

4.13. De rechtbank heeft gelijktijdig uitspraak gedaan in de beroepsprocedure van belanghebbende over het jaar 2003 (AWB 08/150). De rechtbank heeft daarbij gelast dat de inspecteur een beschikking wegens te verrekenen verliezen neemt over het jaar 2003. De inspecteur dient daarom ook het met dit jaar te verrekenen verlies, op grond van artikel 3.152, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen en met het inkomen uit werk en woning te verrekenen.

4.14. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken voor de procedures die de rechtbank gelijktijdig heeft behandeld (kenmerken AWB 08/150, AWB 08/151, AWB 08/152 en AWB 08/153). Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.449 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de mondelinge behandeling, een wegingsfactor van 1 en een factor 1½ wegens vier of meer samenhangende zaken met een waarde per punt van € 322). De rechtbank rekent aan deze procedure toe 25% van € 1.449 = € 362,25.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een inkomen uit werk en woning van € 80.655;

- gelast dat de inspecteur binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak de aanslag bij voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 3.152 Wet inkomstenbelasting 2001 verder vermindert met het verlies uit werk en woning over het jaar 2003 voor zover dit verlies niet verrekend kan worden met de het belastbaar inkomen over het jaar 2000 respectievelijk het inkomen uit werk en woning over het jaar 2001;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 362,25 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 19 februari 2009 door mr. N. van Duijn, voorzitter, mr. W. Brouwer en mr. drs. G.H.C. Blommers, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.M.J.F. Jansen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ [woonplaats].

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.